2003/54 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

M. Venderbosch, J. Goossens en de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad

Bij brief van 21 april 2003 met negen bijlagen heeft X te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen M. Venderbosch, J. Goossens en de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad (verweerders). De klacht is nader toegelicht door klaagster in een brief van 25 april 2003. Hierop heeft A. Kalmann, adjunct-hoofdredacteur, namens verweerders geantwoord in een brief van 6 mei 2003. Klaagster heeft daarop gereageerd in een schrijven van 25 mei 2003 met tweeëntwintig bijlagen. Vervolgens hebben verweerders op 19 juni 2003 hierop schriftelijk gereageerd. Ten slotte heeft klaagster op 4 juli 2003 nog een schriftelijke reactie gestuurd.

De zaak is ter zitting van de Raad van 29 augustus 2003 behandeld in aanwezigheid van klaagster, vergezeld door Z. Aan de zijde van verweerders zijn Venderbosch en Kalmann verschenen.

DE FEITEN

Op 11 en 26 januari 2000 zijn in het Utrechts Nieuwsblad twee artikelen verschenen over een kort geding tussen Y en de Stichting Steunpunt Anti-Discriminatie (STAD). Dit kort geding vindt zijn grond in een conflict tussen Y en klaagster, waarbij zij Y ervan beschuldigt zich jegens haar te hebben schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie. Klaagster en Y waren beiden verbonden aan STAD. In beide artikelen wordt klaagster genoemd. De koppen van de artikelen luiden:

 “Rechter beslist vete geslachtsverandering”, geschreven door M. Venderbosch;
 “STAD mag vete X/Y laten rusten”, geschreven door “een onzer verslaggevers”.

Beide artikelen zijn ook op internet gepubliceerd. Klaagster is na publicatie van het eerste artikel door M. Venderbosch gevraagd om haar medewerking te verlenen aan een interview. Nadat het klaagster duidelijk was geworden dat er al over haar was gepubliceerd, heeft zij geweigerd om mee te werken aan een interview. Op zaterdag 29 januari 2000 is in het Utrechts Nieuwsblad een door J. Goossens geschreven column “When (voornaam Y) met (voornaam X)” gepubliceerd. De column bevat onder meer de volgende passages:
Daarin werd melding gemaakt van een al jaren voortwoekerende ruzie tussen twee voormalige vrienden, (voornaam Y) en (voornaam X). Toen (voornaam Y) (voornaam X) ontmoette (When (voornaam Y) Met (voornaam X)!) heette (voornaam X) nog geen (voornaam X). Hoe ze wel heette vermeldt het bericht niet. Maar (voornaam X) heette in ieder geval anders omdat ze toen nog man was. Afijn voordat (voornaam X) zich liet ombouwen was alles nog koek en ei tussen hem/haar en (voornaam Y). Ze waren zelf vrienden. Pas na (voornaam X)’s geslachtstransformatie ging het mis. Want als we (voornaam X) mogen geloven werd (voornaam Y) handtastelijk. Hij maakte zich schuldig aan seksuele intimidatie. Toen ik dat voor het eerst las, kreeg ik meteen hitsige visioenen. Ik zag (voornaam X) als knoestige havenarbeider op de snijtafel van de genderdokter kruipen, en er als een blonde stoot met tieten als torpedo’s weer afglijden.
en
Met alle respect voor de transseksuele medemens, het blijft toch een beetje Bugs Bunny in een jurk. Maar goed, (voornaam Y) zou (voornaam X) dus seksueel geïntimideerd hebben. Die term alleen al roept vragen op. Want het begrip seksuele intimidatie wordt gedefinieerd door machtsverschillen, of die nu hiërarchisch bepaald zijn (baas/werkneemster) of seksueel (mannetje/vrouwtje). In dit geval kan je dat toch moeilijk volhouden: beiden zaten - om het allemaal nog hilarischer te maken – in het bestuur van ene Stichting Anti-Discriminatie, en waren in die hoedanigheid dus gelijkwaardig. En de fysieke overmacht die de man doorgaans heeft is in dit verband ook niet aan de orde. Tenzij de goede dokter naast (voornaam X)’s plezierspier ook zijn triceps eraf gesneden heeft. Maar ja, dat ligt ook niet echt voor de hand lijkt me. De aanklacht werd dan ook geseponeerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de artikelen “Rechter beslist vete geslachtsverandering” en “STAD mag vete X/Y laten rusten” feitelijke onjuistheden bevatten. Bovendien hebben verweerders ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen, aldus klaagster. Zij is van mening dat verweerders, mede gelet op het feit dat zij geen partij was in het kort geding, hoor en wederhoor hadden moeten toepassen alvorens over haar te publiceren. Verder stelt zij dat haar privacy is geschonden door de wijze waarop zij in de artikelen is aangeduid.
Met betrekking tot de column “When (voornaam Y) met (voornaam X)” stelt klaagster dat Goossens zeer negatief, denigrerend en discriminerend over haar en over transseksuelen in het algemeen heeft geschreven. De column bevat bovendien onjuistheden. Ook door deze column is haar privacy ernstig geschonden, aldus klaagster.

Verweerders stellen dat de berichtgeving over de rechtszaak tussen Y en STAD feitelijk, niet sensationeel en niet onnodig kwetsend is geweest. Verder stellen verweerders dat zij niet gehouden waren om klaagster voorafgaande aan de eerste publicatie over de rechtszitting een reactie te vragen. Daarnaast wijzen verweerders erop dat zij klaagster de mogelijkheid hebben geboden haar kant van de zaak te belichten. Dat klaagster, ondanks de privacygevoelige informatie, met naam is genoemd in de berichtgeving over de rechtszaak hangt volgens verweerders onder meer samen met de functie die klaagster heeft vervuld in STAD en met de politieke rol die klaagster in Utrecht speelde.
Ten aanzien van de door Goossens geschreven column merkt Kalmann op dat Goossens op zijn geheel eigen, humoristische wijze de vete tussen klaagster en Y van commentaar heeft voorzien zonder daarbij over de schreef te gaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het klaagschrift bevatten de artikelen over het kort geding tussen Y en STAD onjuistheden. Bij de behandeling ter zitting van de Raad heeft klaagster desgevraagd verklaard niet te kunnen zeggen dat die artikelen meer of anders behelzen dan hetgeen bij dat kort geding door Y en STAD naar voren is gebracht en dan kan worden opgemaakt uit het vervolgens door de president van de rechtbank gewezen vonnis. Met “onjuistheden” heeft klaagster het oog op beweringen die blijkens de artikelen bij het kort geding gedaan zijn, maar die volgens haar niet in overeenstemming met de waarheid zijn.
Een journalist behoeft beweringen die op een terechtzitting gedaan zijn door deelnemers aan het proces niet op juistheid te onderzoeken alvorens die beweringen openbaar te maken in zijn berichtgeving van de zitting. Uitzonderingen op die regel zijn denkbaar, bijvoorbeeld als het gaat om beschuldigingen gericht tot iemand die geen procesdeelnemer is. Voor het maken van een uitzondering bestaat hier echter geen grond. In de artikelen komt duidelijk tot uiting dat en waarom klaagster het niet eens was met de aan het kort geding – maar ook aan de vete tussen klaagster en Y – ten grondslag liggende stelling van Y dat zij hem valselijk van seksuele intimidatie beschuldigde. De klachten over onjuistheden en het niet toepassen van wederhoor zijn ongegrond. Overigens is klaagster nog de gelegenheid geboden, weliswaar eerst na de publicatie van het tweede artikel, in een interview haar verhaal te doen, maar van die gelegenheid heeft zij geen gebruik willen maken.
Ongegrond is ook de klacht over schending van de persoonlijke levenssfeer van klaagster. Gezien het onderwerp van de procedure tussen Y en STAD kon van het kort geding geen juist beeld worden geschetst zonder vermelding van details waarmee een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van klaagster werd gemaakt. Van een inbreuk die verder gaat dan met het oog op een behoorlijke, objectieve en duidelijke berichtgeving noodzakelijk was, is echter geen sprake geweest.

Naar het vaste oordeel van de Raad komt aan een columnist een grote mate van vrijheid toe bij het geven van zijn persoonlijk oordeel over of commentaar op nieuwsfeiten of andere zaken. Hierbij zijn stijlmiddelen als overdrijven, chargeren en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. Echter ook een columnist kan de grenzen overschrijden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is. Bijvoorbeeld indien hij bij het uiten van zijn mening over personen kwalificaties bezigt of vergelijkingen trekt waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven (vgl. onder meer: Damman/Poortinga en METRO, RvdJ 2002/27).
Klaagster wordt in de column van 29 januari 2000, die geschreven is naar aanleiding van de berichtgeving op 11 en 26 januari 2000 in het Utrechts Nieuwsblad over bovengenoemd kort geding, alleen met haar voornaam ((voornaam X)) genoemd. Voor de lezers van die krant is zij echter door de verwijzingen naar die eerdere berichtgeving zonder veel moeite te herkennen.
Klaagster wordt neergezet als iemand die dan wel een geslachtsverandering heeft ondergaan maar die volstrekt ongeloofwaardig en belachelijk is als zij beweert door een man seksueel geïntimideerd te zijn: immers – kort gezegd – “het blijft toch een beetje Bugs Bunny in een jurk”, met andere woorden: in wezen is zij nog steeds een man. Dit alles gebeurt met gebruikmaking van een terminologie die in ieder geval ook als zeer vernederend voor klaagster kan worden aangemerkt. De columnist gebruikt wel de woorden “Met alle respect voor de transseksuele medemens”, maar uit hetgeen hij overigens schrijft valt eigenlijk alleen maar een totaal gebrek aan respect voor die transseksuele medemens, af te leiden: als het om seksuele intimidatie gaat, bestaat een vrouw als klaagster niet maar is zij man. Een en ander leidt tot het oordeel dat in de column ten opzichte van klaagster, die niet zelf de publiciteit heeft gezocht over de “al jaren voortwoekerende ruzie tussen twee voormalige vrienden, (voornaam Y) en (voornaam X)”, de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond voorzover deze betrekking heeft op de column. Voor het overige is de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 oktober 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2003-54