2003/25 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

K.J. de Groot

tegen

de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS)

Bij brief van 26 november 2002 heeft K.J. de Groot te Nieuwehorne (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het TROS-televisieprogramma ‘Vermist’ (verweerder). Hierop heeft mr. I. Roelands, TROS Juridische Zaken, geantwoord in een brief van 28 januari 2003 met een bijlage. Klager heeft zijn klacht nog toegelicht in een schrijven van 1 februari 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 februari 2003 buiten aanwezigheid van partijen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de desbetreffende uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 22 november 2002 is in een aflevering van het televisieprogramma ‘Vermist’ (hierna: de uitzending) aandacht besteed aan de (vermeende) vermissing van de pleegdochter van klager (hierna: betrokkene). Het item wordt ingeleid met de woorden “(betrokkene) is in 1985 voor het laatst gezien”. Daarna worden door een voice-over enkele details over haar vermeld, onder meer dat zij is opgegroeid in een pleeggezin. Vervolgens wordt in de studio een halfzuster aan het woord gelaten. Zij vertelt dat zij betrokkene al een aantal jaren niet heeft gezien. Hierop doet presentator Jongbloed een oproep aan de kijker: “Wij zoeken dus (betrokkene) en (…) En als u weet waar de meiden (waaronder betrokkene) zijn, belt u ons dan.” Aan het eind van de uitzending wordt de hereniging van de zusters in beeld gebracht.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat zijn pleegdochter niet vermist is en nooit is geweest. Haar moeder, tevens de moeder van de halfzuster, heeft het adres van betrokkene. In de uitzending zegt de halfzuster dat zij nog contact heeft met haar moeder. Verder staat betrokkene gewoon in de registers van de burgerlijke stand vermeld. Verweerder had op eenvoudige wijze, bijvoorbeeld door een telefoongesprek, kunnen en moeten achterhalen dat betrokkene niet vermist was. Kennelijk is verweerder zonder verificatie en nader onderzoek afgegaan op de halfzuster. Bovendien heeft verweerder ten onrechte aan het begin van de uitzending een oproep gedaan. Betrokkene was op dat moment in de studio aanwezig.
Klager heeft tijdens de uitzending gebeld met de redactie en zijn verwondering uitgesproken over de oproep. Van zijn zoon had klager vernomen dat er al eerder een oproep was gedaan en dat betrokkene in de studio aanwezig zou zijn.
Ook een paar dagen na de uitzending heeft klager nog geprobeerd met eindredactrice L. Leeman over de kwestie van gedachten te wisselen. Leeman weigerde echter met hem te discussiëren, aldus klager.
Volgens hem heeft verweerder een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken omtrent zijn pleegdochter gegeven. Hierdoor is onder meer in zijn woonomgeving en vriendenkring de indruk ontstaan dat klager en zijn vrouw hun pleegdochter hebben weggehouden van haar eigen familie. Daarvan is echter in het geheel geen sprake geweest. Integendeel, juist door toedoen van klager is de moeder van betrokkene op de hoogte van het adres van haar dochter.
Klager stelt dat hij belang heeft bij een uitspraak van de Raad omdat betrokkene tien jaar in zijn gezin is opgegroeid en zij volledig deel uitmaakte van zijn gezin. Klager en zijn vrouw hebben overigens nog steeds contact met haar, al is dat intussen minder intensief geworden.
Klager concludeert dat sprake is van onzorgvuldige, misleidende journalistiek, waardoor hij en zijn vrouw in hun eer en goede naam zijn aangetast.

Verweerder betoogt dat klager geen belang heeft bij een oordeel van de Raad. Het gewraakte item gaat over de hereniging van twee halfzusters. De naam van klager wordt niet vermeld en over het pleeggezin wordt niet gesproken. Bovendien is herkenbaarheid van klager aan de hand van de uitzending nagenoeg uitgesloten. Klager is dan ook niet-ontvankelijk in zijn klacht, aldus verweerder.
Voor het geval de Raad dit betoog niet volgt, stelt verweerder dat hem geen journalistieke onzorgvuldigheid kan worden verweten ten aanzien van de wijze waarop hij het item in de uitzending heeft gemaakt en uitgezonden.
Verweerder stelt dat in het televisieprogramma ‘Vermist’ wordt getracht vermiste personen op te sporen en mensen die elkaar uit het oog hebben verloren, weer bij elkaar te brengen. Volgens het woordenboek valt niet alleen het kwijtraken van een persoon onder akelige en mysterieuze omstandigheden onder de term ‘vermist’. Ook het uit het gezicht verloren hebben of spoorloos zijn geraakt van een persoon wordt daaronder verstaan. Aan beide vormen van vermissing besteedt het programma aandacht. Het is aan verweerder om de titel voor een programma te kiezen en de inhoud ervan te bepalen. Uiteraard moet er tussen titel en inhoud een logisch verband bestaan. Dat verband was ook aanwezig in het onderdeel over klagers pleegdochter. Voor de halfzuster was betrokkene afwezig, en deze wilde haar terugvinden.
De halfzuster heeft overigens de redactie van ‘Vermist’ benaderd met de vraag of zij betrokkene kon opsporen. De redactie heeft met de halfzuster gesproken en vervolgens op de website van ‘Vermist’ in de rubriek ‘Uit het oog verloren’ een oproep geplaatst. Via een anonieme tip kreeg de redactie het adres van betrokkene en legde ze contact met haar. Zij bleek erg blij dat ze haar halfzuster weer zou zien. Geen van beiden had van hun moeder, met wie zij beiden al jarenlang geen contact meer hebben, het adres van de ander gekregen, aldus verweerder.
De redactie heeft met betrokkene een afspraak gemaakt haar te filmen en nodigde haar uit naar de studio te komen tijdens de opnamen. Haar is verzocht familie, vrienden en pleegouders zoveel mogelijk op de hoogte te stellen van de aanstaande uitzending, zodat deze niet verrast zouden worden. Betrokkene zei toen geen contact meer te hebben met haar pleegouders, maar zegde toe haar pleegbroer te vragen haar pleegouders in te lichten. De pleegbroer heeft vervolgens zijn vader (klager) gebeld en hem van de op handen zijnde hereniging op de televisie op de hoogte gesteld. De pleegbroer was net als betrokkene tijdens de opnamen in de studio aanwezig en is aan het einde van de uitzending ook in beeld gekomen. Verweerder benadrukt dat noch door de TROS noch door betrokkene noch door de halfzuster over het pleeggezin enige kwalificatie wordt gegeven.
Volgens verweerder was het vanwege de boze houding van klager niet mogelijk om na de uitzending een redelijk gesprek met hem te voeren. Een week na de uitzending heeft de redactie met de zusters gesproken. De redactie begreep dat zij nog altijd erg blij waren met de hereniging en dat zij de redactie daarvoor bedankten.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Ingevolge artikel 2 lid 1 van het Reglement van de Raad moet een klaagschrift worden ingediend door een 'rechtstreeks belanghebbende'. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt (vgl. onder meer Simons/de Peperbus, RvdJ 2002/54).

De Raad volgt verweerder niet in zijn betoog dat klager niet in zijn klacht ontvankelijk is. In de uitzending heeft verweerder de indruk gewekt dat betrokkene vermist is en een oproep gedaan aan de kijkers om informatie over haar te verschaffen. Naar het oordeel van de Raad is bij een publicatie over een (vermeende) vermiste niet alleen de ‘vermiste’ zelf direct betrokken, maar ook zijn directe familie. In dit geval is ook het belang van het gezin waarin betrokkene is opgevoed, direct bij de uitzending betrokken. Die betrokkenheid blijkt overigens ook uit het feit dat klagers zoon in de studio aanwezig was en door verweerder in beeld is gebracht. Klager is derhalve ‘rechtstreeks belanghebbende’ als hiervoor bedoeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Verweerder heeft in zijn televisieprogramma ‘Vermist’ het item over klagers pleegdochter ingeleid met de woorden “(betrokkene) is in 1985 voor het laatst gezien.” en de oproep gedaan: “Wij zoeken dus (betrokkene) en (…) En als u weet waar de meiden (waaronder betrokkene) zijn, belt u ons dan.” Daardoor heeft verweerder bij de kijker de indruk gewekt dat betrokkene - niet alleen voor haar halfzuster maar ook voor anderen, waaronder verweerder - vermist (in de zin van: verdwenen, onvindbaar) was. Zij was ten tijde van de opnamen echter op verzoek van verweerder in de studio aanwezig, zodat in ieder geval op dat moment van ‘vermissing’ in enige zin geen sprake was.

Verweerder heeft derhalve het publiek misleid omtrent de vermissing van betrokkene. Een journalist dient zich echter steeds te onthouden van misleiding van het publiek. De Raad is dan ook van oordeel dat verweerder de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Vermist’.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 mei 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-25