2003/53 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

M. Haddeman en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 28 mei 2003 met een bijlage heeft mr H.J. van Smaalen, advocaat te Rotterdam, namens X (klager) een klacht ingediend tegen M. Haddeman en De Telegraaf (verweerders). Hierop heeft A. Reekers, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 18 juli 2003 met als bijlage het verweerschrift van Haddeman. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 5 augustus 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 augustus 2003 in aanwezigheid van klager, zijn raadsman en mevrouw Y. Verweerders zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op 4 februari 2003 is in De Telegraaf op de voorpagina een door Haddeman geschreven artikel gepubliceerd over het doodschieten van Seder Soares op 1 februari 2003 in Rotterdam. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Ik hoorde vijf harde knallen, snel achter elkaar”, vertelt X, die recht tegenover het parkeerdek woont
en
X rende naar Seder toe en heeft hem in zijn armen genomen
Na publicatie van het artikel hebben zich twee incidenten voorgedaan waardoor klager en zijn gezin zich ernstig bedreigd voelden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt zich op het standpunt dat de journalistieke verantwoordelijkheid meebrengt dat de persoonlijke levenssfeer van personen over wie wordt gepubliceerd, niet verder wordt aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is. De persoonlijke gegevens van klager hadden in dit geval achterwege gelaten kunnen worden zonder afbreuk te doen aan inhoud en nieuwswaarde van het artikel. Klager betoogt verder dat door de publicatie van zijn naam in combinatie met de duidelijke aanwijzing van de plek waar hij woont, de grenzen zijn overschreden van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.
Klager merkt voorts op dat de publicatie zich niet heeft beperkt tot de feiten, maar dat deze zijn aangevuld met onjuistheden. De passage “X rende naar Seder toe en heeft hem in zijn armen genomen” is volgens klager geen juiste weergave van hetgeen hij aan de verslaggever heeft verteld.

Verweerders wijzen erop dat Haddeman bij het eerste contact met klager duidelijk heeft gemaakt dat hij als journalist werkzaam was voor De Telegraaf. Daarbij heeft Haddeman expliciet gevraagd naar de naam van klager en de juiste spelling ervan. Volgens verweerders heeft klager op geen enkel moment te kennen gegeven niet met zijn naam in de krant te willen worden genoemd. Het geven van een globale beschrijving van de plek waar klager woont, was volgens verweerders van belang voor het verhaal. Op die manier kon de lezer zich een beeld vormen van wat klager moet hebben gezien. Daarnaast geeft de beschrijving van de woonplek iets aan over de geloofwaardigheid van de getuige. Het vermelden van anonieme getuigenissen moet volgens verweerders in het kader van een objectieve en transparante waarheidsvinding tot een minimum worden beperkt. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de passages in het artikel een correcte weergave zijn van de getuigenissen van klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad brengt de journalistieke verantwoordelijkheid mee dat de persoonlijke levenssfeer van personen over wie wordt gepubliceerd, niet verder wordt aangetast dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is (vgl. X tegen BN/DeStem, RvdJ 2002/49; Van Veenendaal en Van Doorn tegen Van Zanten e.a. RvdJ 2001/25).

In het artikel wordt nergens vermeld dat klager degene die Seder Soares heeft doodgeschoten ook daadwerkelijk gezien heeft. Vermeld wordt slechts dat klager, toen hij zich in de keuken bevond, vijf of zes harde knallen heeft gehoord, dat hij jongens op de grond zag liggen en vervolgens wegrennen, dat er iets donkers bleef liggen waarvan hij dacht dat het een jas was, maar dat hij, toen de jongens even later “bloed, bloed” riepen, meteen wist dat het geen jas was en dat hij toen naar Seder is gerend.
Met verweerder is de Raad van oordeel dat de vermelding dat klager “recht tegenover het parkeerdek woont” een in de context van het artikel relevant feit betreft: uit het artikel komt immers naar voren dat klager de door hem beschreven gebeurtenissen op het parkeerdek onmiddellijk na het horen van de harde knallen heeft waargenomen vanuit zijn woning. Dat “klager recht tegenover het parkeerdek woont” maakt dus aan de lezer duidelijk dat het hier gaat om iemand van wie aannemelijk is dat zijn verklaring werkelijk op eigen waarneming berust. Bij het vermelden van persoonlijke gegevens van getuigen van (ernstige) misdrijven is terughoudendheid geboden. Het belang van de getuige dat, kort gezegd, een nog vrij rondlopende dader hem niet eenvoudig zal kunnen vinden, moet worden afgewogen tegen het belang van een open en transparante berichtgeving. Publicatie van persoonlijke gegevens van een getuige dient achterwege te blijven in het geval dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat publicatie tot onevenredig nadeel voor de getuige zou leiden. De Raad ziet geen feiten of omstandigheden waardoor de journalist had moeten besluiten de naam van de getuige weg te laten. Wat dit aangaat, is de klacht ongegrond.
Partijen verschillen voorts nog van mening over het antwoord op de vraag of klager inderdaad, zoals in het artikel staat, zou hebben gezegd dat hij het hoofd van Seder in zijn armen heeft genomen. Volgens klager heeft hij slechts gezegd dat hij, nadat hij naar beneden was gerend, bij Seder heeft gezeten. In het midden kan blijven aan wiens zijde het gelijk op dit punt is. Want ook als de lezing van klager voor de juiste wordt gehouden kan niet worden gezegd dat hier grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 oktober 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2003-53