2003/4 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. W. Aerts en mr. H. Oosterdijk

tegen

A. Groot en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 24 juni 2002 met vijf bijlagen hebben mr. W. Aerts en mr. H. Oosterdijk te Nijmegen (klagers) een klacht ingediend tegen A. Groot en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (verweerders). Hierop heeft O. Garschagen, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 12 juli 2002 met zeven bijlagen. Klagers hebben daarop gereageerd in een schrijven van 22 juli 2002 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 november 2002. Aan de zijde van klagers is Aerts daar verschenen. Verweerders zijn daar niet verschenen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Klagers hebben desgevraagd te kennen gegeven geen bezwaar te maken tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en resterende leden.

DE FEITEN

Op 5 juni 2002 is in het Algemeen Dagblad een artikel van de hand van Groot verschenen onder de kop “Topcurator onder vuur – Voorzitter Insolad verdacht van zelfverrijking”. De intro van het artikel luidt:
De voorzitter van de Nederlandse curatorenvereniging Insolad ligt onder vuur. Deze W. Aerts wordt ervan beschuldigd zichzelf via een faillissement te verrijken. De Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie (Sobi) heeft grote kritiek op de Nijmeegse curator en noemt zijn handelwijze ‘buitengewoon dubieus’. Aerts ontkent de beschuldigingen.
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
Ook de wijze waarop Aerts curator van Mentor is geworden, kan volgens fraude-onderzoeker Pieter Lakeman van Sobi niet door de beugel.
en
Volgens Lakeman heeft Aerts zichzelf met deze ‘kunstgreep’ een melkkoetje bezorgd dat hij vervolgens ‘lekker is gaan leegprocederen’. ,,Nadat hij curator van Mentor werd, startte Aerts een groot aantal onnodige procedures ten koste van de faillissementsboedels. In totaal heeft Aerts zo al acht ton uit de faillissementsboedels gehaald. Dat gaat ten koste van de schuldeisers, die straks achter het net vissen”, aldus de onderzoeker.
en
Sobi en de franchisenemers hebben inmiddels een klacht ingediend tegen een kantoorgenoot van Aerts, notaris Oosterdijk. Die zou door middel van een valse akte hebben verbloemd dat Aerts tegelijk bestuurder en curator van dezelfde onderneming was.
en
Aerts zegt dat er geen sprake is van malversaties door hem of zijn kantoorgenoot Oosterdijk. Hij noemt de beschuldigingen van Sobi ‘onjuist, insinuerend en hypocriet’. Volgens Aerts zijn de vele procedures die hij voert in het faillissement juist veroorzaakt door Sobi. Verder wil hij niet inhoudelijk op de procedures ingaan omdat ze nog onder de rechter zijn.
en
Volgens Rob van der Vaart van de stichting Wetenschappelijk Onderzoek Rechterlijke Macht (Worm), die advocaten kritisch volgt, zijn de beschuldigingen van Lakeman wel degelijk gefundeerd.

Bij brieven van 17 en 20 juni 2002 hebben klagers hun bezwaren tegen het artikel aan verweerders kenbaar gemaakt en om rectificatie verzocht. Verweerders hebben dit verzoek afgewezen.

Op 22 juni 2002 is in het Algemeen Dagblad opnieuw aandacht aan de kwestie besteed onder de kop “<>i>Klacht over notaris ongegrond”.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat het artikel van 5 juni 2002 ten onrechte beschuldigingen bevat die in hoge mate geschikt zijn om afbreuk te doen aan hun integriteit in de uitoefening van hun functie als onderscheidenlijk notaris en advocaat-curator. De beschuldigingen zijn voornamelijk geuit door Lakeman. Deze is tegen betaling opgetreden als adviseur van een groep personen die niet aan hun financiële verplichtingen wilden voldoen, en was in deze zaak geen onpartijdig onderzoeker. Klagers betogen dat Lakeman econometrist is en zich presenteert als ‘de grootste specialist op het gebied van jaarverslagen’, maar over geen enkele specifieke deskundigheid beschikt op de gebieden waarover het in de publicatie gaat. Verder blijkt nergens uit dat de aangehaalde stichting Wetenschappelijk Onderzoek Rechterlijke Macht wel onpartijdig is of over enige deskundigheid beschikt om in deze zaak een oordeel te kunnen vellen.
Voorts stellen klagers dat Groot Aerts, voorafgaand aan de publicatie, in de gelegenheid heeft gesteld op kritiek van Lakeman te reageren. Aerts heeft in zijn reactie aan Groot uitgelegd dat en waarom de beschuldigingen ongegrond zijn en stukken overgelegd, waaruit Groot dat moet kunnen afleiden. Niettemin zijn de beschuldigingen van Lakeman klakkeloos overgenomen en hebben verweerders nagelaten op passende wijze weer te geven op welke gronden die beschuldigingen door klagers werden weerlegd. Oosterdijk was overigens van de reactie van Aerts op de hoogte. Enig ander contact met Groot of de krant is er tot de publicatie van 5 juni 2002 niet geweest.
Ten slotte klagen zij dat het artikel van 22 juni 2002 tot stand is gekomen, zonder dat zij daarin zijn gekend. In dit artikel worden de beschuldigingen van Lakeman uitgebreid herhaald, met zelfs nieuwe beschuldigingen aan het adres van Aerts, en wordt opnieuw niet ingegaan op de argumenten waarmee klagers die beschuldigingen hebben weerlegd. Klagers ervaren deze publicatie dan ook allerminst als ontlastend, integendeel.

Verweerders stellen dat zij, gelet op de reputatie van Sobi en haar voorzitter Lakeman, aan de beschuldigingen van Lakeman c.s. serieus aandacht moesten besteden. Daarbij is voldaan aan het principe van hoor en wederhoor. Groot heeft kennis genomen van de schriftelijke toelichting van Aerts, maar heeft die niet ervaren als de onbetwistbare weerlegging van die beschuldigingen. Volgens verweerders bestond er geen aanleiding de publicatie ingrijpend te wijzigen of daar eventueel van af te zien. Vanwege de journalistieke zorgvuldigheid is nog een derde partij, de stichting Wetenschappelijk Onderzoek Rechterlijke Macht, geconsulteerd, die tot de conclusie kwam dat de beschuldigingen van Lakeman c.s. gefundeerd waren.
Verweerders hebben bovendien in het artikel van 22 juni 2002 aandacht besteed aan de uitspraak van de Kamer van Toezicht te Arnhem, waarin de klacht van Sobi tegen Oosterdijk ongegrond is verklaard. Zij hebben aldus adequaat journalistieke actie ondernomen, hetgeen heeft geleid tot een nagenoeg paginabreed, ontlastend artikel jegens klagers. Voor zover er al aanleiding tot rectificatie mocht zijn geweest met betrekking tot de beschuldiging van Oosterdijk, is die daarmee komen te vervallen, aldus verweerders. Aan Aerts is toegezegd dat de krant de ontwikkelingen met betrekking tot de gerechtelijke procedures nauwgezet zal volgen en daarvan verslag zal doen, zoals ook is gebeurd met de prominent gepubliceerde uitspraak van de Kamer van Toezicht.
Verweerders concluderen dat van onzorgvuldig gedrag geen sprake is en dat geen grenzen van journalistieke oorbaarheid zijn overschreden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel van 5 juni 2002 wordt over Aerts onder meer bericht dat hij in de uitoefening van zijn taak als curator ‘verdacht wordt van zelfverrijking’ en ‘acht ton uit faillissementsboedels’ zou hebben gehaald. Over Oosterdijk wordt vermeld dat hij als notaris een ‘valse akte’ zou hebben opgesteld.

De Raad is van oordeel dat met name deze beschuldigingen een zodanige smet kunnen werpen op klagers als notaris en advocaat-curator, dat verweerders deze niet zonder meer – dat wil zeggen: zonder voorafgaand nader adequaat onderzoek naar de gegrondheid ervan – hadden mogen publiceren. Verweerders hebben het artikel gebaseerd op uitlatingen van Lakeman als voorzitter van de Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie en hebben die uitlatingen voorgelegd aan de stichting Wetenschappelijk Onderzoek Rechterlijke Macht. Terecht hebben klagers gesteld dat verweerders niet aannemelijk hebben gemaakt dat die bronnen zodanig onafhankelijk en ter zake deskundig zijn, dat zij daarop zonder meer mochten afgaan. Derhalve moet worden geconcludeerd dat het artikel van 5 juni 2002 niet is gebaseerd op deugdelijk onderzoek.

Voorts heeft de Raad herhaaldelijk geoordeeld dat een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen - waaronder ook verstaan moeten worden van derden afkomstige verwijten als waarvan hier sprake is - met bijzondere zorgvuldigheid te werk moet gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Voorafgaand aan de publicatie heeft Groot de onder meer door Lakeman geuite kritiek voor commentaar aan klagers voorgelegd. In een schrijven van 15 april 2002 heeft Aerts hierop uitvoerig inhoudelijk gereageerd en heeft hij Groot ter ondersteuning van zijn standpunten voorzien van diverse stukken. Verweerders hebben de reactie van Aerts echter niet dan zeer beperkt weergegeven, met name zonder te vermelden op welke gronden Aerts de geuite beschuldigingen weerspreekt. Verweerders hebben aldus niet op voor de situatie passende wijze toepassing gegeven aan het recht op wederhoor.

Gelet op het voorgaande, is de Raad van oordeel dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is (vgl. onder meer Jacobs tegen Eilanden-Nieuws, RvdJ 2002/32 en Van Heijningen tegen Van Harten en Algemeen Dagblad, RvdJ 2002/11).

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 februari 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, drs. C.M. Buijs en mw. mr. V. Keur, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-04