2003/23 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
M. van den Doel
 
tegen
 
P. Heijboer 
 
Bij brieven van 20 november 2002 en 26 november 2002 met vier bijlagen heeft M. van den Doel te Ermelo (klager) een klacht ingediend tegen P. Heijboer (verweerder). Hierop heeft Heijboer geantwoord in een brief van 8 december 2002 met veertien bijlagen. Van den Doel heeft zijn klacht nog toegelicht in een schrijven van 24 februari 2003.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 februari 2003. Klager was daar niet aanwezig. Verweerder is daar verschenen, vergezeld van zijn uitgever H. ter Borg, en heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een notitie.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Verweerder heeft desgevraagd kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben tegen behande­ling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 24 september 2002 is het boek “Doemvlucht – De verzwegen geheimen van de Bijlmerramp” van de hand van Heijboer gepresenteerd. In het boek gaat verweerder onder meer in op de werkzaamheden van klager als lid van de parlementaire enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer. Het boek bevat onder meer de volgende passage:
Zowel Hoekstra als Docters van Leeuwen zou achteraf toch niet openbaar verhoord worden. De man die het idee tegenhield was commissielid Theo van den Doel. Beide figuren waren zó nauw betrokken bij geheime internationale zaken dat een openbaar verhoor – onder ede – een gevaarlijke onderneming zou kunnen worden. Iemand zou wel eens een heel verkeerde vraag kunnen stellen. Van den Doel wees de anderen daarop. Bovendien, wat stelden de verklaringen van het tweetal inhoudelijk nou eigenlijk voor? Wierpen ze nieuw licht op de zaak? Nauwelijks. Van den Doel won aan het eind ook deze discussie in de commissie; en redde Docters van Leeuwen en Hoekstra zo van een openbaar verhoor.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerder hem tijdens het schrijven van het boek heeft benaderd voor een interview. Met het interview wilde verweerder informatie verzamelen over wat zich ‘achter de schermen’ en ‘in de boezem’ van de enquêtecommissie had afgespeeld. Klager heeft dit interview geweigerd, omdat hij datgene wat zich binnen de commissie heeft afgespeeld als vertrouwelijk beschouwt. Wat vertrouwelijk is, moet vertrouwelijk blijven, tenzij alle betrokkenen het erover eens zijn dat de vertrouwelijkheid kan worden opgeheven, aldus klager. Dat zijn de spelregels van parlementaire commissies. Daarnaast heeft een lid van een dergelijke commissie de vrijheid zijn persoonlijke standpunt, zoals hij dat over een kwestie heeft ingenomen, naar buiten te brengen. Van die vrijheid heeft klager gebruik gemaakt, toen hem werd gevraagd wat zijn standpunt was ten aanzien van de kritiek op de commissie betreffende het niet tijdig corrigeren van het bericht over de gevaarzetting van de vliegtuiglading.
Wel heeft hij verweerder uitdrukkelijk verzocht passages die op zijn persoon betrekking hadden, vooraf aan hem voor commentaar voor te leggen. Volgens klager is het toepassen van wederhoor een eerste vereiste als beschuldigingen over personen worden geuit. Het boek bevat beschuldigingen aan het adres van klager. Niettemin heeft verweerder nagelaten wederhoor toe te passen en is hij dus op dit punt ernstig in gebreke gebleven.
De desbetreffende passages over klager stroken ook niet met de waarheid. Zij zijn gebaseerd op verzinsels, roddel en achterklap van anonieme bronnen en zijn niet door verweerder geverifieerd, aldus klager. Hij wijst onder meer op de passage dat hij heeft verhinderd dat Hoekstra en Docters van Leeuwen in het openbaar werden verhoord. In deze passage wordt ten onrechte gesuggereerd dat klager de genoemde personen de hand boven het hoofd hield. Klager heeft in de commissie juist gepleit voor een openbaar verhoor van Docters van Leeuwen, maar een meerderheid was het niet met hem eens. Over het niet verhoren van Hoekstra bestond geen meningsverschil in de commissie. Verweerder geeft derhalve een volstrekt verkeerde voorstelling van zaken. Verder wijst klager op een passage over het al dan niet arresteren van een door de enquêtecommissie gehoord persoon. Verweerder heeft in die passage ten onrechte aanhalingstekens gebruikt, waardoor wordt gesuggereerd dat hij uitspraken van klager letterlijk heeft opgenomen.
Klager concludeert dat verweerder elementaire beginselen voor de journalistiek niet in acht heeft genomen. Het boek bevat leugens en doet de waarheidsvinding van het onderzoek naar de Bijlmerramp geweld aan. Verweerder had dit kunnen voorkomen door klager te raadplegen over de bewuste passages. Dat heeft hij nagelaten. Door de handelwijze van verweerder is klager in zijn eer en goede naam, en in zijn integriteit aangetast.
 
Verweerder stelt dat ter voorbereiding op zijn boek alle leden van de enquêtecommissie in een min of meer gelijkluidende brief heeft verzocht met hem te praten. Verweerder had geen aanwijzingen dat de commissieleden aan een zwijgplicht waren gebonden. De meeste commissieleden hadden na afloop van de enquête in interviews uitgebreid over hun ervaringen verteld. Verweerder wilde in ieder geval met klager spreken en hem aan het woord laten, omdat andere commissieleden zich negatief over hem hadden uitgelaten. Klager moest op die uitlatingen kunnen reageren, aldus verweerder. Hij wijst op zijn brief aan klager van 10 augustus 2001. Daarin heeft hij meegedeeld, waarover hij klager onder meer zou willen spreken en geschreven: “Een reden te meer voor mij om – ook als een soort ‘wederhoor’ – uw versie over een aantal dingen nog eens te willen horen. Een gesprek zou het stempel ‘off the record’ kunnen krijgen. Waarbij u zegt: ik wil wel achtergrond en informatie verstrekken, maar die moet niet op mij terug te voeren zijn. Het kan ook een gewoon interview zijn. (Ook mogelijk: een combinatie van beide.) Ik stel mij voor binnenkort telefonisch contact met u op te nemen.
Vervolgens heeft verweerder medio september 2001 telefonisch contact gehad met klager. Verweerder heeft klager in dat gesprek gewezen op de uitspraken van andere commissieleden over hem en geprobeerd hem over te halen mee te werken aan een interview. Klager gaf echter aan daar niets voor te voelen ‘omdat hij geen vuile was wilde buiten hangen’. Het verzoek van klager hem teksten voor te leggen wanneer het manuscript van het boek gereed zou zijn, heeft verweerder afgewezen. Enerzijds omdat hij met honderden mensen had gesproken, hij hun niet allemaal om goedkeuring van de teksten kon vragen en hij klager niet anders wilde behandelen dan andere betrokkenen. Anderzijds omdat zijn boek onthullingen bevat die voor de een of de andere betrokkene onaangenaam zijn. Als verweerder zijn manuscript vooraf ter goedkeuring aan alle betrokkenen zou hebben voorgelegd, dan zou zijn boek nooit zijn verschenen. Verweerder kan zich niet meer herinneren in welke bewoordingen hij precies op klagers verzoek heeft gereageerd. Hij weet echter zeker dat hij nooit een toezegging heeft gedaan aan klagers verzoek te voldoen.
Verweerder meent dat hij zich de nodige moeite heeft getroost om ten aanzien van klager wederhoor toe te passen, en wel - zoals gebruikelijk - vóórdat hij begon met schrijven. Het ligt geheel aan klager dat het daarvan niet is gekomen.
Verder stelt verweerder dat hij bij het beschrijven van de gebeurtenissen waarbij klager betrokken is geweest, grote zorgvuldigheid heeft betracht. Gezien de positie van klager en zijn weigering om daarover zelf met verweerder te spreken, heeft verweerder zijn woorden heel precies gekozen. Bovendien heeft hij zich aan de geldende journalistieke regels gehouden, waaronder de regel dat hij voor alle gepubliceerde gegevens - voorzover het geen documenten of andere ‘tastbare zaken’ betrof - tenminste twee betrouwbare bronnen moest hebben. Sommige bronnen zijn ‘open’ en anderen zijn voor de buitenwereld anoniem. De bronnen betreffende de passages over klager zijn veelal andere leden van de enquêtecommissie. Het is logisch dat de commissieleden niet graag bekend zagen worden dat zij ‘geheimen van de commissie prijsgaven’. Aan de andere kant hebben diverse commissieleden ook in alle openheid gesproken over hun problemen met klager, hetgeen blijkt uit verschillende gepubliceerde interviews. Overigens heeft ook klager zich in Elsevier van 12 juni 1999 over de (leden van de) enquêtecommissie uitgelaten.
Wat betreft de gewraakte passages betwist verweerder dat deze onjuist zijn. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst hij onder meer op andere passages in zijn boek, waartegen klager geen bezwaar heeft gemaakt, en op verschillende door hem overgelegde stukken. Ten slotte stelt verweerder dat uit een aantal gewraakte passages ook kan worden opgemaakt dat klager ‘de verstandigste van het stel’ was, zodat van aantasting van klagers eer en goede naam geen sprake is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Klager maakt bezwaar tegen de passages uit verweerders boek waarin zijn rol als lid van de parlementaire enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer aan de orde wordt gesteld. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
a.       verweerder heeft onvoldoende wederhoor toegepast;
b.      de gewraakte passages zijn onjuist en niet gebaseerd op deugdelijk onderzoek.
 
De Raad volgt klager niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende wederhoor heeft toegepast. De Raad heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de journalistieke verantwoordelijkheid niet meebrengt dat aan een betrokkene steeds vooraf inzage in de volledige concepttekst moet worden verleend, indien hem om een reactie daarop wordt gevraagd. Volstaan kan worden met aan betrokkene voldoende duidelijk mee te delen, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht (vgl. onder meer Veritas tegen Steehouder en Utrechts Nieuwsblad, RvdJ 2003/14). Verweerder heeft klager in zijn brief van 10 augustus 2001 voldoende duidelijk te kennen heeft gegeven, waarover hij hem wenste te spreken. Verweerder heeft klager vervolgens telefonisch benaderd en hem om commentaar verzocht. Dat klager vervolgens, om hem moverende en op zichzelf begrijpelijke redenen, heeft besloten geen gebruik te maken van de hem geboden gelegenheid zijn visie te geven, kan verweerder niet worden tegengeworpen.
 
De Raad kan voorts niet vaststellen dat de gewraakte passages feitelijk onjuist zijn. De standpunten van partijen ter zake staan lijnrecht tegenover elkaar en er is geen materiaal voorhanden, op grond waarvan de Raad kan beslissen welk standpunt juist is. Ter toelichting van zijn standpunt heeft klager aangevoerd dat verweerder ten onrechte door aanhalingstekens te gebruiken heeft gesuggereerd dat klager letterlijk wordt geciteerd. Verweerder heeft erkend dat de desbetreffende passages, anders dan gesuggereerd, geen letterlijke citaten zijn. Naar het oordeel van de Raad is dit echter, bezien in het licht van de gehele berichtgeving, geen zodanig ernstig verwijt dat gegrondbevinding van de klacht deswege gerechtvaardigd is. Daarbij is van belang dat klager niet stelt dat hij uitlatingen van die strekking niet heeft gedaan.
Door hetgeen verweerder heeft aangevoerd over het aantal en de hoedanigheid van zijn bronnen, heeft de Raad bovendien de overtuiging gekregen dat het door hem verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.
 
Aldus is de Raad van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 5 mei 2003 door mr. R.W.L. Loeb, mr. A. Herstel, mw. J.A. Koerts en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.