2003/66 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

College van procureurs-generaal

tegen

M. Princen en de hoofdredacteur van FEM Business

Bij brief van 25 april 2003 met acht bijlagen heeft J.L. de Wijkerslooth namens het College van procureurs-generaal te Den Haag (klager) een klacht ingediend tegen M. Princen en de hoofdredacteur van FEM Business (verweerders). Hierop heeft mr. O.M.B.J. Volgenant, advocaat te Amsterdam, namens verweerders geantwoord in een brief van 8 juli 2003 met twaalf bijlagen. De Wijkerslooth heeft daarop gerepliceerd in een schrijven van 18 augustus 2003. Ten slotte heeft mr. Volgenant op de repliek gereageerd bij brief van 10 september 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 oktober 2003. Namens klager zijn daar verschenen E.K.C. Stolwijk (hoofd Voorlichtingsdienst) en A. van het Erve (medewerkster van de Voorlichtingsdienst). Aan de zijde van verweerders zijn verschenen mr. Volgenant, M. Princen, M. Ackermans (hoofdredacteur) en mr. M. Rebers (bedrijfsjuriste van Reed Business Information BV). Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

In FEM Business is, in de editie van 29 maart 2003 die op 27 maart 2003 is verspreid, een artikel van de hand van Princen verschenen onder de kop “Onrust bij justitie door bezuinigingen”. De intro van het artikel luidt:
Forse bezuinigingen bij het Openbaar Ministerie hebben een interne crisis veroorzaakt. Een vacaturestop is afgekondigd, officieren van justitie moeten afvloeien. Een wilde staking is al geopperd.
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
Openstaande vacatures bij het OM worden geschrapt en het invullen van vrijkomende vacatures is geblokkeerd. Verder worden tijdelijke contracten opgezegd, vervalt de inflatiecorrectie op salarissen en worden geen derden meer ingehuurd. Vanwege het natuurlijk verloop bij justitie betekent de landelijke vacaturestop een vermindering van de capaciteit aan officieren met mogelijk tien procent.
en
De bekende crimefighter Fred Teeven – na één jaar in de Tweede Kamer onlangs teruggekeerd naar zijn oude ambt als officier van Justitie – heeft minister Donner bij de behandeling van de justitiebegroting op de man af gevraagd waarom er moet worden bezuinigd bij het OM. De minister antwoordde dat het college van procureurs-generaal ‘vergeten was’ geld erbij te vragen. Dit terwijl het thema veiligheid de verkiezingen domineerde. Het college had – tot Donners eigen verrassing – namelijk laten weten ‘wel toe te komen met de beschikbare middelen’. Een woordvoerder bevestigt namens het college van procureurs-generaal dat geen lobby is gevoerd. (...) Op de vraag of tijdens de huidige kabinetsformatie wél een lobby is gestart om bezuinigingen ongedaan te maken of te beperken, zegt de woordvoerder: “Nee, wij kiezen voor het reguliere overleg.”
en
De Haagse hoofdofficier Gerard Bouman maande super-pg De Wijkerslooth vanwege de bezuinigingen onlangs tot een spoedgesprek met premier Jan Peter Balkenende. De Wijkerslooth liet weten daar het nut niet van in te zien. Bouman heeft vervolgens met tussenkomst van zijn burgemeester, Wim Deetman, zelf een gesprek gearrangeerd met de formatie-onderhandelaars Balkenende (CDA) en Wouter Bos (PvdA). Minister Remkes van Binnenlandse Zaken was ook aanwezig Het geheime gesprek vond plaats in een café in Den Haag. De actie van hoofdofficier Bouman, die De Wijkerslooth rechts passeerde, en het vertrek van Klopper uit Utrecht duiden op een vertrouwenscrisis binnen de top van het OM.
gevolgd door de laatste alinea van het artikel:
“Dat het college tijdens deze kabinetsformatie wéér geen claim heeft neergelegd, heeft alles te maken met de attitude van het college: vooral niet vertellen wat je goed doet en geen middelen vragen die nodig zijn om naar behoren te werken”, zegt een zeer invloedrijke officier, die anoniem wil blijven. “Zo modderen we maar aan. Dat ging onder de vorige super-pg, Arthur Docters van Leeuwen, wel even anders. Het is een in zichzelf gekeerde organisatie geworden die volstrekt top-down wordt bestuurd. Talenten lopen weg. Anticiperen op wat in de maatschappij leeft, is er niet bij. De top moet worden vervangen.”

Direct na het verschijnen van het artikel heeft L.A.W. de Lange, woordvoerder van klager, in een e-mailbericht gereageerd op de publicatie en rectificatie verzocht. Verweerders hebben dat verzoek niet gehonoreerd.

Op 27 maart 2003 is bovendien een gezamenlijk persbericht van het OM en de gemeente Den Haag verspreid onder de kop “Gesprek in Haags café heeft nooit plaatsgevonden”.

Ten slotte is op 12 april 2003 in FEM Business onder de kop “Bezuinigingen bij justitie” nog de volgende ingezonden brief van W.J. Deetman, burgemeester van Den Haag, geplaatst:
Volgens het artikel in FEM Business van 29 maart jongstleden onder kop ‘Onrust bij justitie door bezuinigingen’ zou de Haagse hoofdofficier van justitie Bouman door mijn tussenkomst een geheim gesprek hebben belegd in een Haags café Aan dat gesprek zouden de formatieonderhandelaars Balkenende en Bos hebben deelgenomen, evenals minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Deze bewering is feitelijk van a tot z onjuist, en raakt dan ook kant noch wal.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel diverse onjuistheden bevat. Zo is er onder meer geen sprake van een landelijke vacaturestop noch van een blokkade voor het invullen van vrijkomende vacatures. Elk onderdeel van het OM geeft op eigen wijze invulling aan bezuinigingen. Een aantal hoofdofficieren van justitie heeft lokaal een vacaturestop afgekondigd en huurt geen tijdelijke krachten meer in. Klager heeft een tijdelijke wervingsstop van enkelvoudige officieren en buitenstaanders afgekondigd, die een teruggang van 2-3% teweeg kan brengen, en dus geen 10% zoals in het artikel is vermeld. Op vragen van Princen heeft de Voorlichtingsdienst een en ander uitgelegd, maar die reactie is door Princen volledig genegeerd. Van het vervallen van de inflatiecorrectie is evenmin sprake, hetgeen door Princen niet is gecontroleerd, aldus klager.
Volgens hem is verder onjuist dat minister Donner gezegd heeft dat klager ‘vergeten is’ geld te vragen. Uit de stukken over de Tweede Kamerbehandeling van de Justitiebegroting noch uit de stukken over de Tweede Kamerbehandeling van het veiligheidsprogramma “Naar een veiliger samenleving” blijkt dat Donner iets van die strekking heeft gezegd. Verweerders hebben kennelijk niet de moeite genomen om een en ander na te vragen dan wel de handelingen erop na te slaan. Klager voegt daaraan toe dat als wordt geschreven dat een minister antwoord geeft op vragen van een Kamerlid, elke willekeurige lezer denkt dat dit gaat om openbare beantwoording door de minister van in het openbaar gestelde Kamervragen. Wat zich in de wandelgangen afspeelt, is oncontroleerbaar. De mededelingen uit de tweede en derde hand hadden gecheckt moeten en kunnen worden. Dan zou zijn gebleken dat het OM, behalve in het reguliere overleg, ook schriftelijk zijn noden en wensen aan de minister kenbaar heeft gemaakt.
Voorts stelt klager dat zowel De Wijkerslooth als Bouman heeft ontkend dat een ‘maning’ heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft er geen geheim gesprek plaatsgevonden tussen Bouman, Balkenende, Bos en Remkes, na bemiddeling van Deetman. Naar aanleiding van de publicatie hebben De Wijkerslooth, Bouman en Deetman een gezamenlijk persbericht uitgegeven om dit te ontkennen. Princen heeft het verhaal over het cafébezoek voorgelegd aan het Haagse parket van het OM. De persofficier heeft ontkend dat het gesprek heeft plaatsgevonden, maar die ontkenning is niet opgenomen in het artikel. Het verzoek dit te rectificeren is niet gehonoreerd. Weliswaar is een ingezonden brief van Deetman gepubliceerd, maar dat is niet hetzelfde als een rectificatie. Over de suggestie dat Bouman De Wijkerslooth zou hebben gemaand tot een spoedgesprek heeft Princen het parket noch klager om een reactie gevraagd.
Klager concludeert dat verweerders door het aaneenschrijven van een groot aantal feitelijke onjuistheden en het niet publiceren c.q. het niet toepassen van wederhoor onzorgvuldig jegens klager hebben gehandeld. In het artikel wordt ten onrechte de indruk gewekt dat klager geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid en middelen om meer geld te krijgen, dan wel bezuinigingen te voorkomen, waardoor het OM in crisis verkeert en er een vertrouwenscrisis is in de top van het OM. Klager acht deze beschuldigingen zeer ernstig en meent dat hij niet de kans heeft gekregen zich daartegen te verweren. Klager is niet opgetreden tegen andere publicaties over deze kwestie, omdat die in strekking, opbouw, gedane uitlatingen, feitelijke onjuistheden en gang van zaken omtrent wederhoor afwijken van de publicatie in FEM Business.

Samengevat stellen verweerders dat door Princen zorgvuldig deugdelijk onderzoek is verricht. Het artikel is gebaseerd op een aantal anonieme bronnen en op een aantal in het artikel genoemde bronnen, zoals de Utrechtse persofficier Rutgers en het toenmalige lid van de Tweede Kamer Teeven. De uitspraken van de bronnen blijven voor rekening van die bronnen. Het zijn meningen die circuleren. Verder is een belangrijke bron de toespraak van hoofdofficier van Amsterdam De Wit van 26 maart 2003, waarvan verweerders de tekst hebben overgelegd. Daarnaast zijn diverse schriftelijke bronnen geraadpleegd, waaronder enkele nota’s, antwoorden op Kamervragen, persberichten, toespraken van de Minister en stukken die op de website van het OM zijn gepubliceerd. Uit al deze bronnen blijkt dat er bezuinigd wordt en dat daarover binnen het OM grote zorgen bestaan, aldus verweerders.
Zij stellen voorts dat in voldoende mate wederhoor is toegepast bij het Ministerie van Justitie, persofficieren c.q. woordvoerders van diverse parketten en bij het Parket-Generaal, het ondersteunend apparaat van klager. De woordvoerder van klager heeft telefonisch op vragen van Princen geantwoord. Relevante delen daarvan zijn in het artikel verwerkt. Voor de reactie is een zodanige plaats ingeruimd dat er behoorlijke toepassing is gegeven aan het recht op wederhoor: twee alinea’s op een totale omvang van 21 alinea’s. Overigens zijn verweerders van mening dat het hier niet gaat om ernstige beschuldigingen aan het adres van klager. Zij achten wederhoor naar zijn aard vooral noodzakelijk als het gaat om weerlegbare feitelijke beschuldigingen. In dit geval gaat het om meningen en is voorspelbaar wat de reactie van de afdeling voorlichting zou zijn geweest. Het toepassen van wederhoor naar aanleiding van dergelijke meningen levert geen voor het artikel relevante input.
Verweerders menen dat van onjuiste berichtgeving geen sprake is. Volgens hen gaat het om een verschil in visie, om interpretatieverschillen, om uitleg. Het gaat niet om feiten waarvan eenvoudig is vast te stellen dat ze correct of incorrect zijn, aldus verweerders. Zij menen onder meer dat de discussie over de vacaturestop is verzand in semantiek: volgens klager betreft het geen landelijke maar lokale vacaturestop, maar het betreft wel de parketten in de grootste steden van Nederland.
Over de aan Donner toegeschreven woorden dat klager ‘vergeten is’ geld erbij te vragen, stellen verweerders dat de minister tijdens de behandeling van het veiligheidsprogramma in de Tweede Kamer letterlijk heeft gezegd: “In beginsel wordt er niet specifiek bezuinigd op het Openbaar Ministerie, maar de algemene efficiencykorting geldt ook daar. Het zal de Kamer zijn opgevallen – dit is overigens geen rechtvaardiging – dat het Openbaar Ministerie niet is gekomen met luidruchtige brieven dat het allemaal niet kan.” Verweerders zijn erop geattendeerd dat er in de Kamer met verbazing is gereageerd op het voornemen te bezuinigen bij justitie. Toenmalig Kamerlid Teeven heeft desgevraagd aan Princen meegedeeld dat Donner hem in de wandelgangen te verstaan gaf dat klager geen financiële claim had neergelegd. Wat in de wandelgangen tussen Teeven en Donner is besproken wordt niet in de Handelingen vastgelegd. Ter zitting voegt mr. Volgenant hieraan toe dat het, om de onderhavige procedure te voorkomen, wellicht beter zou zijn geweest als in het artikel was vermeld dat het een gesprek ‘in de wandelgangen’ betrof.
De passage over het geheime gesprek is gebaseerd op een zeer betrouwbare bron dichtbij het gesprek, die op allerlei punten (toetsbaar) zeer actueel en correct geïnformeerd bleek te zijn. Voorafgaand aan de publicatie is dit punt voorgelegd aan het parket in Den Haag, dat heeft ontkend dat een geheim gesprek heeft plaatsgevonden. De loutere ontkenning dat zo een gesprek had plaatsgehad lag in de rede, aldus verweerders. Klager was overigens helemaal geen partij bij het vermeende gesprek en bovendien was de informatie fnuikend voor de positie van klager. Verweerders wijzen er verder op dat zij de ingezonden brief van Deetman hebben gepubliceerd en dat de onderhavige klacht daarna is ingediend. Voorzover de bewering klopt dat het gesprek nooit heeft plaatsgehad, is het artikel op dit onderdeel genuanceerd door de duidelijke stellingname in de gepubliceerde brief van Deetman.
Ten slotte stellen verweerders dat klager toegang heeft tot de publiciteit en dat middel ook daadwerkelijk heeft ingezet door middel van het uitgeven van een persbericht. Bovendien is klager de mogelijkheid geboden om door middel van een ingezonden brief te reageren. De ingezonden brief van Deetman is vrijwel letterlijk opgenomen, direct na ontvangst daarvan. Met het persbericht en de publicatie van de ingezonden brief is het belang aan de geëiste rectificatie in ieder geval met betrekking tot het ‘geheim overleg in een Haags café’ komen te ontvallen, en kan niet gezegd worden dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door dat punt niet meer te rectificeren.
Verweerders wijzen er nog op dat ook in De Telegraaf, NRC Handelsblad en Elsevier aandacht is besteed aan bezuinigingen bij klager, en dat klager tegen die publicaties niet is opgetreden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat bij berichtgeving die ernstige beschuldigingen bevat, een journalist met bijzondere zorgvuldigheid te werk moet gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt zulks niet anders (vgl. onder meer: HPT Development tegen ‘Opgelicht’, RvdJ 2003/48). De vraag doet zich voor of deze norm hier geschonden is.

Het artikel bevat een groot aantal stellingen, waarvan de juistheid op details kan worden betwist. Deze stellingen alsmede de daaraan door Princen en zijn zegslieden verbonden kwalificaties, interpretaties en conclusies, acht de Raad echter niet van een zodanig ernst dat publicatie ervan niet had mogen plaatsvinden zonder de (volledige) weergave van commentaar van klager. Overigens meent de Raad dat verweerders de stellingen en conclusies met voldoende stukken en mededelingen van zegslieden hebben onderbouwd. In dit verband merkt de Raad ten overvloede op – nu daarover niet wordt geklaagd – dat verweerders naar zijn mening zorgvuldig gebruik hebben gemaakt van hun anonieme bronnen. Desgevraagd heeft Ackermans ter zitting verklaard dat de hoofdredactie voor het grootste deel op de hoogte was van de namen van deze bronnen, hetgeen een voorwaarde is voor een zorgvuldige journalistieke handelwijze.

Op de volgende punten acht de Raad echter wel grenzen overschreden:
a. de vermelding dat klager ‘vergeten is’ geld erbij te vragen;
b. de vermelding dat een geheim gesprek heeft plaatsgevonden en hoofdofficier Bouman aldus De Wijkerslooth rechts passeerde.
Deze onderdelen van het artikel zijn beide in belangrijke mate ondersteunend voor de belangrijkste conclusie dat er sprake is van een vertrouwenscrisis binnen de top van het OM. De Raad is van oordeel dat dit ernstige beschuldigingen betreffen, waardoor klagers integriteit ernstig in twijfel wordt getrokken, terwijl deze beschuldigingen onvoldoende zijn onderbouwd en klager op deze punten geen gelegenheid tot wederhoor is geboden.

Wat punt a. betreft overweegt de Raad dat hier minister Donner als bron wordt opgevoerd en de indruk wordt gewekt dat hij deze uitspraak in de openbaarheid heeft gedaan. Uit hetgeen verweerders naar voren hebben gebracht blijkt echter, dat Teeven aan Princen heeft verteld dat hij dit Donner in de wandelgangen heeft horen zeggen. Hier is derhalve geen sprake van een door iedereen vast te stellen feit, maar van een mededeling van een bron, die niet is gecheckt bij andere bronnen. Aan de woordvoerder van klager is gevraagd waarom geen lobby is gestart, waarop hij heeft geantwoord dat is gekozen voor regulier overleg. Dit betreft echter een geheel ander onderwerp, namelijk de keuze van klager ten aanzien van de te volgen tactiek voor het vragen en verkrijgen van financiële middelen. ‘Vergeten geld te vragen’ roept het beeld op van een slapend college, dat om die reden functioneel ernstig tekort schiet. Dat beeld wordt neergezet op basis van slechts één bron (Teeven) en is derhalve onvoldoende onderbouwd. Bovendien had klager in de gelegenheid moeten worden gesteld om dit zogenaamde feit te erkennen dan wel tegen te spreken.

Ten aanzien van punt b. overweegt de Raad dat verweerders hebben erkend dat het Haagse parket het geheime gesprek al vóór publicatie heeft ontkend. Toch vormde die ontkenning voor Princen kennelijk geen aanleiding tot het elders checken van dit ‘feit’. Dat had hij gemakkelijk kunnen doen, omdat er immers nog vier andere personen bij dit geheime gesprek betrokken zouden zijn geweest. Princen heeft niet overtuigend toegelicht waarom een nadere check overbodig dan wel zinloos was, terwijl verdere verificatie van dit gegeven zou hebben opgeleverd dat het vermeende geheime gesprek door meer ontkenningen zou zijn getroffen. Het voorhanden zijn van een anonieme bron heft de verplichting tot checken niet op. Deze onzorgvuldigheid klemt te meer nu verweerders in het artikel zelfs niet hebben vermeld dat het Haagse parket het geheime gesprek heeft ontkend.

Alhoewel het de Raad bevreemdt dat klager geen gebruik heeft gemaakt van de aan een ieder openstaande mogelijkheid een ingezonden brief te sturen, doet dat aan het voorgaande niet af. De onzorgvuldigheid jegens klager wordt naar het oordeel van de Raad evenmin opgeheven door de latere publicatie van de ingezonden brief van Deetman (vgl. onder meer: De Vries tegen De Jong en HP/De Tijd, RvdJ 2003/43; Bungalowpark Het Grootslag tegen Blank e.a., RvdJ 2002/34).

De Raad overweegt ten slotte dat tijdens de zitting is gebleken dat het onderhavige artikel door de (plaatsvervangend) hoofdredacteur is gelezen en goedgekeurd. De onzorgvuldigheid die Princen wordt verweten, treft derhalve ook de hoofdredacteur van FEM Business.

BESLISSING

De klacht is gegrond voorzover betrekking hebbend op de vermelding dat klager ‘vergeten is’ geld erbij te vragen alsmede op de vermelding dat een geheim gesprek zou hebben plaatsgevonden en hoofdofficier Bouman aldus De Wijkerslooth rechts passeerde. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in FEM Business te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 december 2003 door prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, waarnemend voorzitter, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-66