2003/45 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad Zaanstreek (Noordhollands Dagblad)

Bij brief van 10 april 2003 met twee bijlagen heeft X (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad Zaanstreek (verweerder). Hierop heeft G. ten Dam, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 4 juni 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juni 2003. Klaagster is daar verschenen, vergezeld van haar raadsvrouwe mr. M.E. Antic en Y, een collega. Verweerder was daar niet aanwezig.

DE FEITEN

Op 7 februari 2003 is in Dagblad Zaanstreek, een editie van het Noordhollands Dagblad, een artikel verschenen onder de kop "Arts laat rookster met astma-aanval 'stikken'". De intro van het artikel luidt:
"In flinke ademnood belde (...) uit Zaandam maandagmiddag naar huisartsenpraktijk Zaandam-Oost. Ze had een flinke astma-aanval en vroeg om hulp, maar die kreeg ze niet. Na een korte woordenwisseling gooide huisarts X de hoorn op de haak."
In het artikel wordt de betrokken patiënt aan het woord gelaten. Het slot van het artikel luidt:
"Dokter X zelf wil niet op het verhaal van de astmapatiënt reageren. ,,Mevrouw X vindt het allemaal onzin'', zegt de telefoniste van de huisartsenpraktijk. Een andere dokter op de praktijk nuanceert die uitspraak later. ,,Ze heeft gewoon geen zin om commentaar te geven'', vertelt hij."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagsters voornaamste bezwaar is dat haar ten onrechte geen wederhoor is geboden. De verslaggever heeft twee maal naar de huisartsenpraktijk gebeld, op momenten waarop klaagster niet aanwezig was, zonder een boodschap voor klaagster achter te laten of zijn telefoonnummer door te geven. De weergegeven reactie van haar collega's is niet juist. Als zij vooraf in de gelegenheid was gesteld commentaar te geven, had zij geen medische details over de kwestie kunnen geven, maar wel de gebeurtenis kunnen weerspreken, aldus klaagster.

Verweerder stelt dat de verslaggever een paar keer heeft geprobeerd een reactie van klaagster te krijgen. Dat blijkt volgens hem ook uit het artikel, waarin is vermeld dat klaagster via een collega liet weten dat ze niet wilde reageren.
In een gesprek met de redactiechef - dat plaatsvond na de publicatie - heeft klaagster zich op haar geheimhoudingsplicht beroepen, aldus verweerder. Het is volgens hem inconsequent dat klaagster niet heeft willen reageren en zich er vervolgens over beklaagt dat haar niet om een weerwoord is gevraagd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel wordt vermeld dat klaagster heeft geweigerd een patiënt te helpen. Dit is een zeer ernstige beschuldiging aan het adres van klaagster, waardoor zij in haar beroepsuitoefening wordt gediskwalificeerd.

Deze beschuldiging werpt een zodanige smet op klaagster dat verweerder deze niet zonder meer - dat wil zeggen: zonder voorafgaand nader adequaat onderzoek naar de gegrondheid ervan - had mogen publiceren. De patiënt is, als vermeend slachtoffer van klaagsters handelwijze, geen bron waarop verweerder zonder meer mocht afgaan. Gesteld noch gebleken is dat een tweede bron bestond. Aldus bevat het artikel een ernstige beschuldiging die niet door de feiten worden gestaafd.

Bovendien moet een journalist, volgens het vaste oordeel van de Raad, bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders. Verweerder had de beschuldiging derhalve in elk geval niet mogen publiceren, zonder klaagster in de gelegenheid te stellen daarop commentaar te geven.
Verweerder heeft in dat verband gesteld dat de betrokken verslaggever telefonisch heeft geprobeerd klaagster via derden te bereiken. Niet is gebleken dat de verslaggever aan de collega's van klaagster heeft duidelijk gemaakt dat en waarom hij contact met klaagster echt nodig had. Bovendien heeft verweerder klaagster niet schriftelijk in de gelegenheid gesteld te reageren, alvorens over publicatie te beslissen. Voor zover al moet worden aangenomen dat collega's van klaagster aan de verslaggever hadden meegedeeld dat klaagster 'het allemaal onzin vindt' en 'gewoon geen zin heeft om commentaar te geven' - hetgeen de Raad niet kan vaststellen - had dat verweerder er niet van mogen weerhouden zich schriftelijk tot klaagster zélf te wenden, ten einde haar de mogelijkheid te bieden op de geuite beschuldiging te reageren. Verweerder heeft aldus onvoldoende ondernomen om met klaagster in contact te komen. Van zwaarwichtige redenen van algemeen belang die dat kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken.
Voorts valt niet in te zien, waarom verweerder niet heeft gewacht met publicatie totdat klaagster voor commentaar bereikbaar was. Overigens had verweerder kunnen vermelden dat klaagster niet voor commentaar bereikbaar was. Dat heeft hij evenmin gedaan.

De Raad komt tot de slotsom dat verweerder aldus grenzen heeft overschreden van hetgeen uit een oogpunt van journalistieke verantwoordelijkheid aanvaardbaar is, door over klaagster te berichten, zoals hij heeft gedaan en na te laten wederhoor toe te passen (vgl. onder meer: Hingst tegen Van den Heuvel, RvdJ 2003/21 en Timmer tegen Van de Kolk en De Twentsche Courant Tubantia, RvdJ 2003/03).

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad Zaanstreek te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 juli 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-45