2003/20 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P.H. de Leeuw

tegen

de hoofdredacteur van Story

Bij brief van 17 september 2002 met een bijlage heeft mr. I. Meijer, advocaat te Amsterdam, namens P.H. de Leeuw (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Story (verweerder). Hierop heeft mr. E.M. Polak, advocaat te Amsterdam, namens verweerder geantwoord in een brief van 25 oktober 2002 met twee bijlagen. Mr. Meijer heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 15 november 2002. Ten slotte heeft mr. Polak nog een bijlage overgelegd bij brief van 10 december 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 februari 2003. Namens klager is daar mr. Meijer verschenen. Aan de zijde van verweerder waren mr. M. van der Werf, bedrijfsjuriste van Sanoma Uitgevers, en mr. Polak aanwezig.

DE FEITEN

Op 7 mei 2002 is in Story nummer 19 een artikel verschenen onder de kop “Eindelijk… Dit is Kas! Zo lief is Paul de Leeuw als papa”. Bij het artikel zijn verschillende foto’s van klager en zijn zoon Kas afgedrukt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij en Kas op de foto’s duidelijk herkenbaar zijn, terwijl zij zich bevinden in de woonkamer van klagers huis. De foto’s geven de intimiteit van klagers gezinsleven weer - klager die met zijn zoon op schoot zit te spelen en te knuffelen - en zijn dus alles behalve neutraal te noemen. De foto’s zijn niet ín het huis gemaakt, maar door het raam van het huis.
Klager realiseert zich dat hij een ‘public figure’ is, dat hij voor een min of meer breed publiek interessant kan zijn en dat hij derhalve de aandacht van de media trekt. Hij beseft dat over zijn geadopteerde zoontje meer en anders kan worden gepubliceerd dan over menig ander kind. Alhoewel hij het verafschuwt dat hij geregeld op straat door fotografen van weekbladen zoals Story wordt tegengehouden als hij bijvoorbeeld met Kas wandelt, weet hij dat hij daar niet veel tegen kan doen.
Volgens klager is verweerder dit keer echter veel te ver gegaan door foto’s te maken door het raam van zijn woning, op een moment dat hij zich op de eerste etage in de beslotenheid van zijn huis bevond en geen weet had van een fotograaf die hem aan het bespieden was. Juist omdat hij als ‘public figure’ toch al zo weinig privacy overhoudt, wil hij zich in zijn eigen huis veilig voelen. Hij wil niet bevreesd hoeven zijn voor (verborgen) persfotografen, die erop uit zijn een foto te maken van de intimiteit van zijn gezinsleven en lezers daarin te laten delen. In diverse publicaties zijn foto’s afgedrukt waar klager en Kas op staan terwijl zij zich op de openbare weg bevinden. Dat is echter een heel andere situatie dan wanneer zij thuis zijn.
De door verweerder gebruikte methode van nieuwsgaring is ontoelaatbaar en buiten elke proportie. Door het maken en publiceren van de foto’s heeft verweerder inbreuk gemaakt op het recht op privacy van klager en zijn zoon. Verweerder heeft daarmee de grenzen van de journalistieke zorgvuldigheid overschreden, aldus klager.

Verweerder stelt dat de foto’s zijn gemaakt zonder (technische) hulpmiddelen zoals telelenzen of ladders. De fotograaf heeft klager gefotografeerd, zittend met zijn zoontje voor het raam aan de straatkant van zijn woning en daarmee voor iedere voorbijganger zichtbaar. De foto’s zijn genomen vanaf de openbare weg, zonder betreding van het privé-terrein van klager. Deze wijze van nieuwsgaring is volgens verweerder niet onzorgvuldig. Van het zich opdringen en/of hinderlijk volgen door verweerder is in dit geval geen sprake geweest.
De werkwijze van de fotojournalist is één kant van de zaak. Daarnaast is het product van belang, datgene wat gepubliceerd wordt. In dit geval zijn de afbeeldingen niet schokkend maar schattig. De aard en mate van intimiteit van de foto’s zijn derhalve niet zodanig, dat met de publicatie van de foto’s normen van journalistieke verantwoordelijkheid zijn overschreden. Zowel de tekst als de context waarin de foto’s zijn geplaatst, zijn terughoudend en geven aan dat verweerder zich inleeft en meeleeft met klager in zijn rol van vader.
Volgens verweerder is voorts de aard van het medium relevant. Story besteedt nu eenmaal aandacht aan bekende Nederlanders. Daarbij worden ook artikelen gepubliceerd die geen nieuwswaarde bevatten.
Verder stelt verweerder dat klager als bekende Nederlander meer aandacht te dulden heeft dan de gemiddelde Nederlander. Klager heeft zelf ruchtbaarheid gegeven aan het feit dat hij samen met zijn partner bezig was een kind te adopteren. Adoptie door een homopaar is een nieuwsfeit waaraan de media aandacht besteden. Over de adoptie van klagers zoon is dan ook veelvuldig in diverse media gepubliceerd. Bij een aantal van deze publicaties zijn ook foto’s van klager met zijn zoontje afgebeeld. Klager moet zich daarom de aandacht en belangstelling van de media voor dit aspect van zijn privé-leven laten welgevallen.
Verweerder concludeert dat hij in het kader van de hem toekomende persvrijheid het recht heeft de foto’s te publiceren. Dit recht dient zwaarder te wegen dan het recht van klager op eerbiediging van zijn privacy.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht heeft betrekking op de publicatie van foto’s van klager, een bekende Nederlander, die zonder zijn medeweten zijn gemaakt door het raam van zijn woning.

In lijn met eerdere uitspraken overweegt de Raad dat publiekelijk bekende personen in het algemeen moeten dulden dat hun portret wordt gepubliceerd wanneer zij in het nieuws komen. Dat wil echter niet zeggen, dat alle afbeeldingen in alle denkbare situaties zonder meer voor publicatie gebruikt mogen worden. Ook publieke personen hebben immers recht op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer (vgl. Havertong/De Telegraaf en Privé, RvdJ 1996/30).

Voorts heeft de Raad herhaaldelijk geoordeeld dat een journalist degene over wie hij publiceert met 'open vizier' tegemoet behoort te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem vooraf bekend moet maken. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel (vgl. onder meer: Bungalowpark Het Grootslag/Blank e.a., RvdJ 2002/34).

Het zonder zich bekend te maken nemen van een foto, door het raam, van iemand in de beslotenheid van zijn woning, vertoont parallellen met het gebruik van verborgen opname-apparatuur.

Daarover heeft de Raad als uitgangspunt het volgende vastgelegd: als regel moet een journalist met open vizier te werk gaan en mag hij niet met verborgen apparatuur opnamen maken en die uitzenden zonder medeweten of toestemming van de betrokkenen. Voordat tot openbaarmaking wordt besloten, moeten degenen die daarvoor journalistiek verantwoordelijk zijn, een zorgvuldige afweging maken tussen het belang van vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. Een besluit om gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur en de opnamen vervolgens uit te zenden is slechts voldoende verantwoord, als de belangen die daarbij gediend zijn in ruime mate opwegen tegen de inbreuk die door de opnamen wordt gemaakt op rechten en rechtmatige belangen van de betrokkenen (vgl. onder meer: Ambtshalve uitspraak inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur, RvdJ 1996/44 en Brown/De Vries, RvdJ 1998/8).

Een vergelijkbare afweging is hier van toepassing. De Raad ziet hier echter geen ernstige misstand of rechtsschending, dan wel andere zwaarwichtige redenen van algemeen belang, die op geen andere wijze aan het licht zouden kunnen worden gebracht dan door middel van de door verweerder gevolgde journalistieke werkwijze. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting erkend dat het hier geen publicatie met bijzondere nieuwswaarde betrof, maar (slechts) een onderwerp dat nog steeds de aandacht van de lezers trekt. Aldus kan niet worden geoordeeld dat voor het schenden van klagers privacy voldoende rechtvaardiging bestond.

Niet van belang daarbij is of de opnamen al dan niet met een gewone camera vanaf de straat zijn genomen. De hierboven weergegeven afweging wordt daar niet anders van.

Verweerder heeft, kortom, grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. ook: Straver en Wafelbakker/NOVA, RvdJ 1998/37)

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Story te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 april 2003 door mr. D. Allewijn, voorzitter, drs. C.M. Buijs, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-20