2003/69 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. G.F. Zegger

tegen

H.H. Nijen Twilhaar (De Telegraaf)

Bij brief van 22 juli 2003 met twee bijlagen heeft mr. H.A. Schenke, advocaat te Nijmegen, namens mr. G.F. Zegger (klager) een klacht inge-diend tegen H.H. Nijen Twilhaar (verweerder). Verweerder heeft niet inhoudelijk op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 oktober 2003 in aanwezigheid van klager en zijn raadsman. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 7 juli 2003 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Nijen Twilhaar verschenen onder de kop “Tuchtcollege buigt zich over Nijmeegse affaire – ‘Makelaars betrokken bij gesjoemel notaris’”. De intro van het artikel luidt:
Een onbekend aantal NVM-makelaars in de regio Nijmegen is mogelijk betrokken geraakt bij dubieuze praktijken van notaris- en advocatenkantoor De Mul Zegger. Het Nijmeegse notariskantoor zou makelaars hebben geronseld om tegen speciale financiële condities zoveel mogelijk koopaktes te laten passeren. In ruil daarvoor zouden de makelaars eerder courtage uitgekeerd krijgen dan gebruikelijk is.
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passage:
Inmiddels hebben 21 notarissen uit de regio Nijmegen gezamenlijk klachten tegen het omstreden notariskantoor ingediend bij het notarieel tuchtcollege, de Kamer van Toezicht. Dat heeft een diepgaand onderzoek ingesteld naar de handelwijze van de notaris. (...) De uitkomsten van de tuchtprocedure van de Kamer van Toezicht zullen mogelijkerwijs leiden tot een rechtszaak waarbij de betrokken notaris mr. G. Zegger volledig uit zijn ambt kan worden gezet.
Het slot van het artikel luidt:
Notaris Zegger heeft alle beschuldigingen van de hand gewezen. ,,Het is allemaal gelogen. Er klopt niets van”, aldus Zegger die inmiddels een advocaat heeft ingehuurd.

HET STANDPUNT VAN KLAGER

Klager stelt dat het artikel tendentieuze beweringen bevat, die niet op feiten zijn gebaseerd en die zijn versterkt door het gebruik van grievende bewoordingen als ‘gesjoemel’ en ‘geronseld’. De publicatie doet zo ten onrechte afbreuk aan zijn reputatie als notaris en berokkent hem schade, aldus klager. Volgens hem had verweerder in verband met de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de voor klager te verwachte gevolgen extra zorgvuldig moeten zijn en extra onderzoek behoren te verrichten. Verweerder heeft die zorgvuldigheid niet in acht genomen en heeft bovendien nagelaten klager in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren alvorens tot publicatie over te gaan.
Klager heeft verweerder, toen deze hem op de zaterdagmiddag vóór publicatie telefonisch benaderde, de gelegenheid geboden om op maandag op zijn kantoor van de stukken uit de klachtprocedure bij de Kamer van Toezicht kennis te nemen. In die procedure is, in het kader van een vooronderzoek, aan het Bureau Financieel Toezicht opdracht verleend de boeken van klager te onderzoeken. Voorts hebben getuigenverhoren plaatsgevonden. De resultaten van dat boekenonderzoek en de inhoud van de getuigenverklaringen weerleggen volgens klager de in het artikel gedane beweringen.
Verweerder heeft echter aan klager meegedeeld dat hij het artikel op maandag wilde publiceren en het aanbod om de stukken te komen inzien afgeslagen. Klager betoogt dat het verweerder moet worden aangerekend dat hij aldus geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden om te verifiëren of de te publiceren beweringen op werkelijkheid berustten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel wordt over klager bericht dat hij heeft ‘gesjoemeld’ en zodanig heeft gehandeld, dat hij uit zijn ambt kan worden gezet. Deze beschuldigingen werpen een zodanige smet op klager in de uitoefening van zijn functie, dat verweerder deze niet zonder behoorlijk wederhoor had mogen publiceren.
Klager heeft onweersproken gesteld dat hij verweerder heeft aangeboden kennis te nemen van stukken uit de procedure bij de Kamer van Toezicht. Naar klager heeft gesteld, en de Raad heeft geen reden om daaraan te twijfelen, had verweerder uit die stukken kunnen opmaken dat het vooronderzoek was afgerond en geen voor klager belastende resultaten had opgeleverd. Zeker, gelet op de ernst van de te publiceren beschuldigingen, had verweerder van dit aanbod gebruik behoren te maken en niet mogen volstaan met de loutere vermelding dat klager ‘alle beschuldigingen van de hand heeft gewezen’. Niet valt in te zien, dat verweerder de publicatie niet had kunnen aanhouden, totdat hij kennis had genomen van het door klager aangeboden materiaal, terwijl ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de handelwijze van verweerder zouden kunnen rechtvaardigen (vgl. onder meer: HPT Development BV/’Opgelicht’, RvdJ 2003/48 en Aerts en Oosterdijk/Groot en Algemeen Dagblad, RvdJ 2003/04).

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. C.J.E.M. Joosten, drs. P. Sijpersma en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-69