2003/56 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.T. Peters

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 24 mei 2003 met een bijlage heeft J.T. Peters te Bolsward (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (verweerder). Hierop heeft A. Reekers, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord bij brief van 26 juni 2003. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 5 juli 2003. Tenslotte heeft klager op 4 augustus 2003 nog een bijlage overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 2003. Klager is daar verschenen vergezeld van T. Nota en T. Nota-Hulzink. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

Op 29 april 2003 is in De Telegraaf een artikel gepubliceerd onder de kop “Man opgegraven voor dna in zaak Vaatstra”.
Het artikel gaat over het opgraven van het stoffelijk overschot van klagers broer in het kader van het justitieel onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra. Daarbij wordt vermeld dat de broer van klager zelfmoord heeft gepleegd. Het artikel bevat verder onder meer de volgende passage:
Volgens persofficier Tom Wolters was dit de enige mogelijkheid om aan zijn dna te komen, omdat zijn ouders al zijn overleden. De man geldt op dit moment niet echt als verdachte, aldus Wolters. Het onderzoek is erop gericht om zijn mogelijke betrokkenheid uit te sluiten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel ten onrechte is vermeld dat zijn broer zelfmoord heeft gepleegd. Omdat klagers broer suïcidaal was, was het voor de familie een grote troost dat hij ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is overleden. Klager wijst in dit verband op een door hem overgelegde verklaring van het Openbaar Ministerie, waaruit blijkt dat de gemeentelijke lijkschouwer dat destijds ook heeft vastgesteld. Verweerder heeft de informatie over de dood van zijn broer kennelijk niet verkregen uit betrouwbare officiële bron, aldus klager. De publicatie is door hem en zijn familie als uitermate kwetsend ervaren.

Verweerder stelt dat de publicatie tot stand is gekomen na zorgvuldig journalistiek onderzoek. De mededeling dat klagers broer zichzelf om het leven heeft gebracht, is gepubliceerd na raadpleging van verschillende betrouwbaar geachte bronnen. Verweerder begrijpt dat de kwestie gevoelig is voor de betrokken familie. In de berichtgeving rond de moord op Marianne Vaatstra was de mededeling echter relevant, omdat in die zaak al eerder sprake was van onderzoek naar mensen die zelfmoord hebben gepleegd, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In zeer delicate kwesties als de onderhavige dient een journalist met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen onder meer betekent dat hij er niet mee kan volstaan af te gaan op niet nader omschreven ‘betrouwbaar geachte bronnen’. Door deugdelijk onderzoek had eenvoudig voorkomen kunnen worden dat onjuiste informatie over de doodsoorzaak van klagers broer werd opgenomen (vgl. Van Rompay tegen Albers en Story, RvdJ 2003/09).
De Raad is dan ook van oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 28 oktober 2003 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. C.M. Buijs, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mr. A. Herstel, en mw. J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene,

Uitspraak 2003-56