2003/41 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

T. Roskam en Koninklijke BDU Uitgeverij B.V.

tegen

de hoofdredacteur van klaverBlad Hoevelaken

Bij brief van 7 februari 2003 met zes bijlagen heeft T. Roskam, directeur/uitgever van Koninklijke BDU Uitgeverij B.V. (BDU), zowel in privé als namens BDU (hierna gezamenlijk: klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van klaverBlad Hoevelaken (verweerder). Hierop heeft J.B. Webers, uitgever, gereageerd in een schrijven van 14 april 2003 met twee bijlagen. Ten slotte heeft Roskam de klacht nader toegelicht in een brief van 17 april 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 april 2003 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

In het weekblad klaverBlad Hoevelaken is, in de editie van week vijf 2003, een artikel verschenen onder de kop “Krantenoorlog”. De intro van het artikel, dat is ondertekend door ‘Bianca’, luidt:
Er woedt een heuse oorlog in Hoevelaken. Een krantenoorlog wel te verstaan. Ik kwam hierachter omdat ik op de kabelkrant aan het kijken was of er nog nieuws was. Ik kijk al weinig naar de kabelkrant, omdat er weinig over Hoevelaken in staat, dus ik was blij dat er eindelijk weer eens aandacht voor ons dorpje was. En wat lees ik? Er is een krantenoorlog tussen het klaverBlad en de BDU.

In dezelfde editie van het weekblad is verder in de rubriek ‘Ingezonden’ een aantal ingezonden brieven over de kwestie gepubliceerd onder de kop “Krantenoorlog Hoevelaken”. De brieven worden ingeleid als volgt:
De BDU, de koninklijke uitgever van DeStadNijkerk, heeft Ans Pasker verboden klaverBlad Hoevelaken gelijk te verspreiden met DeStadNijkerk, volgens klaverBlad een “oorlogsverklaring” en een niet meer van deze tijd bestaande concurrentievervalsing. Dit was voor een superfan van klaverBlad vanaf ’t eerste uur, zoals waarschijnlijk meer dan half Hoevelaken, reden om de BDU wat vragen te stellen. Die brief leest u onderstaand en daarna de reacties van de BDU/DeStadNijkerk en ene heer Zuurman...
In de rubriek is een ingezonden brief geplaatst die is ondertekend door mevrouw B. Beitler. Daarna is onder de kop “Reactie BDU/DeStadNijkerk op deze brief” een brief van BDU aan mevrouw Beitler gepubliceerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat BDU met haar distributeur, die tevens klaverBlad Hoevelaken distribueert, exclusieve verspreiding van DeStadNijkerk is overeengekomen. Dat betekent dat gelijktijdig met DeStadNijkerk geen andere kranten, waaronder klaverBlad Hoevelaken, kunnen worden verspreid. Verweerder suggereert echter ten onrechte dat BDU op onheuse wijze de concurrentie in Hoevelaken tegenwerkt, aldus klagers. Zij stellen dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het journalistieke beginsel van hoor en wederhoor, door over BDU te schrijven zonder haar in de gelegenheid te stellen haar mening over de kwestie te geven.
Verder stellen klagers dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de brief van BDU aan mevrouw Beitler te publiceren. Die brief is een aan Beitler per e-mail gegeven reactie op een door haar aan BDU c.q. Roskam verzonden e-mail. Volgens klagers betreft dit correspondentie tussen Beitler in privé en BDU/Roskam. Beitler heeft zich niet bekend gemaakt als iemand die in klaverBlad Hoevelaken publiceert, en heeft evenmin laten weten dat het haar bedoeling was de correspondentie in dat weekblad te publiceren. Het is logisch dat de inhoud van de brief aan Beitler overeenstemt met de inhoud van een in DeStadNijkerk weergegeven reactie van BDU/Roskam. Beiden behelzen immers de visie van klagers op de kwestie. Naar de mening van klagers betekent dit echter niet dat verweerder de brief van BDU/Roskam aan Beitler zonder meer had mogen publiceren.
Klagers hebben na het verschijnen van de publicaties hun bezwaren aan uitgever Webers kenbaar gemaakt en hem voorgesteld via een door Roskam geautoriseerde tekst in de eerstvolgende editie van klaverBlad Hoevelaken zijn excuses aan te bieden. Webers heeft dit voorstel echter van de hand gewezen en Roskam in de gelegenheid gesteld door middel van een ingezonden brief zijn visie te geven. Van dat aanbod heeft Roskam geen gebruik gemaakt. Volgens klagers is het achteraf gelegenheid geven tot het sturen van een ingezonden brief iets anders dan wederhoor plegen. Bovendien vinden klagers een ingezonden brief niet de geëigende manier om de handelwijze van de redactie van klaverBlad Hoevelaken aan de kaak te stellen. Naar de mening van klagers behoorden de uitgever en de redactie zelf te erkennen dat zij onjuist hadden gehandeld. Dit hebben zij nogmaals aan Webers laten weten, waarbij zij hem een tekstvoorstel hebben gedaan. Na een afwijzende reactie van Webers hebben klagers zich tot de Raad gewend.

Verweerder stelt dat alle inwoners van Hoevelaken in staat worden gesteld in klaverBlad Hoevelaken te schrijven over onderwerpen die hen ter harte gaan. Van die mogelijkheid wordt veel gebruik gemaakt. Het blokkeren van de verspreiding van klaverBlad Hoevelaken door BDU heeft geleid tot veel reacties van lezers, aldus verweerder. Een aantal ingezonden brieven over dit onderwerp is in klaverBlad Hoevelaken gepubliceerd. Volgens verweerder is BDU ruimschoots in de gelegenheid gesteld op die publicaties te reageren in een ingezonden brief. BDU heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Ten slotte wijst verweerder erop dat BDU zélf in DeStadNijkerk heeft bericht over de ‘krantenoorlog’ en daarbij uitgebreid heeft geciteerd uit de brief die Roskam aan mevrouw Beitler heeft gestuurd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
a. verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door het e-mailbericht van BDU/Roskam aan Beitler te publiceren;
b. verweerder heeft nagelaten wederhoor toe te passen;
c. verweerder is ten onrechte niet ingegaan op het verzoek van klagers om te erkennen dat hij onjuist heeft gehandeld en daarvoor zijn verontschuldigingen aan te bieden.

De Raad deelt het standpunt van klagers dat verweerder had kunnen en moeten begrijpen dat het e-mailbericht van BDU/Roskam aan mevrouw Beitler niet als ingezonden stuk was bedoeld. Bijzondere omstandigheden daargelaten, dient in een dergelijk geval publicatie zonder toestemming en medeweten van de afzender achterwege te blijven. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken. Zoals klagers terecht hebben betoogd, vormt het feit dat in DeStadNijkerk op een vergelijkbare wijze als in het e-mailbericht de mening van klagers over de kwestie is weergeven, geen rechtvaardiging voor de handelwijze van verweerder. Aan klagers had hetzij voorafgaand aan hun reactie aan mevrouw Beitler bekend gemaakt moeten worden dat publicatie van die reactie werd beoogd, dan wel na ontvangst van die reactie om toestemming tot publicatie daarvan gevraagd moeten worden. Het een noch het ander is gebeurd. Door niettemin te publiceren heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is (vgl. Lamers tegen Godthelp en Amstelveens Nieuwsblad, RvdJ 2001/26).

Onderdelen b. en c. van de klacht zijn echter ongegrond. De inhoud van de (ingezonden) stukken van mevrouw Beitler c.q. Bianca is niet van zodanige aard, dat aan klagers gelegenheid tot wederhoor geboden had moeten worden alvorens tot plaatsing van die stukken over te gaan. Het had voorts op de weg van klagers gelegen in te gaan op de terechte, ruimhartige uitnodiging van verweerder om hun visie op de kwestie in een ingezonden brief kenbaar te maken. Zij hebben dat echter nagelaten en hun verwijt dat verweerder zich niet voor zijn handelwijze heeft willen verontschuldigen, snijdt dan ook geen hout.

BESLISSING

Voorzover de klacht betrekking heeft op het publiceren van een brief van klagers is deze gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in klaverBlad Hoevelaken te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 juni 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. C.M. Buijs, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-41