2003/32 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van De Peperbus

Bij brief van 25 november 2002 met een bijlage heeft mr. M.J. Seijbel, advocaat te Zwolle, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Peperbus (verweerder). Hierop heeft J. van Ommen, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 7 januari 2003 met drie bijlagen. Mr. Seijbel heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 22 januari 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 februari 2003 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 16 oktober 2002 is in De Peperbus een artikel verschenen onder de kop “Boekhouding in vuilniszakken”. Het artikel gaat over een strafzaak tegen klager en een neef, onderscheidenlijk eigenaar en bedrijfsleider van een Grieks restaurant. Volgens het bericht worden zij verdacht van het plegen van frauduleuze handelingen waardoor de fiscus en de bedrijfsvereniging benadeeld zijn. Het artikel bevat onder meer de passages:
Duijts sprak klare taal in haar requisitoir. ,,Er liepen allerlei mensen in het bedrijf die allerlei dingen mochten doen. (…) Er werd helemaal geen boekhouding gevoerd; vuilniszakken met administratie moesten her en der worden weggehaald. Zo kan dat niet, een ondernemer is zelf verantwoordelijk voor zijn boekhouding”, aldus de officier.
en
De twee (klager en zijn neef) denken daar heel anders over. Volgens hen was het voordat zij de leiding van het restaurant overnamen al een zootje en had de boekhouder ervoor moeten zorgen dat er orde op zaken werd gesteld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij en zijn restaurant in het artikel herkenbaar zijn. De naam en ligging van het restaurant zijn in het artikel vermeld. Dat hij niet wordt genoemd, doet volgens klager niet af aan de ernst ervan. Door het noemen van het restaurant wordt dat, en daarmee de eigenaar ervan, onnodig in een kwaad daglicht gesteld. Dat ook zijn initialen zijn vermeld, maakt dat hij nog duidelijker herkenbaar is, aldus klager.
Volgens de door de Raad in zijn uitspraken gehanteerde vaste lijn is ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten en veroordeelden terughoudendheid in de berichtgeving geboden en moet een journalist in beginsel voorkomen dat een verdachte of veroordeelde kan worden geïdentificeerd behoudens bijzondere omstandigheden, aldus klager. Hij betoogt dat van bijzondere omstandigheden in dit geval geen sprake is. Verweerder had kunnen volstaan met het geven van een algemene aanduiding van het restaurant, zonder vermelding van soort, naam en ligging ervan. Volgens klager had een zodanige formulering voor de inhoud van het bericht geen verschil gemaakt. Hij stelt voorts dat het publiek geen hinder of ongemak heeft ondervonden van hetgeen waarvoor verdachten terechtstonden. Er is dus geen sprake van een maatschappelijk belang om het publiek hierover te informeren en daarbij tevens de naam en de ligging van het restaurant te vermelden. Klager concludeert dat verweerder geen gerechtvaardigd beroep kan doen op ‘bijzondere omstandigheden’ en op dit punt journalistiek onaanvaardbaar heeft gehandeld.
Verder betoogt hij dat sprake is van eenzijdige berichtgeving. In het artikel is een beschrijving gegeven van de strafzaak, de eis van de officier van justitie en de kwalificatie die de officier van justitie aan de bedrijfsvoering van het restaurant geeft. Van het pleidooi van de raadsman van klager is echter niets weergegeven. Klager acht het onzorgvuldig dat de betrokken journalist na het requisitoir de zaal heeft verlaten. Bovendien is het artikel naar de mening van klager niet neutraal van toon. Hij wijst in dit verband op de kop, die volgens hem zwaar is aangezet, en op het citaat “puinhoop in administratie en communicatie”.
Klager betoogt dat door de combinatie van deze factoren – herkenning, eenzijdigheid in de berichtgeving en berichtgeving op niet-neutrale toon – hij en zijn restaurant onnodig publiekelijk in een kwaad daglicht worden geplaatst en dat verweerder ook om deze reden onzorgvuldig heeft gehandeld.

Verweerder stelt dat hij de naam en ligging van klagers restaurant heeft vermeld, om iedere verwarring met andere Griekse restaurants in Zwolle te voorkomen. Volgens hem is daarom sprake van bijzondere omstandigheden die het kenbaar maken van het restaurant rechtvaardigen. De vermelding van de initialen van klager en zijn neef is normaal in de verslaggeving van rechtszaken, aldus verweerder. Hij stelt dat hij altijd zeer zorgvuldig omgaat met rechtbankverslagen en gewoonlijk alleen initialen en leeftijden van verdachten vermeldt, zodat herkenbaarheid of identificatie zoveel mogelijk wordt uitgesloten.
Verder stelt verweerder dat de zinsnede “puinhoop in administratie en communicatie” afkomstig is van de officier van justitie en daarom tussen aanhalingstekens is geplaatst. Dit geldt ook voor de alinea waarin wordt gesproken over administratie in vuilniszakken.
Verweerder betwist dat sprake is van eenzijdige berichtgeving. Uit het artikel blijkt duidelijk dat het om een verdenking gaat en dat de verdachten de lezing van de officier van justitie betwisten. Hij stelt dat klager en het restaurant ook daadwerkelijk zijn veroordeeld en dat hij daarover op 30 oktober 2002 heeft bericht. De neef van klager is overigens vrijgesproken, omdat hij de functie van bedrijfsleider niet uitoefende in de periode waarin fraude werd gepleegd, aldus verweerder.
Ten slotte verwijst verweerder naar een uitspraak van de Raad van 30 maart 2000 (RvdJ 2000/26), waarin de Raad een vergelijkbare klacht van een snackbarhouder ongegrond heeft verklaard.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Vaste lijn is dat ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten en veroordeelden terughoudendheid in de berichtgeving is geboden. Een journalist dient in beginsel te voorkomen dat een verdachte of veroordeelde kan worden geïdentificeerd. Slechts onder bijzondere omstandigheden, die gelegen kunnen zijn in de belangen van derden alsmede in het maatschappelijk belang dat met de publicatie wordt gediend, kan afwijking van deze regel gerechtvaardigd zijn. (vgl. onder meer: X/Nieuwe Revu, RvdJ 2002/21en Van ’t Hof/Goudsche Courant, RvdJ 2000/26).
De bedoeling is dat het belang van betrokkene bij de bescherming van zijn privacy steeds wordt afgewogen tegen mogelijke belangen van derden c.q. het maatschappelijk belangen en dat genoemd privacy-belang slechts voor andere belangen wijkt indien daar zwaarwichtige redenen voor bestaan.
De onderhavige publicatie gaat echter in eerste instantie om een onderneming, het restaurant van klager, en niet om zijn persoon. Klager heeft gesteld dat hij belang heeft bij een oordeel van de Raad, nu het aantal klanten van het restaurant, en daarmee de omzet, sinds de plaatsing van de artikelen aanzienlijk is teruggelopen. Dit belang is echter niet het privacybelang dat de hiervoor gestelde norm beoogt te beschermen.
Daarbij komt dat verweerder heeft aangevoerd dat hij door de vermelding van de naam en ligging van klagers restaurant belangen van anderen heeft willen beschermen. Het standpunt van klager dat verweerder had moeten volstaan met een algemenere formulering kan niet worden gevolgd. Het voorkomen van verwarring met andere restaurants kon de handelwijze van verweerder rechtvaardigen.
Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat verweerder door het restaurant van klager te noemen niet journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

Verder betwist klager niet zozeer de inhoud van de berichtgeving als wel de wijze waarop aan de strafzaak aandacht is besteed. Met name acht klager het onzorgvuldig dat niets uit het pleidooi van zijn raadsman is weergegeven. Anders dan klager betoogt, was verweerder daar niet toe gehouden. Volgens het vaste oordeel van de Raad is niet ontoelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt (zie onder meer: Bloemsma/De Twentsche Courant Tubantia, RvdJ 2001/10 en Jagt/Haagsche Courant, RvdJ 2001/35).

Gezien het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, door te berichten over de strafzaak tegen klager op de wijze zoals hij heeft gedaan.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Peperbus te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni 2003 door mr. R.W.L. Loeb, T.G.G. Bouwman, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-32