2003/42 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

F.P. van Velden en Stichting Bureau Discriminatiezaken

tegen

J. Reid, B. Geleijnse, J.M. van Tol en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Bij brieven van 10 februari 2003 met drie bijlagen en van 18 februari 2003 met een bijlage heeft Y. Hoogeveen namens F.P. van Velden en Stichting Bureau Discriminatiezaken (klagers) een klacht ingediend tegen J. Reid, B. Geleijnse, J.M. van Tol en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (verweerders). Hierop heeft F.E. Jensma, hoofdredacteur, geantwoord in een schrijven van 12 maart 2003 met twee bijlagen, waaronder een aparte reactie van Reid, Geleijnse en Van Tol (hierna: Reid c.s.). Vervolgens heeft Hoogeveen de klacht nader toegelicht bij brief van 1 april 2003 met een bijlage. Daarop heeft Jensma ten slotte gereageerd in een brief van 17 april 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 april 2003 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 24 juli 2002 is in NRC Handelsblad een cartoon van de hand van Reid c.s. verschenen onder de kop “Fokke & Sukke hebben er genoeg voor betaald”. Daarin zitten Fokke en Sukke op de rug van een olifant en kijken naar iets in de verte. De één roept: “Daar! Bij die apenbroodboom!!!”, waarop de ander antwoordt: “Je hebt gelijk! Echte scharrelnegers!!!

Verder is op 9 augustus 2002 in NRC Handelsblad een cartoon van de hand van Reid c.s. verschenen onder de kop “Fokke & Sukke eisen hun geld terug”. In deze cartoon liggen Fokke en Sukke aan de rand van een zwembad. De één zegt: “Er zit geen ijs in mijn gin-tonic.” Daarop roept de ander naar de ober, die kennelijk van Afrikaanse afkomst is: “Hee kloothommel!!!! Waar is die traditionele gastvrijheid van jullie nou gebleven?!?

In de uitgave “Fokke en Sukke maken zich kwaad” van Uitgeverij De Harmonie is bovendien een cartoon van de hand van Reid c.s. gepubliceerd onder de kop “Fokke & Sukke hebben gewoon niet het geduld voor een safari”. Ook hierin zitten Fokke en Sukke op de rug van een olifant. Eén van hen schiet een drager van Afrikaanse afkomst neer, terwijl de ander roept: “Ja! Dat was de laatste!! Nu ga je zelf de gin-tonic maar dragen!!!

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Van Velden maakt bezwaar tegen de cartoons “Fokke & Sukke hebben er genoeg voor betaald” en “Fokke & Sukke eisen hun geld terug”. Volgens hem zijn de termen ‘scharrelnegers’ en ‘kloothommel’ discriminerend en beledigend. Hij vindt de cartoons schadelijk voor de maatschappij, de betrekkingen met Afrikaanse en andere landen, en voor personen, onder wie zijn gezinsleden. Verder meent Van Velden dat de beledigingen niet functioneel zijn, omdat de cartoons geen actuele zaak bespreken en geen sprake is van een commentaar. Fokke en Sukke zijn actoren waardoor Reid c.s. zich uitdrukken, aldus Van Velden. Hij acht het goed voorstelbaar dat mensen de cartoons ervaren als een vrijbrief om personen van Afrikaanse afkomst uit te schelden als ‘scharrelneger’ of ‘kloothommel’ en vrij te spreken over het afschieten van personen van Afrikaanse afkomst.
De klacht van Stichting Bureau Discriminatiezaken is gericht tegen de cartoon “Fokke & Sukke hebben gewoon niet het geduld voor een safari”. Zij stelt dat in deze cartoon zonder noodzaak wordt gerefereerd aan gewelddadigheden tegen buitenlanders. De uiting is nodeloos kwetsend voor personen die te maken hebben gehad met geweld voortvloeiend uit rassendiscriminatie.

Jensma stelt dat de vrijheid van de tekenaar uitgangspunt is bij zijn beleid. Ter toelichting citeert hij uit de rubriek ‘Lezer Schrijft, Krant Antwoordt’ van 10 februari 2003, waarin het hoofdredactionele beleid bij een vergelijkbare klacht werd toegelicht, onder meer het volgende: “Lezers protesteren vaker tegen de humor van onze cartoonisten, waarna de redactie doorgaans enigszins in verlegenheid raakt. De hoofdredactie schrijft dan meestal terug dat inderdaad niet alles altijd en voor iedereen leuk is, maar dat de vrijheid van de cartoonist net als die van de columnist toch het uitgangspunt is. Zonder vrijheid kan een kunstenaar niet gedijen en een tekenaar zich niet ontwikkelen. En die vrijheid betekent ook de vrijheid om soms de plank mis te slaan – een spotprent is geen hoofdartikel.” Volgens Jensma is dit ook van toepassing op grappen die voor discriminerend worden aangezien. De tekenaar speelt met beelden en taal, met de bedoeling aan een gebeurtenis een andere lading te geven. De invulling van die lading wordt in hoge mate aan de lezers overgelaten, die tekeningen zeer verschillend kunnen interpreteren. Jensma wijst erop dat het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR) de cartoon “Fokke & Sukke eisen hun geld terug” op zijn website heeft geplaatst en als poster aanbiedt. Kennelijk is binnen de kring van deskundigen omstreden is wat ‘discriminerende’ humor is, aldus Jensma. Bovendien zijn de cartoons blijkbaar voldoende actueel om elders opnieuw te worden geplaatst, nu zij door het LBR – in een wervende context – worden aangeboden, klaarblijkelijk als aansporing om verder na te denken over de relatie blank-zwart. Jensma concludeert dat met het plaatsen van de cartoons geen normen zijn overschreden.
Reid c.s. voegen hieraan toe dat hun humor zich kenmerkt door grilligheid. Het ontbreken van een vaste opbouw maakt dat hun cartoons soms multi-interpretabel zijn en vaak de lezer op het verkeerde been zetten. Dat is hun kracht, waardoor ‘Fokke & Sukke’ zich onderscheidt van veel andere cartoonseries. Volgens Reid c.s. moet humor bij onderwerpen als discriminatie een tweede boodschap hebben, waaruit duidelijk wordt dat sprake is van een grap en blijkt dat de bedenker zichzelf een spiegel voorhoudt. Die tweede boodschap zit bij ‘Fokke & Sukke’ in de wijze van presenteren: een cartoon. Van lezers mag worden verwacht dat zij begrijpen dat voor een cartoon gebruik wordt gemaakt van technieken als overdrijving, omkering, absurdisme, woordspelingen en schokeffecten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad komt aan columnisten een grote vrijheid toe om hun persoonlijke mening te geven over gebeurtenissen of personen, waarbij stijlmiddelen als overdrijven, chargeren en bewust eenzijdig belichten geoorloofd zijn, zij zich stellig mogen uitdrukken en desgewenst scheldwoorden mogen bezigen. De column is een journalistiek genre waar meer mag dan in andere journalistieke genres (vgl. onder meer Damman tegen Poortinga en METRO, RvdJ 2002/27). Dit zelfde geldt voor een cartoonist, die zijn ‘column’ tekent.

De vrijheid van columnisten en cartoonisten is echter niet onbeperkt. De grenzen mogen voor hen dan nogal wat ruimer zijn getrokken, ook voor columnisten en cartoonisten geldt uiteindelijk dat zij niet de grenzen mogen overschrijden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Van grensoverschrijding is hier echter in het geheel geen sprake. De van een dubbele bodem voorziene cartoons zijn onmiskenbaar ironisch bedoeld (vgl. Franke en Anti Discriminatie Bureau Amsterdam tegen Plugge en Privé, RvdJ 1996/41). Dat klagers, en mogelijk anderen met hen, die bedoeling niet doorzien en in de cartoons een negatieve, door hen als discriminerend en beledigend aangemerkte, boodschap onderkennen, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de klacht gegrond is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 juni 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. C.M. Buijs, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-42