2003/21 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. E.C. Hingst

tegen

J. van den Heuvel (De Telegraaf)

Bij brief van 4 november 2002 met zes bijlagen heeft mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, namens mr. E.C. Hingst (klager) een klacht ingediend tegen J. van den Heuvel (verweerder). Hierop heeft mr. K. Gilhuis, advocaat te Amsterdam, namens verweerder gereageerd in een brief van 10 december 2002 met vijf bijlagen. Bij faxbericht van 5 februari 2003 heeft mr. Kemper nog twee bijlagen overgelegd. Mr. Gilhuis heeft nog een laatste bijlage aan het dossier toegevoegd per faxbericht van 6 februari 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 februari 2003. Partijen zijn daar verschenen vergezeld van hun raadslieden, die de standpunten van partijen hebben toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

Op 28 augustus 2003 is in De Telegraaf een artikel verschenen van de hand van Van den Heuvel onder de kop “Topcrimineel Johnny Mieremet wil met ‘politiebiecht’ schoon schip maken in Amsterdamse onderwereld”. In het artikel laat Mieremet zich onder meer uit over een aanslag op zijn leven, die op 26 februari 2002 heeft plaatsgevonden voor het kantoor van klager, destijds advocaat van Mieremet. Hierover wordt in het artikel onder de subkop “Val” bericht als volgt:
Volgens de Amsterdammer (Mieremet) had hij om één uur die dag een afspraak met zijn juridisch adviseur mr. Evert Hingst. ,,Die man had me ’s ochtends gebeld of ik naar zijn kantoor wilde komen. Achteraf besef ik dat ik in de val ben gelokt. Hingst had me niets belangrijks te vertellen en ik stond snel weer buiten. Op het moment dat de deur achter me dichtviel, hoorde ik dat de sleutel werd omgedraaid. Op hetzelfde ogenblik – ik stond nog op de trap – komt er een man met een vuurwapen op me af.(…)”

Onder de kop “Ontkennen” eindigt het artikel met de volgende passage:
De afgelopen dagen is door deze krant diverse keren getracht, zowel schriftelijk als telefonisch, commentaar te vragen aan de raadsman van Willem Holleeder en Willem Endstra. Mr. A. Moszkowicz, die beiden bijstaat, laat namens iedere cliënt afzonderlijk weten dat zij ontkennen zich aan strafbare feiten schuldig te hebben gemaakt. Verder wil hij geen commentaar geven.

Naar aanleiding van de publicatie heeft mr. Kemper zich namens klager tot De Telegraaf gewend en rectificatie verzocht. Vervolgens is op 16 september 2002 in De Telegraaf onder de kop “Interview Mieremet” het volgende bericht verschenen:
In De Telegraaf van 26 augustus jl. besteedden wij aandacht aan de Amsterdammer Johnny Mieremet, de voormalige vriend en zakenpartner van Sam Klepper. In het artikel suggereert Mieremet, die op 26 februari jl. ernstig gewond is geraakt bij een aanslag op zijn leven, dat zijn advocaat, mr. E. Hingst, bij die aanslag betrokken is geweest. Wij benadrukken dat het artikel uitsluitend gebaseerd is op de uitlatingen van de heer Mieremet en dat hiermee niet de mening van De Telegraaf is weergegeven. Mr. Hingst ontkent iedere betrokkenheid bij de aanslag. Het politieonderzoek naar de achtergronden van de aanslag op de heer Mieremet is nog in volle gang.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager is de boodschap van de gewraakte passage eenduidig: hij is bewust instrumenteel geweest aan de gepleegde moordaanslag, hetgeen een zeer ernstige beschuldiging is. Een verzwarende factor in dezen is dat klager advocaat is. Een advocaat heeft een bijzondere vertrouwensrelatie met elke cliënt en hij dient vertrouwelijkheid te bewaren over alles wat zijn cliënt aangaat. De beschuldiging impliceert dat klager deze ambtsplicht heeft geschonden.
Kern van klagers bezwaar is dat de beschuldiging van Mieremet überhaupt is gepubliceerd. In dat verband is van belang dat Mieremet een imposant crimineel verleden heeft en de beschuldiging zelf een hoogst onwaarschijnlijke feitelijke grondslag heeft. Bovendien valt in de persoon of in de praktijkvoering van klager geen aanwijzing te vinden die de beschuldiging een begin van geloofwaardigheid zou kunnen meegeven. Onder meer uit het bericht van 16 september 2002 blijkt dat De Telegraaf geen enkele poging heeft gedaan zich te verdiepen in de geloofwaardigheid van de beschuldiging maar zich heeft beperkt tot kale registratie. Mogelijke verdere beschuldigingen van Mieremet kunnen geen rol spelen bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de beschuldiging betreffende de moordaanslag. En uit de door verweerder gebruikte informatie volgt evenmin dat voor de beschuldiging voldoende grond bestond, aldus klager.
Hij stelt dat het in strijd is met de maatschappelijke verantwoordelijkheid van verweerder om een beschuldiging van deze ernstige aard, met duidelijk zeer schadelijke gevolgen voor de reputatie en praktijkvoering van klager, te publiceren zonder diepgaand onderzoek naar de aannemelijkheid ervan. Voor de handelwijze van verweerder bestaat naar de mening van klager geen enkele rechtvaardigingsgrond.
Klager meent dat een simpel wederhoor en eventueel een vermelding van de ontkenning van zijn betrokkenheid de publicatie niet alsnog aanvaardbaar zouden hebben gemaakt. In verband met zijn beroepsgeheim had hij namelijk niet meer kunnen doen dan de juistheid van de beschuldiging te ontkennen. Een dergelijke kale ontkenning is echter nietszeggend omdat elke verdachte c.q. dader dezelfde reactie zou geven. Ontkenning ligt zo voor de hand dat een journalist zich de moeite kan besparen als het er alleen om gaat een bericht rond te krijgen met de loutere ontkenning. Wederhoor heeft evenwel een functie als dat gezien wordt als een onderdeel van serieus onderzoek, waarbij de betrokkene mogelijk aanknopingspunten kan bieden voor dat verdere onderzoek. Dat kan niet als de volgende dag gepubliceerd gaat worden, dan is ‘even bellen’ namaakjournalistiek.
Overigens is klager niet vooraf om commentaar gevraagd. Het is denkbaar dat verweerder het kantoor van klager heeft gebeld en hem te spreken heeft gevraagd. Daarop zal dan geantwoord zijn dat klager in het buitenland verbleef. Enige inhoudelijke aankondiging van het onderwerp van gesprek is echter niet gedaan, zodat ook niemand de gelegenheid heeft gehad zich te beraden en met klager contact te zoeken.
Ten slotte wijst klager erop dat aan het eind van het artikel gemeld wordt dat de raadsman van twee andere in het artikel genoemde personen (kennelijk desgevraagd) ontkent dat zijn cliënten zich aan strafbare feiten hebben schuldig gemaakt, terwijl niet wordt vermeld dat klager ook om commentaar is gevraagd maar niet in staat was dat te geven. Uit het achterwege blijven van zo een vermelding mag worden afgeleid dat verweerder de beschuldiging van Mieremet plausibel acht. Dat nu is precies de reden waarom publicatie achterwege had moeten blijven: de gemiddelde lezer zal evenzeer serieus rekening houden met de mogelijkheid dat de beschuldiging waar is.

Verweerder stelt voorop dat het artikel tot stand is gekomen naar aanleiding van verschillende gesprekken die hij met Mieremet heeft gevoerd, en niet is gebaseerd op een paar korte (telefoon)gesprekjes. Daarbij heeft Mieremet hem verschillende details heeft verteld over de moordaanslag. In het interview geeft Mieremet duidelijk weer wat volgens hem de achtergronden van de aanslag waren en ook dat hij van mening was door klager in de val te zijn gelokt. De uitlatingen ter zake zijn letterlijk opgetekend uit de mond van Mieremet, die bij monde van zijn advocaat ook heeft aangegeven dat hij in het artikel juist is geciteerd. Verweerder heeft de impliciete beschuldiging dat klager betrokken zou zijn bij de moordaanslag niet tot de zijne gemaakt. Uit het artikel blijkt duidelijk, alleen al uit het feit dat het gewraakte citaat tussen aanhalingstekens is geplaatst, dat Mieremet aan het woord is. Voor zover daar al enige onduidelijkheid over zou zijn geweest, hetgeen verweerder betwist, is dit in het artikel van 16 september 2002 rechtgezet.
Verweerder betwist dat hij de (impliciete) beschuldiging aan het adres van klager klakkeloos gepubliceerd zou hebben, zonder onderzoek te hebben verricht naar de geloofwaardigheid van deze beschuldiging. Aan de publicatie is een degelijk onderzoek voorafgegaan. Verweerder heeft in de eerste plaats contact opgenomen met de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en een gesprek gevoerd met politiewoordvoerster E. Florax, die heeft bevestigd dat het onderzoek naar de aanslag op Mieremet nog gaande was. Verder deelde Florax mee dat alle mogelijke verdenkingen in de richting van personen in het onderzoek werden meegenomen. Op verweerders nadrukkelijke vraag of klager ook verdachte was, werd dit niet ontkend. Daarnaast heeft een anonieme bron verweerder twee processen-verbaal verschaft, waarin zeer belastende CID-informatie over klager is opgenomen. Verweerder acht het van belang op te merken dat uit het artikel voor iedere lezer zeer duidelijk wordt wie Mieremet is en wat zijn positie is. Daardoor is het goed mogelijk voor de lezer om zelf zijn conclusies te trekken ten aanzien van de door Mieremet geuite beschuldigingen. Overigens is verweerder in het publiceren van de beschuldigingen van Mieremet aan het adres van klager bijzonder terughoudend geweest: Mieremet heeft in de gesprekken met verweerder nog veel zwaardere beschuldigingen aan het adres van klager geuit, die verweerder niet heeft gepubliceerd.
Voorts heeft verweerder verschillende pogingen gedaan om wederhoor toe te passen. Hij heeft op 26, 27 én 28 augustus 2002 contact opgenomen met het kantoor van klager. In eerste instantie kreeg hij te horen dat klager met vakantie was. Nadat hij duidelijk had gemaakt dat een publicatie zou verschijnen, waarin Mieremet (impliciete) beschuldigingen aan het adres van klager zou doen, werd hem aangegeven dat men verweerder daarover niet te woord wilde staan. In ieder geval is door geen van klagers kantoorgenoten namens klager iedere betrokkenheid bij de aanslag op Mieremet ontkend. Kantoorgenoten van klager gaven ook aan dat het geen zin had per faxbericht vragen te stellen. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst verweerder op een ANP-bericht van 28 augustus 2002. Daaruit blijkt dat ook het ANP contact heeft opgenomen met klagers kantoor teneinde wederhoor toe te passen. Uit de weergegeven reactie van klagers kantoorgenoot Dekker blijkt dat de beschuldigingen niet worden ontkend, maar dat het kantoor zich zou beraden op een reactie. Overigens meent verweerder dat ook de blote ontkenning van een beschuldiging relevant is en toegevoegde waarde heeft. Daarnaast was het mogelijk geweest dat klager zich niet had beperkt tot een blote ontkenning, maar had kunnen verklaren hoe de bewuste beschuldiging in de wereld is gekomen. Daardoor had klager, of een van zijn kantoorgenoten, de beschuldigingen in een ander daglicht kunnen plaatsen. Dat deze mogelijkheid niet is benut, kan verweerder niet worden tegengeworpen.
Verweerder stelt verder dat een belangenafweging moet plaatsvinden tussen zijn belang om mededelingen te publiceren en het belang van klager om niet aan lichtvaardige verdachtmakingen te worden blootgesteld. In dit geval dient die afweging in het voordeel van de vrijheid van meningsuiting uit te vallen. Daarbij komt dat het hier gaat om in citaatvorm weergegeven meningen van Mieremet, waarvoor Mieremet – en niet verweerder – verantwoordelijk is. Verweerder benadrukt dat hij de woorden van de bronnen niet tot de zijne heeft gemaakt. Volgens hem bestaat er geen algemene eis voor journalisten om systematisch en formeel afstand te nemen van de inhoud van een citaat dat anderen zou kunnen beledigen. Dit zou immers niet verenigbaar zijn met de rol van de pers om informatie te verschaffen over feiten, meningen en ideeën in welk verband verweerder nog wijst op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat zijn oordeel niet ziet op de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging. Slechts aan de orde is, of met de publicatie grenzen zijn overschreden van hetgeen journalistiek aanvaardbaar is (vgl. onder meer: Ruyssenaars en Honkoop/Biesemaat e.a., RvdJ 2002/44).

In het artikel beweert Mieremet dat klager, destijds advocaat van Mieremet, betrokken is bij de aanslag op het leven van Mieremet. Deze ernstige beschuldiging werpt een zodanige smet op klager dat verweerder deze niet zonder meer – dat wil zeggen: zonder voorafgaand nader adequaat onderzoek naar de gegrondheid ervan – had mogen publiceren.

Mieremet is, als slachtoffer van de aanslag, duidelijk niet een bron op wiens woorden verweerder zonder meer mocht afgaan. Verweerder heeft in dat verband gesteld dat hij zich mede heeft gebaseerd op uitlatingen van politiewoordvoerster Florax. Blijkens een door verweerder overgelegde verklaring heeft Florax aan verweerder meegedeeld dat het onderzoek naar de moordaanslag op Mieremet op dat moment nog gaande was. Verder heeft zij verklaard: “Op uw vraag ten aanzien van mogelijke verdachten, heb ik u geantwoord dat daarover geen andere mededeling kan worden gedaan, dan dat alle mogelijke verdenkingen in de richting van personen onderwerp van onderzoek zijn.” Voorts heeft Florax aan verweerder te kennen gegeven dat zij, gelet op een algehele beleidslijn van politie en openbaar ministerie, geen specifieke vragen over de kwestie kon beantwoorden. Anders dan verweerder ziet de Raad hierin geen aanwijzing dat Florax de uitlatingen van Mieremet aan het adres van klager feitelijk juist acht.
Verweerder heeft verder aangevoerd dat het artikel is gebaseerd op twee processen-verbaal met belastende CID-informatie over klager. Ter zitting heeft verweerder erkend dat deze informatie weliswaar geen bewijs biedt voor de gewraakte beschuldiging, maar sterke aanwijzingen bevat omtrent het cliëntenbestand van klager en zijn relatie met Mieremet. Het gaat er echter niet om dat verweerder onderzoek naar het cliëntenbestand van klager moest doen alvorens de beschuldiging te publiceren, maar onderzoek naar de gegrondheid van die beschuldiging.
Uit het door verweerder aangedragen materiaal valt, naar uit het voorgaande blijkt, geen deugdelijke onderbouwing te destilleren voor de beschuldiging dat klager bij de moordaanslag betrokken zou zijn geweest. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat voor de door Mieremet geuite, zeer ernstige, beschuldiging voldoende grondslag bestaat (vgl. onder meer: Jacobs/Eilanden-Nieuws, RvdJ 2002/32 en Aerts en Oosterdijk/Groot en Algemeen Dagblad, RvdJ 2003/04). Reeds om deze reden is de klacht gegrond.

Bovendien moet een journalist, volgens het vaste oordeel van de Raad, bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders.
Verweerder had de beschuldiging derhalve in elk geval niet mogen publiceren, zonder klager in de gelegenheid te stellen daarop commentaar te geven. Verweerder heeft aangevoerd dat hij diverse malen heeft geprobeerd klager c.q. zijn kantoorgenoten telefonisch te bereiken. De stelling van verweerder dat hij daarbij duidelijk kenbaar heeft gemaakt waar het om ging, wordt door klager betwist. Er is voorts geen materiaal voorhanden op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt ter zake juist is. In ieder geval staat niet ter discussie dat aan verweerder is meegedeeld dat klager op dat moment wegens vakantie in het buitenland verbleef en niet in staat was zelf te reageren.
Verder staat vast dat verweerder klager niet schriftelijk in de gelegenheid heeft gesteld te reageren, alvorens over publicatie te beslissen. Voor zover al juist zou zijn dat kantoorgenoten van klager aan verweerder hadden meegedeeld dat ‘het stellen van vragen per fax geen zin had’ - hetgeen de Raad niet kan vaststellen - had dat verweerder er niet van behoeven te weerhouden zich per fax tot klager zélf te wenden, ten einde hem de mogelijkheid te bieden schriftelijk op de door Mieremet geuite beschuldiging te reageren. Dit klemt te meer, nu het hier een uitermate ernstige beschuldiging betreft, die betrekking heeft op klager persoonlijk. Verder valt niet in te zien waarom verweerder wél heeft gewacht met publicatie totdat hij een reactie van mr. Moszkowicz had ontvangen, en niet heeft gewacht totdat klager voor commentaar bereikbaar was. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat verweerder desgevraagd ter zitting heeft erkend dat de publicatie van het artikel had kunnen worden aangehouden. Overigens had verweerder kunnen vermelden dat klager niet voor commentaar bereikbaar was. Dat heeft hij echter eveneens nagelaten (vgl. onder meer Timmer/Van de Kolk en De Twentsche Courant Tubantia, RvdJ 2003/03 en X/Stegen en Utrechts Nieuwsblad, RvdJ 2003/06).

Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 april 2003 door mr. D. Allewijn, voorzitter, drs. C.M. Buijs, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-21