2003/39 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.A. van Hattem

tegen

K. Schipper en de hoofdredacteur van de Brielsche Courant

Bij brief van 23 februari 2003 met een bijlage heeft M.A. van Hattem te Brielle (klager) een klacht ingediend tegen K. Schipper en de hoofdredacteur van de Brielsche Courant (verweerders). Hierop heeft J. Sieben, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 14 april 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 april 2003. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie met vier bijlagen. Namens verweerders waren voornoemde Sieben en C. Langedoen, eindredacteur, aanwezig. Zij hebben desgevraagd meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de door klager ter zitting overgelegde stukken.

DE FEITEN

Op 20 februari 2003 is in de Brielsche Courant een artikel van de hand van Schipper verschenen onder de kop “Holtrop nieuw hoofd Historisch Museum”. Het artikel gaat over de opvolging van klager als hoofd van het Historisch Museum Den Briel. Het artikel bevat de volgende passages:
Van Hattem die er overigens wel in slaagde het Brielsche museum de status van een officieel geregistreerd museum te bezorgen, stond niet bepaald bekend om zijn flexibiliteit. Hij stond door zijn wat elitaire opstelling soms ook samenwerking met andere minder professionele doch beter lopende musea in de weg.
en
Het schortte Van Hattem vooral aan communicatieve vaardigheden, zo concludeerden andere partijen.
en
Na dat van Minette Albers en Mark van Hattem, breekt nu het tijdperk Holtrop aan. Zou het museum er onder haar leiding eindelijk in slagen om ook buiten het scholencircuit veel bezoekers binnen te halen? De tijd zal het leren.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel ten onrechte negatieve oordelen bevat over zijn functioneren als hoofd van het museum, zonder dat deze zijn beargumenteerd. Verder vindt klager het onzorgvuldig dat verweerders ‘andere partijen’ hebben opgevoerd zonder die met naam te noemen of te citeren. Het meest kwalijk is volgens klager dat hem noch andere genoemde personen gelegenheid tot wederhoor is geboden.
Verder stelt klager dat door de context waarin de beweringen over hem zijn geplaatst – de benoeming van het nieuwe hoofd van het museum – ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat hij wegens onvoldoende functioneren is vertrokken. Hij heeft juist van zijn voormalige werkgever een bonus gekregen wegens ‘buitengewone vervulling van de functie’.
Klager voelt zich door de teneur van het artikel beschadigd. Indien iemand uit de museumwereld het artikel leest zonder kennis van de achtergrond, dan is dat voor hem nadelig. Bovendien is Brielle een kleine gemeenschap, waardoor het artikel daar een grote impact heeft.
Ter zitting wijst klager nog op een ingezonden brief die de Brielse museumcommissie naar aanleiding van het gewraakte artikel heeft gestuurd en die op 27 februari 2003 is geplaatst. Die brief bevat onder meer de passage: “De ondertekenaars, leden van de museumcommissie, herkennen de werkelijke gang van zaken in de geschetste analyse niet. De ondertekenaars betreuren het maken van ongefundeerde verwijten achteraf, aan iemand die zich hiertegen niet kan verweren.

Verweerders stellen dat hetgeen over klager is geschreven een weergave bevat van de werkelijkheid en geen waardeoordeel in zich draagt. Het is nooit hun intentie geweest klager persoonlijk te benadelen. Verweerders willen op journalistieke wijze verwoorden wat zich in de Brielse gemeenschap afspeelt.
Schipper is zeer goed bekend in Brielle en volgt al veel jaren alle gebeurtenissen aldaar. Uit contacten met andere Brielse organisaties en discussies in de commissie Welzijn is in de loop der tijd bij Schipper het beeld over klager ontstaan zoals in het artikel geschetst. De eindredacteur heeft geen aanleiding gezien het geschrevene anders te interpreteren en heeft wederhoor niet noodzakelijk geacht.
Verweerders betreuren dat klager na de publicatie geen contact heeft gezocht met Schipper, die hij kent uit de samenwerking rond het museumperiodiek. Uit dat contact had wellicht het door klager gewenste wederhoor kunnen ontstaan.
Ter zitting voegt Sieben hier nog aan toe zich wel enigszins te kunnen voorstellen dat klager bezwaar heeft tegen de publicatie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel wordt over klager opgemerkt dat hij ‘niet bepaald bekend stond om zijn flexibiliteit’ en dat hij ‘door zijn wat elitaire opstelling soms ook samenwerking met andere minder professionele doch beter lopende musea in de weg stond’. Verder wordt over hem vermeld: “Het schortte Van Hattem vooral aan communicatieve vaardigheden, zo concludeerden andere partijen.” Deze oordelen diskwalificeren klager onmiskenbaar.

Naar verweerders stellen, berusten de hiervoor vermelde oordelen over klager op dat wat Schipper heeft afgeleid uit hetgeen hem uit contacten met andere Brielse organisaties bekend is geworden. In het artikel is dit kortweg onder woorden gebracht met "(...) zo concludeerden andere partijen". Het gaat dus niet om eigen opvattingen van Schipper. Bij een dergelijke wijze van berichtgeving behoeft een journalist in het algemeen niet de feitelijke juistheid van de verhalen zélf aan te tonen. Hij dient echter wel voldoende aannemelijk te maken dat de verhalen waarop hij zich zegt te baseren ook daadwerkelijk circuleren (vgl. onder meer: Hippisch Centrum Exloo tegen Stegen, RvdJ 2001/28). Dat is hier niet gebeurd. Verweerders hebben bovendien nagelaten klager in de gelegenheid te stellen zijn visie te geven op hetgeen in negatieve zin over hem is geschreven. Door deze handelwijze hebben verweerders grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Brielsche Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juni 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. C.M. Buijs, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-39