2003/30 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.B. van Xanten en
de VVD-fractie van de gemeenteraad te Nijmegen

tegen

de hoofdredacteur van De Gelderlander

Bij brief van 20 november 2002 met vijf bijlagen heeft J.B. van Xanten mede namens de VVD-fractie van de gemeenteraad te Nijmegen (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Gelderlander (verweerder). In een brief van 14 januari 2003 hebben klagers de klacht nader toegelicht. Mr. G. Bos, adjunct-hoofdredacteur, heeft op de klacht gereageerd in een schrijven van 11 februari 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 maart 2003 in aanwezigheid van Van Xanten. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

In oktober 2002 is in De Gelderlander een aantal artikelen verschenen onder het motto ‘Links college vs. Rechts kabinet’. Naar aanleiding daarvan heeft Van Xanten, raadslid voor de VVD in de gemeente Nijmegen, mede namens zijn fractie een ingezonden brief ter plaatsing aangeboden. Deze brief, met de kop “Nijmegen en het calimero-effect”, bevat onder meer de volgende passages:
Zonder enige vorm van overleg probeert het college te dicteren dat de drugsopvang gelokaliseerd wordt midden in de stad. Als op dat moment de VVD niet aan de bel getrokken had, hadden we van het voormalig SNS-gebouw een drugspand gemaakt. Met alle overlast van dien.
en
Als blijkt dat we een strafkorting krijgen omdat de sociale dienst haar werk niet goed gedaan heeft, gebeurt het volgende. De ene wethouder verbrandt zijn schepen achter zich en de andere wethouder noemt het een beginnersfoutje.
en
Als dan ook de Gelderlander en LUX de VVD niet uitnodigen voor een debat over de Nijmeegse linkse stad in een rechts land, dan mag je gerust spreken van het monddood maken van de oppositie.

Over mogelijke publicatie van die brief zijn onder meer gesprekken gevoerd tussen Van Xanten en redacteur R. Jaspers. In die gesprekken heeft Jaspers Van Xanten verzocht de hiervoor geciteerde passages aan te passen. Van Xanten heeft zich vervolgens in een brief van 23 oktober 2002 tot verweerder gewend, onder meer met het verzoek van gedachten te wisselen over de gewenste aanpassingen en de werkwijze van Jaspers.
Voorts heeft Van Xanten op 23 oktober 2002 een e-mailbericht aan redacteur E. Reijnen gestuurd. Reijnen heeft daarop gereageerd per e-mail van 24 oktober 2002.

Bij brief van 13 november 2002 heeft Van Xanten verweerder herinnerd aan zijn brief van 23 oktober 2002 en opnieuw om een reactie verzocht. G. Bos, adjunct-hoofdredacteur heeft in een schrijven van 20 november 2002 zijn standpunt aan Van Xanten kenbaar gemaakt.
De ingezonden brief is niet gepubliceerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat zij met een journalist van De Gelderlander hebben afgesproken dat hun brief zou worden geplaatst. Vervolgens heeft Jaspers meegedeeld dat de brief feitelijke onjuistheden bevat die gewijzigd moesten worden, en dat anders de brief niet zou worden geplaatst. Volgens klagers zijn zij verantwoordelijk voor de tekst van de brief, en niet De Gelderlander. Bovendien bevat de brief slechts onvolledigheden, zoals zij die met regelmaat in De Gelderlander tegenkomen, aldus klagers. Zij hebben geweigerd de door De Gelderlander gewenste wijzigingen aan te brengen, omdat naar hun mening sprake was van censuur.
Klagers stellen dat ten gevolge van de handelwijze van verweerder geen sprake is van een onafhankelijke berichtgeving en de lezer te eenzijdig wordt geïnformeerd. Van Xanten wordt door de gang van zaken ernstig belemmerd in het uitvoeren van zijn werk als raadslid.
Ter zitting heeft Van Xanten nog verklaard dat het de bedoeling was dat de VVD in de brief gunstig naar voren zou komen. Door het aanbrengen van de verzochte wijzigingen zou de brief een andere ‘kleur’ krijgen, en dat wilde hij niet.

Verweerder betreurt dat klagers de onderhavige kwestie aan de Raad hebben voorgelegd. Van Xanten is uitgenodigd voor een toelichtend gesprek, maar heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt.
Verder stelt verweerder dat klagers nooit is toegezegd dat hun brief zou worden geplaatst. Een dergelijke toezegging wordt in ieder geval niet gedaan voordat de brief is gelezen. Van Xanten is mogelijk op het verkeerde been gebracht door de opmerking dat ‘voor plaatsing in de maandagkrant de brief vrijdags voor 11 uur binnen moet zijn’.
Verweerder hecht aan meningen maar ook aan feiten. Deze moeten correct worden weergegeven, ook als het gaat om politiek getinte beschouwingen in verkiezingstijd. Waar dat niet gebeurt, wordt aan de briefschrijver om een aanpassing gevraagd. Nooit eerder is dat door een briefschrijver geweigerd. Verweerder vindt het principieel onjuist om een brief naar zijn eigen inzichten te veranderen.
Aan klagers is gevraagd de brief aan te passen op de volgende punten:
1. duidelijk te maken dat de VVD-wethouder in eerste instantie met de komst van de drugssoos heeft ingestemd;
2. te melden dat de opmerking over de strafkorting het jaar 1999 betrof;
3. de passage over het debat te wijzigen, omdat voor het debat het VVD-Tweede-Kamerlid Luchtenveld was uitgenodigd. Bovendien kunnen bij de debatten in Lux bezoekers in de zaal meedoen aan de discussie.
Verweerder meent dat het verzoek alleszins redelijk was. Als klagers in hun brief ‘missers’ van het huidige Nijmeegse college willen aantonen, dan is het voor de lezer van belang om er bij te vermelden dat die ‘missers’ zijn ontstaan of zich hebben voltrokken in een periode waarin ook de VVD deel uitmaakte van het college. Als de gewenste wijzigingen zouden zijn doorgevoerd, was de strekking van de brief overeind gebleven en was de lezer niet verkeerd geïnformeerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat verweerder de ingezonden brief van klagers niet heeft willen publiceren, omdat klagers hebben geweigerd de door verweerder gewenste wijzigingen daarin aan te brengen.

Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft de redactie in beginsel de vrijheid een reactie van een lezer op een artikel of ingezonden brief niet te plaatsen, onverminderd het recht van een betrokkene om feitelijke onjuistheden in de berichtgeving recht te zetten. Of al dan niet tot plaatsing van een ingezonden brief wordt overgegaan, zal in het algemeen mede afhangen van de inhoud en kwaliteit van de aangeleverde tekst (vgl. onder meer: Zwartendijk/Rotterdams Dagblad, RvdJ 2003/05 en Jagt/Haagsche Courant, RvdJ 2001/35).
Daarnaast heeft de redactie in beginsel de vrijheid ingezonden brieven in te korten of de redigeren. Daarbij dient zij te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief. Mits aan deze voorwaarde wordt voldaan, behoort het ook tot de redactionele vrijheid ingezonden brieven te ontdoen van ‘scherpe kantjes’ (vgl. onder meer: Vos de Wael-Smulders/Trouw, RvdJ 2002/42 en Verkijk/Nieuwe Ooststellingwerver, RvdJ 2002/05).

Klagers hebben niet betwist dat de brief op de drie door verweerder genoemde punten onvolledig was. Daarbij ging het niet om irrelevante details: aan de lezer werd informatie onthouden die bepaald een ander licht wierp op hetgeen in de brief werd aangevoerd ten bewijze van de stelling dat na de vorming van een nieuw college van B en W in de Nijmeegse gemeentepolitiek een links regentendom was ontstaan. Met zijn beslissing om niet tot publicatie over te gaan tenzij de brief op die drie punten zou worden aangepast, is verweerder zijn hiervoor omschreven vrijheid dan ook niet te buiten gegaan.

Aldus kan niet worden geconcludeerd dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gelderlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 16 mei 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. mr. V. Keur, mw. drs. J.W.M. Kok en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-30