2003/44 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

Bij brief van 19 februari 2003 met een bijlage heeft X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (verweerder). Hierop heeft R. Mulder, hoofdredacteur, geantwoord in een schrijven van 11 maart 2003. Klager heeft zijn klacht nader uiteengezet in brieven van 21 maart en 2 april 2003 en bemiddeling verzocht. Vervolgens heeft Mulder bij brief van 13 mei 2003 aan de Raad meegedeeld dat hij in dit geval twijfelt aan het nut van bemiddeling en zich beperkt tot zijn eerdere verweer. Ten slotte heeft klager de klacht verder toegelicht in een schrijven van 6 juni 2003 met twee bijlagen.

De zaak is door de Raad op 13 juni 2003 behandeld buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 5 december 2002 is in de Leeuwarder Courant een artikel verschenen onder de kop "IJlster eist familiefortuin terug van fiscus". In het artikel wordt een broer van klager aan het woord gelaten, die over klager onder meer zegt: "Mijn broer is gewoon een dief, die zijn broers en zus besteelt".

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat verweerder hem ten onrechte geen wederhoor heeft geboden. Zijn broer heeft hem in het artikel van allerlei zaken beschuldigd, terwijl hij die beschuldigingen kan weerleggen. Ter toelichting van de klacht doet klager uitgebreid verslag van de geschiedenis van zijn familie.

Verweerder stelt dat het artikel een feitelijk verslag behelst van een conflict van klagers broer met de belastingdienst. Klager wordt daarin genoemd, omdat hij aan de bron heeft gestaan van dat conflict. Zijn broer gebruikt een aantal kwalificaties die zeer negatief zijn, maar steun vinden in een gerechtelijke uitspraak waarin werd geoordeeld dat klager het familiekapitaal onrechtmatig heeft beheerd. Van klager wordt niet meer gemeld dan onder de omstandigheden onvermijdelijk was, aldus verweerder.
Hij stelt verder dat klager kort na de publicatie contact heeft gezocht met de redactie, met de mededeling dat hij de beschuldiging van zijn broer gedocumenteerd kon weerleggen. De betreffende verslaggever heeft klager vervolgens bezocht. De documenten en bewijsstukken die klager daarbij overlegde waren volgens verweerder ontoereikend als basis voor een vervolgpublicatie.
Verweerder meent dat de klacht niet zo zeer over de krant gaat, als wel over klagers broer en overige familie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel wordt klager ervan beschuldigd zijn broers en zus te hebben bestolen. Dit is een ernstig verwijt aan het adres van klager. Volgens het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders. Verweerder had de beschuldigingen derhalve in elk geval niet mogen publiceren, zonder klager in de gelegenheid te stellen daarop zijn commentaar te geven. Niet in geschil is dat verweerder dat heeft nagelaten. Zwaarwichtige redenen van algemeen belang die dat kunnen rechtvaardigen, heeft verweerder niet gesteld en zijn de Raad ook niet gebleken. (vgl. onder meer: Timmer tegen Van de Kolk en De Twentsche Courant Tubantia, RvdJ 2003/03 en Hensen-Verkaik tegen De Hoop Magazine, RvdJ 2001/13).

De Raad komt tot de slotsom dat verweerder aldus grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 juli 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-44