2003/35 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Turks-Islamitische Culturele Stichting

tegen

vereniging de Evangelische Omroep

Bij klaagschrift van 31 december 2002 heeft mr. M.N.R. Nasrullah namens de Turks-Islamitische Culturele Stichting te Den Haag (klaagster), een klacht ingediend tegen de vereniging de Evangelische Omroep, gevestigd te Hilversum (verweerster). Namens verweerster heeft haar hoofd juridische zaken en mediabeleid, mr. G. Rietkerk, bij brief van 28 januari 2003 – met bijgevoegd een videoband van na te noemen uitzending – op de klacht gereageerd. Klaagster en verweerster hebben bij brieven van 27 februari 2003 en 12 maart 2003 van respectievelijk mr. Nasrullah en mr. Rietkerk hun standpunten nader toegelicht.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 april 2003. Namens klaagster waren aanwezig de heren Ahgun, Arduclu, Billici, H. Cetinkaya en T. Cetinkaya, bijgestaan door mr. P. Lobato. Verweerster is niet verschenen.

DE FEITEN

Verweerster heeft in het programma Knevel op Zaterdag van 2 november 2002 aandacht besteed aan onder meer de organisatie van klaagster. De reportage heeft een lengte van circa elf minuten en bevat op enkele punten commentaar van E. Zurcher, turkoloog. In de reportage worden enkele malen angstwekkende beelden van wolven getoond.

In de reportage wordt een beeld geschetst van de Turkse Grijze Wolven, als zijnde een extreem nationalistische en gewelddadige politieke beweging, die geld verdient met de handel in wapens, drugs en mensensmokkel en die in Turkije is verboden. Verteld wordt dat de Grijze Wolven, die gelieerd zijn aan de Turkse MHP, in Nederland opereren via mantelorganisaties als de Turkse Federatie Nederland (TFN). Deze federatie is, zo wordt gesteld, op papier een culturele organisatie, maar heeft als doelstelling de eigen Turkse identiteit en raszuiverheid te bewaren.

De reportage stelt aan de orde dat in diverse Nederlandse gemeenten stichtingen die aan de Grijze Wolven zijn verbonden, subsidie ontvangen ter bevordering van de integratie. Gewezen wordt op het in 1997 verschenen boek van Ülger en Braam over de Grijze Wolven.

De redactie heeft, zo wordt in de reportage gezegd, onderzocht of er in Den Haag nog organisaties zijn die én overheidssubsidie krijgen én bij de TFN horen. Daarop wordt een fax van de gemeente Den Haag getoond waaruit blijkt dat klaagster € 4.500,= aan subsidie ontvangt. Aansluitend wordt een in het Turks gevoerd telefoongesprek uitgezonden, waarin namens klaagster desgevraagd wordt bevestigd dat klaagster is aangesloten bij TFN. Verweerster heeft zich in dit telefoongesprek voorgedaan als zijnde van TV 8, een Turks tv-station.

Dan volgen beelden welke zijn opgenomen in het pand van klaagster. Verweerster heeft daartoe gebruik gemaakt van beelden die met een verborgen camera zijn opgenomen. Deze zijn gemaakt toen verweerster met een verzonnen verhaal – het verzamelen van materiaal voor een spreekbeurt die een dochter op school zou houden – in het pand was toegelaten. Bij de getoonde beelden uit het pand van klaagster wordt in een voice-over gewezen op een daar hangende poster van de Grijze Wolven, een foto van de oprichter van de Grijze Wolven, een prikbord met nieuws over de Grijze Wolven en een vitrinekast met – aldus de voice-over – allerlei koopwaar over de Grijze Wolven. Als voorbeeld worden een boek en een vaantje met Grijze Wolven getoond. De in beeld zijnde vertegenwoordiger van klaagster zegt: “ik adviseer dat ze dit niet meeneemt naar school”.

Vervolgens is in de reportage vermeld dat de woordvoerder van klaagster een interview voor de camera weigert, dat klaagster ontkent lid te zijn van TFN en dat zij ontkent spullen van de Grijze Wolven te verkopen. Ook na de mededeling dat beelden met een verborgen camera zijn gemaakt, wordt een interview geweigerd. Vermeld wordt dat ook de gemeente Den Haag weigert voor de camera te reageren. Tot slot zijn in de reportage enkele politici opgevoerd, die stellen zich zorgen te maken over de onjuiste besteding van overheidsgeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de grenzen van de journalistieke verantwoordelijkheid zijn overschreden. Er is sprake van onevenwichtige, misleidende en suggestieve berichtgeving. Er zijn beelden vertoond die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid, doordat bij het opnemen daarvan een ander scenario werd voorgewend en de beelden in een onjuiste context zijn geplaatst. Een en ander geeft volgens klaagster blijk van een kritiekloze weergave van vooroordelen en misleidt het grote publiek. Klaagster stelt dat zij in het algemeen informatie over de Turkse geschiedenis en organisaties kan verschaffen en dat zij in haar vitrinekast materiaal voorhanden heeft van diverse Turkse organisaties, niet alleen van de Grijze Wolven.
Voorts klaagt klaagster over het feit dat de journalist zijn hoedanigheid en identiteit niet van tevoren heeft kenbaar gemaakt. Ook het beginsel van hoor en wederhoor is volgens klaagster niet, althans onvoldoende toegepast. Verweerster had klaagster expliciet met haar ernstige beschuldigingen moeten confronteren alvorens deze in de uitzending te verwerken. Als klaagster had geweten waar verweerster mee bezig was, had zij niet de mogelijkheid van een interview afgewezen. Doordat verweerster haar niet met open vizier tegemoet trad, waren de verhoudingen al snel verstoord. De vertegenwoordigers van klaagster zijn leken en hadden op verantwoorde wijze moeten worden ingelicht over waar het hier om ging.
Tot slot wijst klaagster er op dat zij door de uitzending in een kwaad daglicht is komen te staan. Contacten met Nederlandse organisaties lopen plotseling minder soepel en klaagster heeft te maken gekregen met agressie. Door onbekenden is brand gesticht in het pand van klaagster.

Verweerster stelt dat zij, naar aanleiding van het maatschappelijk debat over integratie, zich de vraag heeft gesteld of Nederlandse gemeenten anno 2002 subsidie verstrekken aan Turkse stichtingen die ideeën uitdragen die de integratie van Turken in de samenleving tegenwerken. Ter beantwoording van deze vraag heeft zij uitgebreid deskresearch verricht. Uit verschillende bronnen kwam het verband tussen de MHP, de Grijze Wolven, de TFN en de daarbij aangesloten stichtingen naar voren. De research is steeds meer afgebakend en is uiteindelijk toegespitst op de organisatie van klaagster. Pogingen om klaagster als Nederlandse journalist met open vizier tegemoet te treden, zijn alle gestrand op onwil van klaagster om enige openheid van zaken te geven. Daarop heeft M. Ülger, die intussen door verweerster bij de research was ingeschakeld, telefonisch contact opgenomen met klaagster en met de TFN. Hij heeft zich gepresenteerd als Turkse journalist van het Turkse station TV 8, hetgeen direct erkenning opleverde van banden tussen klaagster en de TFN. Dit feit heeft verweerster doen besluiten tot het maken van opnamen met de verborgen camera. Zij stelt dat sprake was van bijzondere omstandigheden die rechtvaardiging opleverden om klaagster niet met open vizier tegemoet te treden. Er was sprake van een journalistiek belang in de zin van nieuwswaarde, er was een zwaarwegend algemeen belang en er waren geen andere mogelijkheden om achter de feiten te komen. Verweerster meent bovendien dat zij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht. Zo is de identiteit van de journalist niet verder verhuld dan nodig was. Na het maken van de opnamen met de verborgen camera is klaagster tot tweemaal toe – en na mededeling van het feit dat opnamen waren gemaakt – opnieuw in de gelegenheid gesteld te reageren en in een interview haar verhaal te doen. Klaagster heeft dit van de hand gewezen, zodat het verwijt dat geen wederhoor is toegepast, volgens verweerster niet terecht is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Verweerster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij research heeft gedaan naar de vraag, of Nederlandse gemeenten anno 2002 subsidie verstrekken aan Turkse stichtingen die ideeën uitdragen die de integratie van Turken in de samenleving tegenwerken. Ook had verweerster voldoende aanleiding daarbij haar blik te richten op klaagster. Daarbij is van belang dat de organisatie van klaagster voorkomt op een lijst van dergelijke organisaties in het boek ‘Grijze Wolven’ van Braam en Ülger.

Ter beantwoording van de vraag of verweerster voldoende aanleiding had om in haar contacten met klaagster een andere identiteit aan te nemen, dient, in de lijn van eerdere uitspraken van de Raad, voorop te worden gesteld dat een journalist met ‘open vizier’ te werk behoort te gaan en zijn hoedanigheid vooraf bekend moet maken. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn gelegen in het maatschappelijk belang dat met een publicatie wordt gediend. Dit belang betreft niet alleen het aan de kaak stellen van misstanden, teneinde te bewerkstelligen dat zij onderzocht worden, maar tevens het informeren van het publiek over feiten en bijzonderheden die de ernst van een situatie scherper naar voren doen komen en die zonder de gevolgde werkwijze niet aan het licht gebracht zouden kunnen worden (zie: RvdJ 2001/37, RvdJ 2000/5 en RvdJ 2000/15).

De Raad is van oordeel dat in deze zaak op zichzelf sprake is van een maatschappelijk belang dat met de publicatie wordt gediend. Ook heeft verweerster in haar onderzoeksfase moeten ervaren, dat klaagster niet bereid was aan haar enige openheid van zaken te geven over de al dan niet bestaande banden met de TFN en over klaagsters rol bij het verspreiden van het gedachtegoed van de Grijze Wolven. Hoewel niet is gebleken dat alle mogelijkheden voor research door verweerster waren uitgeput (gedacht kan worden aan bijvoorbeeld het inwinnen van informatie bij politie, AIVD en collega-journalisten, aan observatie van het pand en aan (pogingen tot) interviews met personen die het pand in en uit gaan) ziet de Raad hierin voldoende aanleiding om te oordelen dat verweerster de gehanteerde methode in redelijkheid heeft kunnen hanteren.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat bij uitzending van het materiaal dat op deze basis is verkregen, zeer zorgvuldig te werk diende te worden gegaan. Heimelijk verzameld materiaal kan immers voor verschillende interpretaties vatbaar zijn, terwijl, door de verstoring van het vertrouwen door de journalist, het verkrijgen van een serieus weerwoord in het algemeen niet kan worden verwacht. Het verkregen materiaal mocht dan ook op zichzelf wereldkundig worden gemaakt, maar verweerster diende terughoudendheid te betrachten bij het verbinden van gevolgtrekkingen of diskwalificaties daaraan. Deze bijzondere zorgvuldigheid heeft verweerster in het onderhavige geval niet betracht: zij heeft klaagster in de uitzending geplaatst in de sfeer van criminaliteit. Daartoe was, louter op basis van de aangetoonde banden met de TFN, nog geen aanleiding. Immers, niet alles wat op de TFN betrekking heeft, kan zonder meer op klaagster worden geprojecteerd. Zeker nu het gaat om ernstige beschuldigingen had verweerster er ofwel meer aan moeten doen om de vertegenwoordigers van klaagster, die leken zijn in hun contacten met de media, van de ernst van de situatie en van de wenselijkheid van enig weerwoord in de uitzending te doordringen, ofwel moeten volstaan met een drogere presentatie van het verzamelde materiaal.

Door op dit onderdeel niet zorgvuldiger te werk te zijn gegaan, heeft verweerster de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is deels gegrond.

De Raad verzoekt verweerster aan deze beslissing aandacht te besteden in het programma Knevel op Zaterdag.

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 juni 2003 door mr. D. Allewijn, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, prof.dr. mr. B. de Gaay Fortman, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2003-35