2003/63 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

PSV N.V.

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 30 juni 2003 met drie bijlagen heeft H.J.M. van Raaij namens PSV N.V. te Eindhoven (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (verweerder). Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 oktober 2003 in aanwezigheid van voornoemde Van Raaij, voorzitter van klaagster, en P. Salazar, persvoorlichter. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 13 juni 2003 is op de voorpagina van De Telegraaf een artikel van de hand van Joan van den Dungen en Joost de Haas verschenen onder de kop “Marcel Wouda en Ronaldo klagen over clubarts – Nieuw seksschandaal bij PSV”. De intro van het artikel luidt:
PSV heeft jarenlang beschuldigingen over seksueel misbruik door een clubarts voor de buitenwereld verborgen gehouden.
Het slot luidt:
De medicus ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan seksuele intimidaties. PSV-woordvoerder Pedro Salazar weigerde gisteren ieder commentaar op de affaire.

Het artikel wordt op pagina 6 vervolgd onder de kop “Seksschandaal PSV”. In het vervolgartikel wordt vermeld dat de medicus “geldt als een goede bekende van de inmiddels ontslagen PSV-directeur Fons Spooren, die vastzit op verdenking van onder meer ontucht en poging tot doodslag, omdat hij als drager van het hiv-virus willens en wetens onbeschermd seks zou hebben gehad met minderjarige jongens.
Verder bevat het vervolgartikel onder meer het volgende aan de betrokken medicus toegeschreven citaat:
,,Het verhaal van Wouda klopt echter van geen kant. (...) Ik heb destijds mijn medische onderzoeken van top tot teen verricht op basis van alle handboeken van het Olympisch Comité. Wouda heeft dat als jonge knul kennelijk anders gevoeld. (...) Slechts één keer eerder heeft een andere sporter, een buitenlandse speler van PSV, zich intern beklaagd over een onderzoek van mij. Hij vroeg zich af of het allemaal normaal was wat ik had gedaan en de club heeft hem toen duidelijk gemaakt dat er niets aan de hand was.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het artikel onjuistheden bevat. De in het artikel genoemde arts is nooit clubarts van PSV geweest. Hij was internist in een ziekenhuis, waar ook de clubartsen van PSV werkzaam waren. Weliswaar hebben de clubartsen van PSV de internist regelmatig geraadpleegd ten behoeve van PSV-spelers, maar er bestond geen officiële relatie tussen de internist en PSV.
Bovendien is geen sprake van een seksschandaal, hetgeen ook blijkt uit het artikel. Daarin wordt immers vermeld dat het een medisch onderzoek betreft, dat volgens de professionele opvatting van de betrokken arts op correcte wijze is verricht.
Ook de suggestie dat van een nieuw schandaal sprake zou zijn, is onjuist. Het gaat om een kwestie die medio 2000 heeft plaatsgevonden en waarover destijds uitvoerig in de media – waaronder De Telegraaf – is bericht, aldus klaagster.
Volgens haar wordt verder ten onrechte gesuggereerd dat Ronaldo, die al sinds 1997 niet meer aan PSV verbonden is, zich op bepaalde wijze zou hebben uitgelaten over activiteiten van de desbetreffende internist. Ronaldo heeft zich echter nooit bij een PSV-functionaris over de behandeling door deze arts beklaagd. Verweerder had dit bij Ronaldo kunnen en moeten nagaan, maar heeft dat nagelaten. Van een adequaat onderzoek door verweerder is derhalve geen sprake. Overigens is het verband dat in het artikel wordt gelegd met de zaak-Spooren, nergens op gebaseerd.
Klaagster concludeert dat de suggestie dat sprake zou zijn van een nieuw schandaal bij PSV, dat bovendien door PSV verborgen zou zijn gehouden, feitelijk onjuist en onnodig grievend is. Zij betoogt dat sprake is van onzorgvuldige berichtgeving.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Namens klaagster, een betaald-voetbalorganisatie, is ter zitting verklaard dat het haar vooral, zo niet alleen, gaat om de mededelingen dat zij bij een ‘nieuw seksschandaal’ betrokken is en dat zij jarenlang beschuldigingen over seksueel misbruik door een clubarts verborgen heeft gehouden. Dat de internist om wie het in het artikel gaat in feite geen clubarts was, is voor haar slechts een op zichzelf niet van belang zijnde bijzaak.
De Raad zal zich tot de hoofdzaak beperken.

Volgens de kop van het artikel zou er bij PSV sprake zijn van een nieuw seksschandaal; nieuw ten opzichte van de meteen al in de tweede zin genoemde zaak waarin haar voormalige directeur is verwikkeld. Naar vervolgens uit het artikel blijkt, betreft het niet een nieuwe zaak, maar een kwestie die zich – voorzover klaagster betreft – een aantal jaren geleden zou hebben afgespeeld en die ertoe zou hebben geleid dat klaagster in 2000 de banden met internist om wie het zou gaan, heeft verbroken. De mededeling in de kop dat bij PSV sprake zou zijn van een nieuw seksschandaal is dus onjuist, misleidend en tendentieus. Klaagster heeft er in dit verband nog op gewezen dat destijds ook in De Telegraaf al uitvoerig over een en ander is geschreven – de Raad heeft geen reden dit te betwijfelen – en dat dus ook tegen die achtergrond bezien het gebruik van het woord ‘nieuw’ getuigt van onzorgvuldige journalistiek. Ook in zoverre deelt de Raad het standpunt van klaagster.

In het artikel wordt uitvoerig ingegaan op het verwijt van een zwemmer dat hij in de aanloop naar de Olympische Spelen van 1992 bij twee medische onderzoeken onzedelijk zou zijn betast. Volgens de internist wordt daarbij op door hem verrichte onderzoeken gedoeld, maar “klopt het verhaal van geen kant”. In het citaat waarin deze woorden voorkomen, vermeldt hij dat slechts één keer een andere sporter, een buitenlandse speler van klaagster, zich intern heeft beklaagd over een door hem verricht onderzoek, maar dat toen duidelijk is gemaakt dat er niets aan de hand was. Dat het hier handelingen zou hebben betroffen die als seksueel misbruik zouden kunnen worden aangemerkt, blijkt verder nergens uit. Voorzover dus al sprake zou zijn van een nieuwe zaak – wat, zoals al vastgesteld, niet zo is – ontbreekt iedere feitelijke onderbouwing voor de mededeling dat het om een seksschandaal bij klaagster zou gaan. “Volgens ingewijden”, aldus het artikel, zou met de buitenlandse speler Ronaldo zijn bedoeld (en dat zou dan het enige aanknopingspunt zijn voor de in het artikel gestelde betrokkenheid van klaagster bij een seksschandaal), maar uit niets blijkt dat zelfs maar een poging is ondernomen dit verhaal bij deze, al in 1997 bij klaagster vertrokken en nu in Spanje voetballende speler, te verifiëren

De bewering dat PSV betrokken zou zijn bij een nieuw een ‘nieuw seksschandaal’ en jarenlang beschuldigingen over seksueel misbruik door een clubarts voor de buitenwereld verborgen zou hebben gehouden, levert een ernstige beschuldiging op over een beladen onderwerp. Zorgvuldige journalistiek brengt mee dat een dergelijke beschuldiging niet wordt gepubliceerd zonder dat deze is voorzien van een onderbouwing die in het desbetreffende geval als deugdelijk kan worden aangemerkt. Zoals hiervoor is uiteengezet, ontbreekt zo een onderbouwing hier totaal.

De persvoorlichter van klaagster heeft, zoals in het artikel is vermeld, niet willen reageren toen hem om commentaar werd gevraagd. Naar hij ter zitting van de Raad verklaarde: vanwege de wijze waarop De Telegraaf over de zaak van klaagsters ex-directeur had bericht. Deze, achteraf bezien wellicht minder gelukkige, weigering levert vanzelfsprekend geen vrijbrief op om ongefundeerde beschuldigingen als waarvan hier sprake is te publiceren.

De slotsom is dat verweerder door zijn hiervoor besproken handelen en nalaten de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 november 2003 mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-63