2003/48 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

HPT Development BV

tegen

de hoofdredacteur van ‘Opgelicht’ (TROS)

Bij brief van 11 maart 2003 met 21 bijlagen heeft J.J.E.M. Peeters namens HPT Development BV (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma ‘Opgelicht’ (verweerder). Mr. I.C. Roelands heeft namens verweerder op de klacht gereageerd in een schrijven van 23 april 2003 met elf bijlagen. Hierop heeft klaagster nog gerepliceerd in een brief van 5 mei 2003 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juni 2003. Namens klaagster is daar voornoemde Peeters verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Aan de zijde van verweerder zijn daar verschenen mr. B.P. Aalberts, bedrijfsjuriste van de TROS, P. Smolders, eindredacteur, en M. Bloemberg, redacteur. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de uitzending, waar de klacht op ziet, bekeken.

DE FEITEN

Op 13 februari 2003 heeft de TROS een aflevering van het televisieprogramma ‘Opgelicht’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Daarin wordt er onder meer aandacht aan besteed dat klaagster een oproep heeft gedaan voor testrijders van exclusieve auto’s. Bericht wordt dat klaagster respondenten – die via een dure 0900-telefoonlijn contact met haar moeten opnemen – onnodig lang aan de lijn houdt, teneinde zichzelf te verrijken. Bovendien zou klaagster beloften over testritten en over de publicatie van testresultaten niet nakomen. In de uitzending worden onder meer een importeur van Lotus en een respondent aan het woord gelaten, die zich beiden in zeer negatieve zin over klaagster en haar activiteiten uitlaten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het programma ‘Opgelicht’ praktijken aan de orde stelt, die door de kijker als oplichting worden ervaren. Aangezien de titel van het programma geen vraagteken bevat, gaat het in het programma kennelijk om zaken, waarin oplichting wordt vastgesteld en niet om zaken waarin dat de vraag is.
Volgens klaagster is zij in de uitzending geheel ten onrechte beschuldigd van oplichting. Zij heeft voor de reacties op de oproep een 0900-lijn opengesteld als selectiemiddel: alleen serieuze kandidaat-testrijders zullen dat nummer bellen. Het is mogelijk dat een piek in binnenkomend telefoonverkeer voorkomt, met een wachtrij tot gevolg. Dit is echter niet beoogd. Klaagster maakt gebruik van een zogenaamd ‘belscript’, waarin vooraf duidelijk is vastgesteld welke vragen een respondent in het intakegesprek moet beantwoorden. Bovendien reageren respondenten uit vrije keus en kunnen zij er steeds voor kiezen om, als zij lang moeten wachten, de verbinding te verbreken en op een ander moment terug te bellen, aldus klaagster.

Zij heeft redacteur Bloemberg, die haar eind januari 2003 – onaangekondigd – heeft bezocht, van een en ander op de hoogte gesteld en meegedeeld dat de eerste testrijder op korte termijn zou worden geselecteerd. Bloemberg heeft klaagster vervolgens uitgenodigd voor de camera commentaar te geven. Hierop is klaagster niet ingegaan, omdat zij niet wil verschijnen in een programma over oplichting en het programma, mede gezien de titel ervan, geen ruimte geeft voor een objectieve beoordeling. In plaats daarvan heeft zij verweerder tot op de dag van de uitzending uitvoerig en gedetailleerd per post, fax en e-mail ingelicht over haar handelwijze. Klaagster stelt dat zij in deze stukken de ongefundeerde beschuldigingen aan haar adres gemotiveerd heeft weerlegd. Volgens haar heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door desondanks toch tot uitzending over te gaan. Tenminste had verweerder het weerwoord van klaagster moeten weergeven, hetgeen hij ten onrechte heeft nagelaten.
Ter toelichting van haar standpunt verwijst klaagster onder meer naar haar correspondentie met verweerder en naar artikelen in BN/De Stem van 15 en 17 februari 2003, waarin verslag wordt gedaan van twee testritten en een tevreden testrijder aan het woord komt.
Klaagster betoogt dat zij door de uitzending is belemmerd in de ontwikkeling van een nieuwe redactionele formule en daardoor ernstige schade heeft geleden.

Verweerder stelt voorop dat ‘Opgelicht’ een evenwichtig programma is, waaraan een grondig journalistiek onderzoek vooraf gaat. In het programma worden onderwerpen belicht die door de gemiddelde kijker als oplichting worden ervaren. Dit betreft niet alleen oplichting in strafrechtelijke zin. Ook gevallen van misleiding, dwaling en bedrog worden door het publiek als oplichting gevoeld en vaak ook als zodanig aangeduid. Volgens verweerder zijn de praktijken van klaagster terecht in het programma ‘Opgelicht’ aan de orde gesteld. Hij wijst erop dat de Consumentbond dit standpunt onderschrijft in een publicatie van kabelkrant TV-Gazet.
Verder stelt verweerder dat hij niet verantwoordelijk of aansprakelijk is voor de mening van de personen die in zijn programma’s aan het woord komen. Voorzover klaagster bezwaar maakt tegen uitlatingen van de Lotus-importeur of gedupeerden, dient zij zich tot deze personen te wenden, aldus verweerder. Hij heeft slechts de mening van deze personen weergegeven, zonder zich daarachter te scharen. Hem valt naar zijn mening niets te verwijten, tenzij ten tijde van de uitzending onvoldoende grondslag aanwezig was om de meningen van derden te openbaren, zoals hij dat heeft gedaan. Hiervan is geen sprake. Hij heeft ongeveer 25 klachten ontvangen van personen die zich bij klaagster hadden aangemeld om als testrijder op te treden. Bovendien heeft een ex-werknemer van klaagster zich bij hem gemeld en laten weten dat de projecten van klaagster niet deugen. Verweerder verwijst verder naar de bijlagen bij zijn verweerschrift, waaronder een aantal anonieme klachten over de handelwijze van klaagster.
Ten slotte stelt verweerder dat Bloemberg Peeters tijdens haar bezoek heeft geconfronteerd met de klachten die over klaagster bij verweerder waren binnengekomen. Peeters verwees die klachten, nog voordat Bloemberg daarop dieper kon ingaan, naar het rijk der fabelen. Vervolgens is klaagster de gelegenheid geboden haar visie op de kwestie voor de camera te geven. Als klaagster niets te verbergen had, stond er niets aan in de weg om de klachten gefundeerd te weerleggen Dat klaagster van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt kan hem niet worden tegengeworpen, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in twee onderdelen:
a. verweerder had geen aandacht aan klaagsters praktijken mogen besteden in een televisieprogramma met de titel ‘Opgelicht’;
b. verweerder heeft ten onrechte nagelaten het weerwoord van klaagster in de uitzending weer te geven.

In de uitzending wordt gesteld dat klaagster respondenten, die via een dure 0900-telefoonlijn contact met haar moeten opnemen, onnodig lang aan de lijn houdt met het oogmerk zichzelf te verrijken, zonder daar een werkelijke dienst tegenover te stellen. Dat hierover geruchten de ronde deden, blijkt genoegzaam uit hetgeen de geïnterviewden in de uitzending hebben verteld en wordt voorts voldoende geïllustreerd door de andere door verweerder vermelde bronnen. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd over het aantal en de hoedanigheid van zijn bronnen, leidt de Raad tot het oordeel dat het door hem verrichte onderzoek niet onvoldoende zorgvuldig is geweest. Verweerder kon aanleiding vinden om over de geruchten omtrent klaagsters handelwijze te berichten.

Door de berichtgeving te brengen in het programma met de titel ‘Opgelicht’ wordt gesuggereerd dat klaagster niet te goeder trouw heeft gehandeld. Blijkens de oproep van klaagster op de website www.marktplaats.nl biedt zij gratis testritten. Uit de oproep blijkt niet dat een geïnteresseerde, alvorens voor een testrit in aanmerking te komen, via een relatief duur telefonisch contact een intakegesprek moet voeren met een medewerker van klaagster. Bovendien voelden degenen die in de uitzending aan het woord zijn gelaten zich kennelijk wel degelijk opgelicht. Overigens heeft de Raad eerder geoordeeld dat verweerder in het programma met de titel ‘Opgelicht’ zich niet behoeft te beperken tot de behandeling van gedragingen, waarin sprake is van oplichting in strafrechtelijke zin. (vgl. Oedayrajsingh Varma tegen ‘Opgelicht’, RvdJ 2002/48).

Het voorgaande in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat verweerder niet reeds grenzen heeft overschreden door zijn bevindingen te presenteren in het programma ‘Opgelicht’. Onderdeel a. van de klacht is ongegrond.

Verweerder heeft echter wel onzorgvuldig gehandeld door geen weerwoord van klaagster in de uitzending op te nemen. Immers, bij berichtgeving als de onderhavige - die ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster bevat - dient een journalist met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt zulks niet anders.
Peeters heeft in verschillende brieven/faxberichten aan verweerder de handelwijze van klaagster inhoudelijk toegelicht. De inhoud van deze toelichting is in het geheel niet in de uitzending weergegeven.
Bovendien is niet in geschil dat slechts tijdens het bezoek van Bloemberg de bij verweerder bekende concrete klachten over de handelwijze van klaagster aan Peeters zijn voorgelegd, met de uitnodiging om daarop voor de camera te reageren. Het had echter op de weg van verweerder behoren te liggen die klachten tevens schriftelijk aan klaagster voor te leggen en haar de gelegenheid te bieden daarop desgewenst schriftelijk te reageren. Het was immers niet aan verweerder om te bepalen dat klaagster zich slechts zou kunnen verweren door voor de camera te verschijnen. Verweerder heeft dit nagelaten en vervolgens in zijn uitzending ten onrechte gesuggereerd dat klaagster niet inhoudelijk op de kwestie heeft willen reageren. Door aldus te handelen en na te laten heeft verweerder op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is (vgl. onder meer: Hingst tegen Van den Heuvel, RvdJ 2003/21; Aerts en Oosterdijk tegen Groot en Algemeen Dagblad, RvdJ 2003/04; Aegon tegen ‘Radar’, RvdJ 1999/77).

BESLISSING

Voorzover de klacht betrekking heeft op het onvoldoende toepassen van wederhoor is deze gegrond, voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Opgelicht’.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 juli 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-48