2003/59 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

VGZ Zorgverzekeraar

tegen

W. Frequin

Bij brief van 12 juni 2003 met twee bijlagen heeft J. Mol namens Zorgverzekeraar VGZ te Nijmegen (klager) een klacht ingediend tegen W. Frequin (verweerder). Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 8 augustus 2003.

De zaak is ter zitting van de Raad van 26 september 2003 behandeld in aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Verweerder is, naar hij stelt, benaderd door iemand uit ’s-Hertogenbosch – verzekerd bij klager – met het verzoek om haar bij te staan in een conflict met klager. Op advies van haar medisch adviseur, H. van der Werf, heeft klager betrokkene laten weten dat de door haar verlangde chirurgische ingreep niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Tegen deze beslissing heeft betrokkene bezwaar gemaakt.

Op dinsdag 22 april 2003 heeft verweerder met een cameraploeg het kantoor van klager te Eindhoven bezocht. Tijdens dit bezoek heeft verweerder zich zonder toestemming toegang verschaft tot het kantoor van klager. Hiervan heeft hij opnamen laten maken. Deze zijn vervolgens uitgezonden in het televisieprogramma ‘de Week van Willibrord’.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat verweerder zich op ontoelaatbare wijze toegang heeft verschaft tot het VGZ-kantoor te Eindhoven, namelijk door middel van lokaalvredebreuk. De uitgezonden opnamen zouden volgens klager nooit tot stand zijn gekomen, als verweerder zich aan de met hem gemaakte afspraak om in de vergaderzaal te wachten gehouden had. Daarnaast doet klager een beroep op het portretrecht en maakt klager bezwaar tegen de botte wijze waarop verweerder de medisch adviseur tegemoet is getreden.

Verweerder stelt dat betrokkene er groot belang bij had om zo spoedig geopereerd te worden. Volgens verweerder is de beslissing betrokkene bij te staan om dat te bewerkstelligen genomen na een zorgvuldige bestudering van de feiten. Verweerder betoogt dat het kennelijk een juiste beslissing is geweest om betrokkene te helpen, nu klager alsnog besloten heeft de kosten van de operatie van betrokkene te vergoeden. Verweerder erkent dat het niet netjes was om in het kantoor van klager rond te zwerven, maar acht dat te billijken, nu het er om ging een vrouw bij te staan wier leven mogelijk gevaar liep. Verder ontkent verweerder de medisch adviseur van klager te hebben geschoffeerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is in hoofdzaak gericht tegen wijze waarop verweerder zich zonder toestemming toegang heeft verschaft tot de kantoorruimte van klager, teneinde televisieopnamen te maken om deze vervolgens evenzeer zonder toestemming uit te zenden. Verweerder heeft zich, gelet op zijn werkwijze, bediend van een zogenoemde overvaltechniek.

Volgens het vaste oordeel van de Raad hierover kan deze werkwijze, vanwege het intimiderende karakter ervan, slechts dan geoorloofd zijn als die onontbeerlijk is om in het algemeen belang ernstige misstanden aan het licht te brengen en daarvoor geen ander middel open staat. De zaak die verweerder aan de orde wilde stellen, betreft geen ernstige misstand als hiervoor bedoeld. Overigens was sprake van een nog lopende procedure. Bovendien staat vast dat andere middelen door verweerder niet werden beproefd.
Het belang dat verweerder heeft gesteld, rechtvaardigde dan ook niet dat hij zonder toestemming met draaiende camera het kantoor van klager heeft betreden, om daar zonder toestemmming opnamen te maken en uit te zenden (vgl. onder meer: Van den Tillaart tegen ‘Breekijzer’, RvdJ 2001/47).

De conclusie is dat verweerder de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de journalistiek verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is door de wijze waarop hij beeldmateriaal heeft vergaard en uitgezonden.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing op enigerlei wijze aandacht te besteden.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 november 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, T.G.G. Bouwman, H. van Gessel, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2003-59