2003/6 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

F. Stegen en de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad

Bij brief van 23 september 2002 met twee bijlagen heeft X een klacht ingediend tegen F. Stegen en de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad (verweerders). Hierop heeft A. Kalmann, adjunct hoofdredacteur, geantwoord bij brief van 23 oktober 2002. Klager heeft daarop gerepliceerd in een schrijven van 10 november 2002 met een bijlage. Ten slotte heeft Kalmann op de repliek van klager gereageerd bij brief van 22 november 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 december 2002. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn adviseur Y, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders is voornoemde Kalmann verschenen.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van de voorzitter van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door een der leden als waarnemend voorzitter en de resterende leden.

DE FEITEN

Op 20 september 2002 is in het Utrechts Nieuwsblad een artikel van de hand van Stegen gepubliceerd onder de kop “Ambtenaar Maarssen beticht van corruptie.” In het artikel wordt verwezen naar een brief aan de burgemeester van Maarssen. De brief is ondertekend met “buurtbewoners van (…)” en als zodanig als anoniem aan te merken. Volgens het artikel wordt in de brief een verband gelegd tussen een opknapbeurt aan de woning van de ambtenaar en de verbouwing van een, in het artikel nader aangeduid, sportcomplex. Het artikel bevat onder meer de volgende reactie van de zijde van de gemeente Maarssen:
Een eerste kort onderzoek van de gemeente toont aan dat het om loze beschuldigingen gaat, zegt M. Brinkman, hoofd communicatie. Hij noemt het pijnlijk dat op deze manier een ambtenaar in een kwaad daglicht wordt gezet.
Klager is de bedoelde ambtenaar.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de bewuste brief op 19 september 2002 aan de burgemeester is verstuurd en in afschrift is gezonden aan de fracties van de politieke partijen in Maarssen en aan de pers. De brief was duidelijk gericht op het aanbrengen van persoonlijke schade, aldus klager. Hij heeft aangifte gedaan bij de politie wegens smaad en laster.
Nadat de gemeente had vernomen dat Stegen een artikel aan de brief zou wijden, heeft zij bij monde van de heer Brinkman op 20 september 2002 telefonisch contact opgenomen met Stegen. In dat gesprek heeft Brinkman aangegeven dat inmiddels een onderzoek had plaatsgevonden waaruit bleek dat de in de brief geuite beschuldigingen ongegrond waren. Dit telefoongesprek had voor verweerders aanleiding moeten zijn terughoudend te opereren. Ná gedegen journalistiek onderzoek zou altijd nog tot publicatie kunnen worden overgegaan. Niettemin hebben verweerders het artikel nog diezelfde dag gepubliceerd, zonder hetzij de bron te checken dan wel de inhoud van de brief te verifiëren De vermelde feiten worden op geen enkele manier gestaafd. Bovendien hebben verweerders nagelaten klager in de gelegenheid te stellen te reageren.
Volgens klager hadden verweerders niet tot publicatie mogen overgaan. Hij merkt voor de volledigheid op dat andere kranten, waaronder de lokale krant, geen aandacht aan de kwestie hebben geschonken.
Klager concludeert dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld en daardoor onnodig hebben bijgedragen aan een beschadiging van zijn persoonlijke integriteit.

Verweerders stellen dat de anoniem geuite beschuldigingen aan het adres van klager voor hen aanleiding waren een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken. Het was de bedoeling om pas te publiceren als vast zou staan dat de beschuldigingen juist zouden zijn. Bij het Utrechts Nieuwsblad is gebruikelijk dat naar aanleiding van anonieme tips nader onderzoek wordt verricht, zonder dat de anonieme tip als zodanig direct tot publicatie aanleiding geeft.
In dit geval is toch aandacht aan de kwestie besteed, omdat de gemeente Maarssen zelf telefonisch contact op nam met de mededeling dat onderzoek had uitgewezen dat de beschuldigingen onjuist waren. Zowel het instellen van een onderzoek als het in kennis stellen van de krant van de resultaten van dat onderzoek betrof dus een initiatief van de gemeente. Het telefoongesprek tussen Stegen en Brinkman vond plaats kort voor het verstrijken van de deadline van de editie waartoe Maarssen behoort. Verweerders gingen ervan uit dat ook andere media de anonieme brief hadden ontvangen en door de gemeente geïnformeerd zouden worden over de uitkomst van het gemeentelijk onderzoek. Daarom hebben zij besloten diezelfde dag een klein artikel aan de affaire te wijden. In het artikel wordt enerzijds gewag gemaakt van de anonieme beschuldiging en anderzijds van de bewering van de gemeente dat van corruptie geen sprake was. De naam van klager is in het stuk niet genoemd.
Verder stellen verweerders dat een anonieme brief met beschuldigingen van corruptie aan het adres van een ambtenaar op zichzelf, zolang de beschuldigingen niet onderzocht zijn, geen nieuwsfeit is. Een gemeentelijk onderzoek naar dergelijke beschuldigingen is - tezamen met het resultaat van dat onderzoek - wel een nieuwsfeit, aldus verweerders. Zij menen zorgvuldig te hebben gehandeld.
Ter zitting laat Kalmann nog weten dat hij zich het gevoel van klager goed kan voorstellen. Het artikel verdient naar zijn mening niet de schoonheidsprijs; de kop is niet passend, het artikel had moeten beginnen met de ontkenning van de beschuldigingen door de gemeente, en de eindredactie had beter gekund. De publicatie bevat echter geen onjuistheden, zodat er geen aanleiding is voor rectificatie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het staat ter vrijheid van de redactie haar nieuws te selecteren. Van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het de redactie in dit geval niet vrijstond over de kwestie te publiceren, is niet gebleken. Het verwijt dat verweerders publicatie achterwege hadden moeten laten, is derhalve ongegrond (vgl. Lindeman/Blees e.a., RvdJ 1999/48).

De Raad is van oordeel dat wél grenzen zijn overschreden waar het de wijze van publicatie betreft. In de eerste plaats is de anonieme brief niet een zodanige bron dat verweerders zonder meer daarop mochten afgaan. De geuite beschuldigingen worden op geen enkele wijze onderbouwd. Integendeel, de gemeente heeft de juistheid van de beschuldigingen zelfs weersproken. Aan dit standpunt is naar het oordeel van de Raad verhoudingsgewijs onvoldoende aandacht besteed, terwijl juist dit aspect ook naar verweerders oordeel de publicatie rechtvaardigde. Het accent van de berichtgeving ligt echter zodanig op de beschuldigingen en verdere informatie over de brief – getuige onder meer kop, intro en slot van het artikel – dat sprake is van onevenwichtigheid in de vermelde feiten en geen recht wordt gedaan aan klager (vgl. onder meer Jacobs/Eilanden-Nieuws, RvdJ 2002/32).

Voorst gaat het om een artikel, waarin wordt gesteld dat een ambtenaar van de gemeente Maarssen wordt beschuldigd van corruptie. Dit is een ernstige beschuldiging aan het adres van klager. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het artikel vanwege de daarin vermelde details tot klagers persoon herleidbaar is, ondanks het feit dat zijn naam niet is genoemd.
Volgens het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen afkomstig zijn van derden, maakt zulks niet anders. Verweerders hadden de beschuldigingen derhalve niet mogen publiceren zonder klager in de gelegenheid te stellen daarop commentaar te geven. Aangezien de beschuldigingen mede betrekking hebben op klager persoonlijk, kan niet worden geconcludeerd dat verweerders aan de hiervoor bedoelde verplichting hebben voldaan door de reactie van de gemeente weer te geven (vgl. onder meer Gemeente Utrecht en Van den Bergh/Mentens en ‘1opdeMiddag’, RvdJ 2002/66).

BESLISSING

Voor zover de klacht ertoe strekt dat verweerders publicatie achterwege hadden moeten laten, is deze ongegrond. De klacht is gegrond voor zover deze zich richt tegen de wijze van publicatie.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Utrechts Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 februari 2003 door mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, waarnemend voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. C.J.E.M. Joosten en mw. drs. J.W.M. Kok, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-06