2003/19 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Regiopolitie Friesland en R.M.M. Ydema

tegen

E. Bredius (Privé)

Bij brief van 27 maart 2002 met vijf bijlagen heeft M. de Boer, korpsbeheerder politie Friesland, namens de Regiopolitie Friesland en haar ambtenaar R.M.M. Ydema (klagers) een klacht ingediend tegen E. Bredius (verweerder). Hierop heeft mr. H.M.A. van Meurs-Bergsma, jurist van N.V. Holdingmaatschappij De Telegraaf, namens verweerder geantwoord in een brief van 21 januari 2003. Namens klagers heeft mr. J.T. Zwart op het verweer gerepliceerd bij brief van 30 januari 2003. Ten slotte heeft mr. Van Meurs-Bergsma op de repliek gereageerd in een schrijven van 5 februari 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 februari 2003 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 18 augustus 2001 is in Privé een artikel van de hand van P. Boots en E. Bredius verschenen over seksueel misbruik van de zangeres van het duo Twarres.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat verweerder in verband met de voorgenomen publicatie contact heeft gehad met de manager van Twarres. In dat gesprek heeft verweerder meegedeeld dat de bron van zijn publicatie een politiedossier was dat hij had ontvangen van de Regiopolitie Friesland, en meer in het bijzonder van Ydema. Nadat de Regiopolitie dit had vernomen, is een onderzoek uitgevoerd door het Bureau Interne Veiligheid (BIV) van de politie.
In het kader van dit onderzoek zijn diverse personen gehoord, waaronder de manager van Twarres en verweerder. Uit een verklaring van de manager van Twarres blijkt dat verweerder op de vraag van de manager wat zijn bron was, heeft geantwoord dat dat het politiedossier was. Voorts heeft verweerder verklaard dat hij de informatie voor zijn publicatie niet van de politie had verkregen, en dat hij de naam van Ydema heeft genoemd om tegenover de manager van Twarres te bewijzen dat hij over het politiedossier beschikte. Een en ander wordt ondersteund door een verklaring van een verbalisant. Bovendien heeft een derde verklaard dat hij de informatie aan verweerder heeft verstrekt. Het door het BIV uitgevoerde onderzoek heeft aangetoond dat verweerder de informatie heeft verkregen van een derde, die op geen enkele wijze werkzaam is (geweest) voor de Regiopolitie en die op zijn beurt de informatie niet heeft verkregen van een ambtenaar van de Regiopolitie. De Regiopolitie is derhalve direct noch indirect betrokken geweest bij het verstrekken van informatie aan verweerder.

Verweerder heeft dus willens en wetens tegenover de manager van Twarres ten onrechte de Regiopolitie in het algemeen, en Ydema in het bijzonder, als bron voor de publicatie genoemd. Door zijn handelwijze heeft verweerder bij derden de indruk gewekt dat klagers informatie die zij in de uitoefening van hun taak hebben verkregen, niet vertrouwelijk zouden behandelen en voor andere doeleinden zouden hebben doorgespeeld aan derden. Verweerder heeft klagers opzettelijk valselijk beschuldigd en daarmee hun integriteit en betrouwbaarheid aangetast.
Klagers concluderen dat verweerder zich in de uitoefening van zijn beroep als journalist dermate onbehoorlijk heeft gedragen dat hij grenzen heeft overschreden.

Verweerder stelt dat hij zijn tipgever heeft willen beschermen en om die reden tegenover de manager van Twarres niet de naam heeft genoemd van de persoon die hem het politiedossier had gegeven. Het klopt dat hij de naam van Ydema heeft genoemd om aan te tonen dat hij beschikte over het dossier, omdat die naam in dossier voorkomt. Het is echter onjuist dat hij Ydema als tipgever heeft genoemd. Verweerder wilde zijn bron juist geheim houden, hetgeen een veelvuldig gehanteerd journalistiek gebruik is. Van een opzettelijk valse beschuldiging is dus geen sprake.
Overigens heeft de manager van Twarres, blijkens de door klagers overgelegde verklaring, aan de politie meegedeeld dat hij niet wilde uitsluiten dat verweerder het dossier van een advocaat heeft ontvangen. De verklaring van de verbalisant kan niet dienen als onderbouwing voor het standpunt van klagers dat verweerder hen in het telefoongesprek met de manager van Twarres als bron heeft genoemd. De verbalisant was bij dat telefoongesprek niet aanwezig en kan dus over de inhoud van dat gesprek geen verklaring afleggen. Verweerder betwist dat hij later aan de verbalisant zou hebben verklaard dat hij wél de naam van een politieambtenaar als bron zou hebben genoemd.
Verder wijst verweerder erop dat in het bewuste artikel klagers niet als bron zijn genoemd. In het artikel wordt slechts verwezen naar het politiedossier.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt vast dat de klacht niet is gericht tegen het op 18 augustus 2001 gepubliceerde artikel. Het bezwaar van klagers is gericht tegen de wijze waarop verweerder, ter voorbereiding van het artikel, onderzoek heeft verricht. Klagers stellen zich op het standpunt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door ten onrechte tegenover derden klagers als bron te noemen.

Indien een journalist ter bescherming van zijn bron een valse bron noemt, overschrijdt hij grenzen van hetgeen - gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid - maatschappelijk aanvaardbaar is. De Raad kan echter niet vaststellen dat dat in het onderhavige geval is gebeurd. De schriftelijke verklaringen van de manager van Twarres en verweerder, betreffende hetgeen in het door hun gevoerde telefoongesprek zou zijn gezegd, staan lijnrecht tegenover elkaar.

Klagers hebben in dit verband gewezen op de verklaring van de verbalisant. Voor zover deze verklaring betrekking heeft op de verklaringen van de manager en verweerder, behelst zij niet meer dan een vastlegging van hetgeen de manager en verweerder aan de verbalisant hebben meegedeeld. De verklaring van de verbalisant mist op dit punt zelfstandige betekenis (vgl. Jacobs/Eilanden-Nieuws, RvdJ 2002/32).
Voor zover de verklaring van de verbalisant betrekking heeft op de verklaring van de manager, kan daaruit niet worden afgeleid dat de verklaring van de manager feitelijk juist is. Verder verklaart de verbalisant dat verweerder telefonisch aan hem zou hebben meegedeeld, dat hij klagers als bron zou hebben genoemd. Verweerder heeft dit gemotiveerd betwist. Vervolgens verwijst de verbalisant naar de schriftelijke verklaring van verweerder, inhoudende dat deze de naam van Ydema heeft genoemd omdat die naam in het politiedossier voorkwam en hij de manager wilde bewijzen dat hij over dat dossier beschikte.

De Raad kan niet onomstotelijk vaststellen wat de inhoud is geweest van het telefoongesprek tussen verweerder en de manager van Twarres. Aldus bestaat er onvoldoende grond voor de conclusie dat verweerder klagers valselijk als bron heeft genoemd.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Privé te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 april 2003 door mr. D. Allewijn, voorzitter, drs. C.M. Buijs, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-19