2003/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Turkse Culturele Vereniging

tegen

G. Frankenhuis en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 14 november 2002 met twee bijlagen is namens de Turkse Culturele Vereniging te Hoogezand-Sappemeer (klaagster) een klacht ingediend tegen G. Frankenhuis en de hoofdredacteur van De Telegraaf (verweerders). Hierop heeft A. Reekers, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 27 december 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 februari 2003. Namens klaagster zijn daar J. Kuitert en O. Oral, secretaris van klaagster, verschenen. Verweerders waren daar niet aanwezig.

DE FEITEN

Op 4 oktober 2002 is in De Telegraaf een artikel van de hand van voornoemde Frankenhuis verschenen onder de kop “Meisje (13) slachtoffer groepsverkrachting”. De lead van het artikel luidt:
Een 13-jarig Antilliaans meisje uit Hoogezand is het slachtoffer geworden van een groepsverkrachting. Het meisje zegt woensdagmorgen door acht Turkse jongens te zijn verkracht en mishandeld, zo bevestigt de politie.
Het artikel bevat verder de onderkop “Turkse jongens laten scholiere in brandende woning achter” en de zinsnede:
Volgens het slachtoffertje werd ze verkracht omdat ze van de Turken niet mocht omgaan met Marokkaanse jongens.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de kop en onderkop van het artikel feitelijk onjuist zijn. Het betrokken meisje is niet door Turkse jongens verkracht. Verder stelt klaagster dat het bericht slechts is gebaseerd op één bron, te weten de moeder van het vermeende slachtoffer. Verweerders hebben nagelaten al het mogelijke te doen om te voorkomen dat door het bericht gevoelens van vreemdelingenhaat zouden worden aangewakkerd. Het bezwaar daartegen klemt te meer, nu tenslotte is gebleken dat in het geheel geen sprake is geweest van een groepsverkrachting door Turkse jongens, aldus klaagster.
De leden van klaagster voelen zich persoonlijk beledigd en beschuldigd. Zij beschouwen het artikel als openlijke laster. Ter zitting heeft Oral hieraan toegevoegd dat diverse Turken in hun omgeving op de kwestie zijn aangesproken.

Verweerders stellen dat op 3 oktober 2002 bij correspondent Frankenhuis een melding binnenkwam over de kwestie. Zij heeft toen op meerdere manieren getracht de zaak uit te zoeken. Frankenhuis heeft gesproken met familieleden en omwonenden die haar meedeelden dat het meisje aangifte had gedaan van verkrachting door een groep Turkse jongens en van brandstichting. Daarna heeft zij gesproken met een politiewoordvoerder, die bevestigde dat het meisje aangifte had gedaan en vermeldde dat de politie de zaak hoog op nam. Op geen enkele manier heeft de politie aangegeven te twijfelen aan de verklaring van het meisje. Verweerders wijzen erop dat de betrokken politiewoordvoerder vaker contact heeft met Frankenhuis en in geval twijfel bestaat, dat altijd meldt.
Volgens verweerders wordt in het artikel ook ruimte gelaten voor twijfel. In de eerste alinea wordt vermeld dat “het meisje zegt” door Turkse jongens te zijn verkracht en mishandeld. Ook verder in het artikel wordt aangegeven dat de verklaring van het meisje de bron is van het bericht.
Verweerders menen dat publicatie van de etnische afkomst van de vermeende verdachten van belang was, omdat de reden van de verkrachting zou zijn gelegen in een conflict van etnische aard.
Dat de verklaring van het meisje in kop en onderkop als feit is gebracht, is een journalistiek gebruik, aldus verweerders. Ook andere media hebben dat in deze zaak gedaan. Op het moment dat twijfel ontstond over de verklaring van het meisje, is daar evenzeer aandacht aan besteed. Al in De Telegraaf van 5 oktober 2002 is gemeld dat er geen bewijs was voor de betrokkenheid van Turkse jongens bij de zaak en is ook een woordvoerder van de Turkse gemeenschap aan het woord gelaten.
Verweerders concluderen dat geen sprake is geweest van aanzet tot discriminatie of laster. Op het moment dat duidelijk werd dat de aangifte van het meisje vals was, is daar zonder terughoudendheid melding van gemaakt. Bovendien is vanaf het begin van de affaire ruimte geboden voor een reactie uit Turkse kring.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Klaagster maakt in deze zaak bezwaar tegen een vermeend discriminerend artikel. Dit past binnen haar doelstelling, zoals die uit artikel drie van haar statuten blijkt: “de vereniging heeft ten doel (…) oplossingen te zoek en voor problemen van Turkse medeburgers, die voorkomen uit het feit, dat zij in den vreemde wonen”.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel dat verweerders niet kan worden verweten onzorgvuldig over de kwestie te hebben bericht. De etnische afkomst van de vermeende verdachten kon van belang worden geacht, nu die in de verklaringen van het vermeende slachtoffer van doorslaggevende betekenis was. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerders daarvan onder die omstandigheden geen melding mochten maken. De vermelding gaat voorts niet verder dan passend in de totale berichtgeving over de gebeurtenis. In het artikel wordt voldoende duidelijk gemaakt dat het bericht was gebaseerd op de verklaringen van het vermeende slachtoffer en dat het politie-onderzoek nog gaande was. Het verdient de voorkeur om dat in dergelijke gevallen ook in kop en onderkop tot uitdrukking te brengen, althans om in kop en onderkop enigszins terughoudend te zijn. Dat dat hier niet is gebeurd, is - alle omstandigheden in aanmerking genomen - geen zodanige omissie dat verweerders daarmee grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 mei 2003 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-24