2003/57 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.T. Peters

tegen

de hoofdredacteur van Aktueel

Bij brief van 31 mei 2003 met een bijlage heeft J.T. Peters te Bolsward (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Aktueel (verweerder). Hierop hebben A. Börger en H. Strootman, respectievelijk hoofdredacteur en verslaggever van Aktueel, geantwoord bij brief van 5 juni 2003. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 14 juni 2003. Tenslotte heeft klager op 4 augustus 2003 nog een bijlage overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 2003. Klager is daar verschenen vergezeld van T. Nota en T. Nota-Hulzink. Verweerder is niet verschenen..

DE FEITEN

In de week van 14 tot 21 mei 2003 is in Aktueel nummer 21 een artikel gepubliceerd onder de kop “Justitie besnuffelde lijk van ‘verkeerde moordenaar’...”. Op de cover is het artikel aangekondigd met de tekst “Ligt moordenaar Marianne Vaatstra op het kerkhof?”.
Het artikel gaat over het opgraven van het stoffelijk overschot van klagers broer in het kader van het justitieel onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra. Aan de orde wordt gesteld dat de broer van klager mogelijk bij de moord op Marianne Vaatstra betrokken is geweest en dat hij zelfmoord zou hebben gepleegd. In het artikel worden enkele niet met name genoemde voormalige buurtgenoten van klagers broer aan het woord gelaten, die hem onder meer aanduiden als ‘zielige goeierd’ en ‘paranoïde griezel’. Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
Toch moet de man volgens persofficier van justitie Tom Wolters niet echt als verdachte worden gezien. ‘Zo’n DNA-onderzoek kan er ook op zijn gericht om iemands betrokkenheid juist uit te sluiten.’ Alles lijkt er nu op dat dit laatste als resultaat van de exhumatie kan worden genoteerd. Peters treft posthuum geen blaam in de affaire Vaatstra. In Bolsward was men het er nog niet erg over eens.
en
Het laatste woord was aan het Nederlands Forensisch Instituut, dat alle speculaties de kop indrukte. Al met al niet leuk voor (de) nabestaanden, maar de man is nu tenminste van alle blaam gezuiverd herbegraven.
Bij het artikel zijn een foto van het graf van klagers broer, een foto van zijn voormalige woning en zijn overlijdensbericht geplaatst met daarbij een foto van Marianne Vaatstra. Het overlijdensbericht vermeldt de namen en woonplaatsen van de desbetreffende nabestaanden, waaronder die van klager.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is zeer gekwetst door de afdruk van de foto van het graf en de overlijdensadvertentie. Verder maakt hij onder meer bezwaar tegen de kop van het artikel. Door de term ‘verkeerde moordenaar’ wordt ten onrechte gesuggereerd dat zijn broer een andere moord gepleegd heeft, aldus klager. Bovendien wordt in het artikel ten onrechte aan de orde gesteld dat zijn broer wellicht zelfmoord heeft gepleegd. Klager wijst in dit verband op een door hem overgelegde schriftelijke verklaring van het Openbaar Ministerie. Daaruit blijkt dat de gemeentelijke lijkschouwer destijds heeft verklaard dat klagers broer ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is overleden. Volgens klager is verweerder kennelijk afgegaan op het relaas van enkele onbetrouwbare bronnen en heeft hij niet de moeite genomen hun uitspraken op waarheid te toetsen.
Klager betoogt dat verweerder totaal geen respect heeft getoond voor de overledene en zijn nabestaanden, en dat door de publicatie zijn privacy op grove wijze is aangetast.

Verweerder stelt dat de betrokken verslaggever voorafgaand aan de publicatie een bezoek heeft gebracht aan de woning van klager. De verslaggever is te woord gestaan door de echtgenote van klager. Zij gaf te kennen dat zij en haar man op geen enkele wijze wilden meewerken aan het artikel. Hoewel klager en zijn echtgenote kennelijk geen behoefte hadden aan wederhoor, zijn zij in ieder geval daartoe in de gelegenheid gesteld. De gewraakte passages zijn opgetekend uit de monden van enkele cafébezoekers en betreffen niet de mening van de verslaggever, aldus verweerder. Het spijt hem dat het artikel klager heeft gekwetst, dat is echter niet zijn bedoeling geweest.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In zeer delicate kwesties als de onderhavige dient een journalist met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen onder meer betekent dat hij er niet mee kan volstaan af te gaan op enkele cafébezoekers en navraag in de buurt (vgl. Van Rompay tegen Albers en Story, RvdJ 2003/09). Deze zorgplicht klemt in het bijzonder nu gewaakt dient te worden voor onevenredige benadeling of kwetsing van de nabestaanden, die in het artikel herkenbaar zijn (vgl. onder meer Kranenburg e.a. tegen Karaçay en Dünya, RvdJ 2003/13 en Van Gelder tegen De Telegraaf, RvdJ 2001/04).

In de publicatie wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de broer van klager een moordenaar is en dat hij zelfmoord heeft gepleegd. Vooral aan de onjuiste suggestie dat de broer van klager een moord zou hebben gepleegd, al dan niet op Marianne Vaatstra, is in woord en beeld zeer prominent aandacht besteed. Weliswaar is in het artikel ook een kanttekening van de persofficier opgenomen en is vermeld dat klagers broer “van alle blaam gezuiverd (is) herbegraven”, maar deze passages nemen - bezien in de context van het gehele artikel - een zodanige ondergeschikte plaats in dat de onjuiste suggestie daarmee onvoldoende is weggenomen. Voorts was door deugdelijk onderzoek eenvoudig na te gaan dat klager geen zelfmoord heeft gepleegd, maar dat sprake is geweest van een natuurlijke doodsoorzaak. Daarvan is ten onrechte geen melding gemaakt.

Alles in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Aktueel te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 28 oktober 2003 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. C.M. Buijs, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mr. A. Herstel, en mw. J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-57