2003/51 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.P.N.G. van den Heuvel

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Bij brief van 17 mei 2003 met zeven bijlagen heeft C.P.N.G. van den Heuvel te Vught (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (verweerder). Hierop heeft G.A.F.M. Straathof namens de hoofdredactie geantwoord in een brief van 13 juni 2003. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 29 juni 2003 met één bijlage.

De zaak is ter zitting van de Raad van 29 augustus 2003 behandeld buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 8 mei 2003 is in het Brabants Dagblad een ingezonden brief gepubliceerd onder de titel “Bankjes”. In de brief wordt gereageerd op een standpunt dat klager als gemeenteraadslid van Vught heeft ingenomen tijdens een raadsvergadering. Op 8 mei 2003 heeft klager in reactie op deze brief zelf ook een ingezonden brief gestuurd naar het Brabants Dagblad. Op 9 mei 2003 ontving klager van J. van den Ven, chef redactie regio ’s-Hertogenbosch van het Brabants Dagblad, een e-mail met de volgende inhoud:
Uw ingezonden brief als reactie op de bankjes in Vught hebben wij terzijde gelegd. Wij zijn van mening, dat de inhoud als vertegenwoordiger in de gemeenteraad op een andere plaats terecht hoort. In de gemeenteraad! Dan ook kunnen wij dat journalistiek behandelen in de berichtgeving.

In een reactie per e-mail op 9 mei 2003 laat klager weten het niet eens te zijn met de grond waarop zijn ingezonden brief is geweigerd. Hierop volgt op 12 mei 2003 een antwoord van Van den Ven waarin hij meldt dat de ingezonden brief van klager ten gevolge van een technische storing uit het archiefsysteem is verdwenen. Tevens verzoekt hij klager de brief nog een keer te mailen, zodat de redactie een nieuwe afweging kan maken over het al dan niet plaatsen. Daarop heeft klager afwijzend gereageerd in een e-mail van 13 mei 2003.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager vraagt een oordeel van de Raad over het feit dat plaatsing van zijn ingezonden brief is geweigerd, louter op grond van het gegeven dat hij lid is van de gemeenteraad van Vught. Klager is zelf van mening dat zijn brief ten onrechte is geweigerd en dat hem daarmee zijn recht op wederhoor is ontnomen. Hiermee komt volgens klager het recht van vrije mengingsuiting in het geding. Daarnaast verwacht klager van het enige grote regionale dagblad in zijn regio een zekere mate van objectieve bejegening.

Verweerder stelt dat hij het uitgangspunt hanteert dat ingezonden brieven van gemeenteraadsleden de krant niet halen als het gaat om onderwerpen die in een openbare vergadering zijn behandeld en waar de krant verslag van heeft gedaan. Volgens verweerder was de reactie van klager een herhaling c.q. verduidelijking van zijn standpunt in deze kwestie. Aan dit standpunt is volgens verweerder in de krant reeds aandacht besteed. Verder wijst verweerder erop dat hij een nieuw afschrift van de brief van klager heeft gevraagd teneinde te beoordelen of de eerste afwijzing terecht is geweest. Aan dit verzoek heeft klager echter geen gehoor gegeven.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft de redactie in beginsel de vrijheid een reactie van een lezer op een artikel of ingezonden brief niet te plaatsen (vgl. onder meer Van Xanten/De Gelderlander, RvdJ 2003/30 en Zwartendijk/Rotterdams Dagblad, RvdJ 2003/05).
De klacht richt zich met name tegen de reden die verweerder in eerste instantie gaf voor de weigering tot plaatsing. De Raad is met klager van oordeel dat het categorisch weigeren van ingezonden brieven van gemeenteraadsleden enkel op grond van hun lidmaatschap van de gemeenteraad journalistiek onzorgvuldig is.
Echter, verweerder heeft in zijn reactie op de klacht de uitgangspunten van het Brabants Dagblad ten aanzien van het al dan niet plaatsen van ingezonden brieven verder verduidelijkt: ingezonden brieven van gemeenteraadsleden worden niet gepubliceerd als het gaat om onderwerpen die in een openbare raadsvergadering zijn behandeld en waar de krant verslag van heeft gedaan; de ingezonden brief van klager vormde een herhaling van zijn standpunt waaraan reeds aandacht in de krant was besteed.
Een weigering op deze gronden valt binnen de beleidsvrijheid die een redactie toekomt met betrekking tot het al dan niet plaatsen van ingezonden brieven. Verweerder heeft met zijn weigering dan ook niet de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 oktober 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2003-51