2003/36 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X en Y

tegen

de hoofdredacteur van de Stichtse Courant

In een brief van 10 februari 2003 met twee bijlagen hebben X en Y een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Stichtse Courant (verweerder). Bij brief van 24 februari 2003 met een bijlage hebben J.J.M. de Beer, redacteur en G.H. de Jong, directeur van uitgeverij De Jong Driebergen B.V., namens verweerder op de klacht gereageerd. Bij brief van 6 maart 2003 hebben klagers nog een zestal bijlagen aan de Raad toegezonden. Namens verweerder is nader gereageerd in een brief die per abuis eveneens op 24 februari 2003 is gedateerd. Deze is ontvangen door de Raad op 26 maart 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 april 2003. Namens klagers is verschenen Y, namens verweerder J.J.M. de Beer en G.H. de Jong.

DE FEITEN

Klagers zijn beiden huisarts en voeren samen een huisartsenpraktijk in Driebergen. In 2002 is door een patiënte aangifte gedaan van ontucht door X. Naar aanleiding daarvan heeft X zijn werkzaamheden als huisarts moeten neerleggen in afwachting van de behandeling van de strafzaak. De zaak diende op 16 januari 2003 voor de rechtbank te Utrecht en de uitspraak vond plaats op 30 januari 2003.

Het Utrechts Nieuwsblad heeft op 17 januari 2003 in een van de lokale katernen verslag gedaan van de rechtszitting.

Op 23 januari 2003 heeft verweerder een artikel geplaatst onder de kop “Wij garanderen dat de patiënten niet de dupe worden van deze zaak”. Het artikel bevat een interview met Groenewegen, voorzitter van de Huisartsengroep Driebergen. Daarin zijn onder meer de volgende passages opgenomen:
(…) Geëist werd door de officier van justitie dat de betreffende arts drie jaar lang zijn vak niet mag uitoefenen; op 30 januari doet de rechtbank uitspraak. (…)
“De patiënten mogen niet de dupe worden van deze zaak”, zegt hij
(Groenewegen) “we willen geen oordeel vellen in deze kwestie, maar wat een collega doet mag nooit ten koste gaan van de patiëntenzorg. Wat de uitspraak van de rechtbank ook zal zijn, als huisartsengroep garanderen wij dat de zorg voor de patiënten gecontinueerd wordt”.
De huisartsengroep heeft geconstateerd dat er aanvankelijk vooral ongeloof heerste over de aanhouding van de arts. Maar na de rechtszitting en de publicatie in het UN zijn mensen anders gaan reageren. Het ongeloof is omgeslagen in verontwaardiging. Aanvankelijk werd er steun aan de aangehouden arts uitgesproken en klonken er reacties als ‘het zal wel meevallen’. “Mensen gaan in zo’n uitzonderlijk geval natuurlijk op zoek naar een verklaring” zegt Groenewegen “en ze vragen zich bijvoorbeeld af: is het uitgelokt door de patiënt?” Hij benadrukt dat van dit laatste beslist geen sprake was: “Het initiatief voor de gebeurtenissen lag absoluut niet bij de patiënt, daar is geen misverstand over” zegt hij ”primair voor ons als huisartsengroep is dan ook: de toestand van het slachtoffer in deze zaak en de continuïteit van de patiëntenzorg.”
De toegenomen onrust na de rechtszitting van vorige week, zou er volgens de huisartsengroep toe kunnen leiden dat patiënten van arts willen veranderen. “Als mensen dat overwegen, hoeven ze niet bang te zijn dat ze niet opgevangen worden” zegt Groenewegen “wij zullen voorkomen dat mensen tussen de wal en het schip terechtkomen”. (…)

Klagers hebben nog diezelfde dag telefonisch contact met verweerder opgenomen om hun beklag te doen over deze berichtgeving. Hen werd meegedeeld dat zij konden reageren als zij dat wilden. Zij hebben dat niet gedaan. Wel hebben verschillende patiënten van klagers ingezonden brieven aan verweerder gezonden, met een afschrift aan klagers.

Op 30 januari 2003 heeft verweerder een “Verklaring van de Redactie” gepubliceerd, waarin onder meer is vermeld:
Naar aanleiding van het hoofdartikel dat deze krant vorige week plaatste onder de kop ‘Wij garanderen dat de patiënten niet de dupe worden van deze zaak’, zijn diverse schriftelijke reacties van lezers binnengekomen. Hoewel de redactie van de Stichtse Courant altijd de beleidslijn hanteert dat iedere mening (mits volgens de geldende fatsoensnormen verwoord) in de krant geplaatst kan worden, is nu na rijp beraad toch besloten om deze ingezonden brieven niet te publiceren. De redenen hiervoor zijn de volgende.
Gezien de strekking van de betreffende brieven bestaat het gevaar dat er een kettingreactie van ‘pro- en contra’-meningen op gang komt, die tot een complete mediadiscussie zou kunnen leiden. De redactie acht dit, vanwege de aard van het onderwerp, zeer ongewenst. (…)
De redactie (…) onderstreept nog eens dat het artikel geenszins tot doel had ‘sensationeel’ te zijn. Integendeel: de Stichtse koos er voor om deze zaak, die in dit dorp zoveel stof heeft doen opwaaien, te benaderen in overleg met de Driebergse huisartsen. Met nadruk wordt hier dan ook nog eens gemeld dat de voorzitter tijdens het interview het standpunt van de gehele huisartsengroep vertegenwoordigde.

Aan de op 30 januari 2003 door de rechtbank gedane uitspraak, die relatief gunstig was voor X, is door verweerder geen aandacht besteed.

X heeft inmiddels de uitoefening van zijn praktijk hervat. Gedurende de periode waarin hij zijn vak niet mocht uitoefenen, heeft Y de huisartsenpraktijk volledig draaiende gehouden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Zij zijn in hun belangen geschaad, nu zowel het artikel van 23 januari 2003 als de verklaring van de redactie van 30 januari 2003 doen voorkomen alsof zij tekort zijn geschoten in hun patiëntenzorg. Dit terwijl Y, tot volle tevredenheid van de patiënten, de praktijk volledig draaiende heeft gehouden en dit zonodig nog lange tijd had kunnen blijven doen.
De huisartsen in Driebergen zijn volgens klagers sterk verdeeld. Groenewegen heeft voor de praktijk van klagers zeer negatieve uitspraken gedaan, welke ertoe hebben geleid dat patiënten uit de praktijk zijn vertrokken. Tot op dat moment was dat nauwelijks het geval geweest. Verweerder had er niet van uit mogen gaan dat Groenewegen zonder meer namens alle huisartsen in Driebergen – waar zij immers ook toe behoren – sprak of kon spreken, maar had wederhoor moeten toepassen. Niet alleen zijn klagers niet gehoord, maar ook hun patiënten niet. Toen een aantal van hun patiënten met ingezonden brieven reageerde op het artikel van 23 januari, heeft verweerder ten onrechte deze niet geplaatst en de ‘discussie’ eenzijdig gesloten. Dit terwijl klagers naar aanleiding van de – hen in kopie toegezonden – ingezonden brieven van patiënten hadden besloten niet ook zelf te reageren. Gelet op de voor hen positieve inhoud van de brieven, vonden klagers het sterker overkomen wanneer de reactie in de krant beperkt bleef tot die van de patiënten. Tot slot stellen klagers dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door niet tevens aandacht te besteden aan de voor X relatief gunstige uitspraak van de rechter.

Verweerder stelt dat in Driebergen onrust was ontstaan door de publicatie van 17 januari 2003 in het Utrechts Nieuwsblad. Dit werd hem bevestigd door de voorzitter van de Huisartsengroep Driebergen, die had geconstateerd dat patiënten uit de praktijk van klagers zich bij andere huisartsen hadden aangemeld en dat patiënten van andere artsen bezorgd waren over de waarneming bij afwezigheid van hun eigen arts. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder besloten een artikel te schrijven over de continuïteit van de patiëntenzorg, in de vorm van een interview met de voorzitter van de Huisartsengroep Driebergen. Doel van het artikel was het wegnemen van de onrust door informatie te verschaffen over de patiëntenzorg. Het artikel had volgens verweerder uitdrukkelijk niet tot doel een oordeel te vellen in deze kwestie, noch over de aanhouding van X, noch over een mogelijk tekortschieten van hem en zijn echtgenote in de zorg voor de patiënten. Door dit doel en door de nadruk die is gelegd op de patiëntenzorg in het algemeen, was wederhoor niet van toepassing, aldus verweerder. Het nadien voorkomen van een discussie in de media was volgens hem in ieders belang, ook dat van klagers. Verweerder stelt dat hij met het niet-publiceren van de uitspraak van de rechtbank heeft gehandeld in overeenstemming met de steeds gevolgde lijn: ook aan de rechtszitting waarbij de eis werd uitgesproken heeft verweerder immers geen publicatie gewijd en het artikel van 23 januari 2003 had slechts als hoofdonderwerp de algemene patiëntenzorg in Driebergen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor het artikel van 23 januari 2003 kon verweerder niet volstaan met het interviewen van Groenewegen. Het artikel behelst meer dan uitsluitend ‘de algemene patiëntenzorg’ in Driebergen. Zo heeft Groenewegen zich uitgelaten over de vraag bij wie het initiatief voor de gebeurtenissen lag (“absoluut niet bij de patiënt”), is in het artikel melding gemaakt van de eis van de officier van justitie tegen X en is de suggestie gewekt dat de continuïteit van de zorg voor patiënten uit de praktijk van klagers mogelijk problematisch was. Dat Y al enkele maanden de volledige praktijk draaide, is niet vermeld. Ten onrechte is aldus een zeer eenzijdig beeld geschetst. Verweerder mocht onder de gegeven omstandigheden er niet zonder meer van uitgaan dat Groenewegen het standpunt van alle Driebergse huisartsen, waartoe ook klagers behoren, verwoordde. Hij had, alvorens dit artikel te publiceren, een weerwoord van klagers behoren te vragen.

Een redactie heeft in beginsel de vrijheid een reactie van (een) lezer(s) op een artikel of ingezonden brief niet te plaatsen (vgl. onder meer: Bosman/Dros en Trouw, RvdJ 2002/01 en Gremmen/De Telegraaf, RvdJ 2001/42). Onder de gegeven omstandigheden heeft echter het niet plaatsen van de door patiënten van klagers ingezonden brieven, bijgedragen aan de instandhouding van het eenzijdige beeld van de gerezen situatie. Datzelfde geldt voor het niet publiceren van de uitspraak van de rechtbank, nadat wel de eis van de officier van justitie in het artikel van 23 januari was vermeld.

Door het zonder wederhoor publiceren van het artikel van 23 januari 2003 en door vervolgens, toen dat tot reacties leidde, deze niet te publiceren en daardoor de mogelijkheid onbenut te laten om het eenzijdige beeld van de situatie te nuanceren, heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Stichtse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 juni 2003 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, prof.dr. mr. B. de Gaay Fortman, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2003-36