2003/38 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Algra

tegen

H. Graafland en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 16 december 2002 met vijf bijlagen heeft H. Algra te Zoetermeer (klaagster) een klacht ingediend tegen H. Graafland en de hoofdredacteur van de Volkskrant (verweerders). Hierop heeft Graafland gereageerd in een brief van 23 januari 2003 met drie bijlagen. P. Broertjes, hoofdredacteur, heeft op de klacht gereageerd in een schrijven van 24 januari 2003. Klaagster is op de reacties van Graafland en Broertjes in gegaan in brieven van 5 februari 2003, met een bijlage, en 10 februari 2003. Ten slotte heeft Graafland haar standpunt nog nader toegelicht bij brief van 3 maart 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 maart 2003. Klaagster is daar verschenen. Aan de zijde van verweerders waren Graafland, B. van Beukering, chef van het Volkskrant Magazine, en A. Erdogan, coördinator van het Volkskrant Magazine, aanwezig.

DE FEITEN

In het Volkskrant Magazine van 2 november 2002 is een artikel van de hand van Graafland verschenen onder de kop “Comeback van de borst”. Op de omslag van het magazine wordt het artikel aangekondigd met de tekst “Moedermelk moet! Ook als mama niet wil”. De intro van het artikel luidt:
77 procent van de moeders begint na de bevalling met borstvoeding, een stijgend percentage. Maar als moeder niet wil stuit ze vaak op onbegrip en wordt ze veroordeeld: ‘Geef jij de fles? Belachelijk.’
In het artikel worden voor- en nadelen van het geven van borstvoeding besproken. Onder meer wordt aandacht besteed aan een bijeenkomst van de Vereniging Borstvoeding Natuurlijk, en daar aanwezige ‘lang- en tandemvoedsters’: vrouwen die langdurig borstvoeding geven respectievelijk vrouwen die tegelijkertijd meer dan één kind borstvoeding geven. Diverse moeders, onder wie klaagster, worden aan het woord gelaten. Daarnaast bevat het artikel citaten van een lactatiekundige. In een kader zijn ‘tien nadelen van borstvoeding’ opgesomd. Klaagsters naam en de namen van haar kinderen zijn in het artikel vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat zij op 21 augustus 2001 een e-mailbericht van Graafland heeft ontvangen, waarin zij aankondigde aanwezig te zijn tijdens de bijeenkomst van de Vereniging Borstvoeding Natuurlijk. In het bericht heeft Graafland aanwezigen opgeroepen om mee te werken aan een artikel. Graafland heeft klaagsters vertrouwen gewekt doordat zij in de oproep aangaf zelf langvoedster te zijn en een artikel te willen schrijven dat mensen zou informeren over de positieve kanten van borstvoeding. Vervolgens heeft klaagster Graafland in een telefonisch interview verteld over haar ervaringen met tandemvoeden. Zij hoopte dat door publicatie van een informatief artikel lang- en tandemvoeden als minder vreemd zouden worden gezien en daardoor minder afwijzende reacties zouden oproepen.
Tijdens het interview heeft zij Graafland gevraagd of zij het artikel voor publicatie mocht lezen. Verder heeft zij toestemming gegeven haar naam en die van haar kinderen te vermelden, als dat in de lijn van het artikel zou liggen en andere geïnterviewden dat ook zouden doen. Graafland heeft hiermee ingestemd, aldus klaagster.
Ruim een jaar later, op 20 oktober 2002, ontving klaagster per e-mail het bericht van Graafland dat het artikel binnen één of twee weken zou worden geplaatst. Klaagster betreurde het dat zij, ondanks de gemaakte afspraken, niet het volledige artikel te lezen kreeg maar alleen de alinea waarin zij zelf aan het woord werd gelaten. In haar reactie aan Graafland van 21 oktober 2002 heeft zij dat niet gemeld, omdat zij ervan uitging dat het citaat in een positief artikel zou zijn ingebed. Om diezelfde reden liet zij weten dat zij geen bezwaar zou maken als een door haar gewenste wijziging niet verwerkt kon worden. Zij had uit de e-mail van Graafland begrepen dat het artikel al bij de redactie lag en dat er geen wijzigingen meer konden worden aangebracht. In haar e-mail schreef Graafland immers: “Ik had het netter gevonden je van te voren te kunnen inlichten, maar ikzelf werd ook overvallen door de uiteindelijk snelle afwikkeling door VK magazine. (…) Ik hoop dus maar dat je geen bezwaar hebt jezelf terug te zien in het artikel. Voor de volledigheid hier jouw passage uit het stuk (wijzigingen van VK zelf voorbehouden).” Op grond van de formulering in het bericht van Graafland ging klaagster er bovendien van uit dat ook de namen van de andere geïnterviewden in het artikel zouden zijn genoemd. Achteraf blijkt dat niet waar te zijn. Klaagster vindt het overigens onvoorstelbaar dat Graafland haar niet eerder heeft kunnen bereiken, zoals Graafland in haar e-mail schrijft.
Op 29 oktober 2002 ontving klaagster opnieuw een e-mailbericht van Graafland. Daarin maakte zij de verschijning van het definitieve artikel bekend. Verder deelde Graafland mee dat de redactie enkele dingen had gewijzigd en dat zij zich distantieerde van de termen ‘borstvoedingsbelievers’ en ‘moedermelkmaffia’, die de redactie van het Volkskrant Magazine had toegevoegd.
Toen klaagster het artikel las, kreeg zij spijt dat zij eraan had meegewerkt. Zij meent dat Graafland haar heeft misleid door de suggestie te wekken dat het een positief artikel zou worden. Achteraf bleek dat Graafland een neutraal artikel wilde publiceren, dat beide kanten van de zaak belichtte. Klaagster zou geen bezwaar hebben gehad als het artikel uiteindelijk neutraal zou zijn geworden, al had zij het beter gevonden als Graafland dat destijds in haar oproep had vermeld. Er is echter een negatief artikel gepubliceerd. Dit blijkt volgens klaagster onder meer uit het gebruik van de term ‘moedermelkmaffia’, waardoor ten onrechte de indruk wordt gewekt dat het artikel gaat over vrouwen die nietsontziend anderen hun wil proberen op te leggen. Daarvan is echter helemaal geen sprake. Blijkens de e-mail van Graafland van 29 oktober 2002 heeft de redactie van het Volkskrant Magazine kennelijk ook een negatief stuk, ‘de borstvoeding-cultus slaat door’, beoogd. Ook uit de tekst op de omslag blijkt dat de kern van het artikel negatief is. Verder wijst klaagster erop dat het artikel eindigt met negatieve ervaringen van vrouwen met het geven van borstvoeding, waardoor een negatieve teneur bij de lezer blijft hangen. Klaagster stelt dat zij veel negatieve reacties op het artikel heeft ontvangen en dat ook Graafland blijkens een e-mailbericht van 6 november 2002 heeft gemerkt dat het artikel veel negatieve reacties heeft opgeroepen.
Klaagster concludeert dat zij onder valse voorwendselen is uitgenodigd om mee te werken aan een interview. Dit is de kern van haar klacht. Graafland heeft zich voorts niet gehouden aan gemaakte afspraken. Bovendien hebben Graafland en de redactie van het Volkskrant Magazine het artikel zodanig bewerkt dat dit negatieve gevolgen heeft voor de persoonlijke levenssfeer van klaagster en haar gezin. Graafland had kunnen weten dat klaagster geen toestemming zou hebben gegeven voor de publicatie van het interview, nu zij en haar kinderen in één adem zijn genoemd met de ‘moedermelkmaffia’. Klaagster meent dat verweerders haar in de gelegenheid hadden moeten stellen om het hele artikel vooraf te lezen en op grond daarvan te besluiten of zij nog geciteerd wilde worden. Als dat niet mogelijk was geweest hadden verweerders klaagster in ieder geval de gelegenheid moeten bieden dat zij onder een pseudoniem geciteerd zou worden.

Graafland stelt dat er nooit een afspraak is gemaakt over het vooraf inzien van het (hele) artikel. Voorafgaand aan de publicatie heeft zij drie keer contact gehad met klaagster: twee keer per e-mail en eenmaal telefonisch. Bij geen van die gelegenheden heeft klaagster laten blijken dat zij het artikel voor publicatie wilde inzien. Volgens Graafland noteert zij het altijd, als een geïnterviewde inzage vooraf wenst. Bij haar aantekeningen over klaagster staat daarover niets vermeld. Overigens heeft klaagster in de e-mails die zij na publicatie aan Graafland heeft gestuurd met geen woord gerept over schending van afspraken.
Desondanks heeft zij klaagster de alinea waarin zij onder eigen naam wordt geciteerd voorafgaand aan publicatie voorgelegd. In haar reactie van 21 oktober 2002 schrijft klaagster “Ik moet je eerlijk bekennen dat ik me niets meer van het hele gesprek kan herinneren, zelfs niet dat het heeft plaatsgevonden. Maar het is prima dat het er in komt.
Graafland betwist dat zij klaagster onder ‘valse voorwendselen’ ertoe zou hebben bewogen mee te werken aan een interview in het kader van een positief artikel, terwijl dat uiteindelijk negatief is uitgevallen. Uit haar e-mailbericht van 21 augustus 2001 wordt duidelijk wat zij met het begrip ‘positief’ heeft bedoeld: “Er wordt wel meer over borstvoeding geschreven en dan meestal in de trant van ‘het gaat zo slecht met borstvoeding in Nederland en waar ligt dat nou aan?’ In mijn artikel ga ik de positieve kant nu eens benadrukken: wat gebeurt er wel.” In dat bericht heeft zij ook opgesomd welke gebeurtenissen, verschijnselen en personen zij in het artikel wilde beschrijven. Alle genoemde onderwerpen en personen zijn in het artikel aan bod gekomen. Graafland wijst op het e-mailbericht van 6 november 2002 dat klaagster naar aanleiding van de publicatie aan haar heeft gestuurd. Daarin heeft klaagster laten weten dat zij het eerste gedeelte van het artikel, waarin zij zelf voorkomt, als positief beschouwt. Ook de geciteerde lactatiedeskundige was tevreden met het artikel en heeft veel positieve reacties ontvangen. Volgens Graafland is het artikel in overeenstemming met wat zij vooraf heeft aangekondigd.
Wat betreft het vermelden van klaagsters naam stelt Graafland dat klaagster toestemming heeft gegeven die te gebruiken als dat ‘in de lijn van het artikel’ lag. Dat was volgens Graafland het geval. Zes personen zijn onder naam opgevoerd, van wie twee onder pseudoniem.
Verder is onjuist dat klaagster voor de publicatie geen wijzigingen heeft kunnen voorstellen, zoals zij stelt. Graafland heeft dat nooit gezegd, geschreven of gesuggereerd. Op 22 oktober 2002 heeft zij nog met klaagster gesproken, een datum waarop nog wijzigingen in de tekst mogelijk waren geweest. Als klaagster onder pseudoniem opgevoerd had willen worden, had dat op dat moment nog gekund. Zij heeft dat echter niet gevraagd, en ook in haar e-mails –waaronder die na publicatie - heeft zij nooit over een pseudoniem gerept.
Graafland stelt dat zij zich tegen een aantal wijzigingen van de eindredactie van het Volkskrant Magazine heeft verzet. Het ging haar vooral om het gebruik van de termen ‘moedermelkmaffia’ en ‘borstvoedingsbelievers’, het wijzigen van passages over wetenschappelijkheden en om het terugdraaien van een aantal feitelijke onjuistheden die de redactie zelf in het stuk had opgenomen. Op 24 oktober 2002 heeft Graafland hierover telefonisch contact gehad met een eindredacteur, en zij ging ervan uit dat deze haar bezwaren ter harte zou nemen. Omdat zij vervolgens niets meer van de redactie vernam, heeft zij op 28 oktober 2002 telefonisch verzocht het artikel opnieuw per e-mail aan haar te sturen. Daarop werd haar meegedeeld dat wijzigingen niet meer mogelijk waren en dat zij het artikel dus alleen ter kennisname zou ontvangen. Bij ontvangst constateerde Graafland dat de termen ‘moedermelkmaffia’ en ‘borstvoedingsbelievers’ waren blijven staan. Zij heeft toen nogmaals gebeld en kreeg wederom nul op het rekest.
Ter zitting voegt Graafland hieraan toe, dat zij geen afstand neemt van de tekst en het hele artikel (mede) voor haar rekening neemt.

Broertjes stelt dat de redactie heeft geprobeerd in samenspraak met Graafland, nadat zij haar artikel voor publicatie had aangeboden, meer journalistiek reliëf aan te brengen in het stuk. Naar de mening van de chef en de eindredactie van het Volkskrant Magazine bood het verhaal in eerste instantie een te eenzijdig positief beeld over de wenselijkheid van (langdurige) borstvoeding. Ook de keerzijde van het fenomeen moest aan bod komen, waardoor de schijn van vooringenomenheid kon worden voorkomen.
De door de redactie beoogde versie is voorgelegd aan Graafland, die daarmee akkoord is gegaan. Daarbij heeft zij wel haar teleurstelling uitgesproken over het feit dat termen als ‘moedermelkmaffia’ door de redactie waren toegevoegd. Die toevoeging heeft plaatsgevonden op grond van de eerder genoemde journalistieke overwegingen, alleen in de redactionele tekst en in een algemene context, zonder dit toe te schrijven aan één van de in het artikel genoemde bronnen.
Pas achteraf is hem bekend geworden dat Graafland zich bij haar bronnen had gepresenteerd als langvoedster die een ‘positief’ verhaal over borstvoeding wilde schrijven. De visie van Graafland speelde echter geen rol meer, omdat het artikel uiteindelijk volgens journalistieke criteria en met toestemming van Graafland is aangepast.
Wat betreft de stelling van klaagster dat Graafland afspraken heeft geschonden over naamsvermelding en inzage vooraf, stelt Broertjes dat de redactie zich er bij Graafland van heeft vergewist dat zij wat dat betreft correct had gehandeld. Pas nadat volgens Graafland in dat opzicht de verplichtingen waren nagekomen, is tot publicatie overgegaan. Ten overvloede voegt Broertjes daaraan toe dat wat hem betreft geldt: bronnen mogen altijd de passages lezen waarin zij worden geciteerd en hebben te allen tijde het recht aan te geven welke delen feitelijk onjuist zijn.
Niets anders is beoogd dan een journalistiek afgewogen artikel over het fenomeen borstvoeding. Dat klaagster zich niet kan vinden in het uiteindelijke verhaal is jammer, maar kon bij de overwegingen geen rol spelen. Door de redactie is goed bekeken en gewogen of in het verhaal opgenomen bronnen buitenproportioneel schade zou worden berokken door publicatie. Dat was niet het geval, aldus Broertjes.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht spitst zich toe op de vraag of sprake is van onzorgvuldige journalistiek, indien een citaat van een geïnterviewde wordt gebruikt in een andere context dan die geïnterviewde mocht verwachten op grond van hetgeen hem door de interviewer is meegedeeld. De Raad is van oordeel dat dat inderdaad het geval is: de geïnterviewde mag zélf beslissen aan wat voor publicatie hij meewerkt. Dit betekent dat een geïnterviewde opnieuw moet worden gevraagd of hij ermee instemt dat zijn uitlatingen worden gepubliceerd, indien de aard of inhoud van de publicatie gaande ‘het productieproces’ zozeer wordt gewijzigd dat niet meer wordt voldaan aan dat wat de geïnterviewde mocht verwachten. Indien de journalist nalaat die hernieuwde toestemming te vragen, handelt hij in beginsel in strijd met hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

Klaagster heeft gesteld dat zij haar medewerking aan de publicatie heeft verleend, omdat Graafland heeft gesuggereerd dat het een positief artikel over borstvoeding zou betreffen. In haar e-mail van 21 augustus 2001, waarin Graafland vrouwen oproept hun verhalen aan haar te vertellen, schrijft zij onder meer: “A.s. zondag 26 augustus zal ik op de bijeenkomst in Rotterdam (van de Vereniging Borstvoeding Natuurlijk) aanwezig zijn. Dit niet alleen omdat ik zelf langvoedende moeder ben, maar ook omdat ik, als journalist, een artikel ga schrijven over (de positieve kanten van) borstvoeden.” Ook uit hetgeen door de hoofdredacteur van de Volkskrant naar voren is gebracht, blijkt dat Graafland zich had voorgenomen een duidelijk positief artikel te schrijven. Ter zitting heeft Graafland erkend dat de chef en coördinator van het Volkskrant Magazine haar in hun eerste gesprek hebben meegedeeld, dat het artikel te eenzijdig (positief) was en dat ook de nadelen van borstvoeding in het stuk tot uitdrukking moesten worden gebracht. Graafland heeft om die reden wijzigingen aangebracht en een tweede versie ingediend.
Hieruit volgt dat klaagster ervan mocht uitgaan dat zij haar medewerking verleende aan een onmiskenbaar positief artikel. Met klaagster is de Raad van oordeel dat het artikel niet aan die verwachting voldoet, niet alleen omdat ook negatieve aspecten van borstvoeding zijn belicht maar ook en vooral omdat deze – getuige onder meer de tekst op de omslag van het magazine en in het kader ‘tien nadelen van borstvoeding’ – een geenszins onbeduidende plaats in het geheel innemen.
Graafland heeft klaagster niet opnieuw toestemming gevraagd haar uitlatingen te mogen publiceren toen haar in het gesprek met de chef en coördinator van het Volkskrant Magazine duidelijk was geworden dat zij de inhoud van het artikel – in ieder geval voor klaagster: in belangrijke mate – diende te wijzigen. Door dit na te laten heeft Graafland de hiervoor geformuleerde norm geschonden. De klacht is derhalve gegrond.

De hoofdredacteur van de Volkskrant is (mede) voor de publicatie verantwoordelijk, zodat het verwijt ook hem treft.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juni 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, mw. drs. J.W.M. Kok en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-38