2003/15 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Al Quakf Al Islami

tegen

de hoofdredacteur van NOVA (NPS/VARA Televisie)

Bij klaagschrift van 5 juni 2002 heeft mr. M.N.R. Nasrullah namens Stichting Al Quakf Al Islami, gevestigd te Eindhoven (klaagster), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NOVA (verweerder). Bij brief van 21 augustus 2002 heeft drs. S. Eikelenboom namens verweerder op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 oktober 2002, in aanwezigheid van klaagster en in afwezigheid van verweerder. Mr. Nasrullah heeft de klacht toegelicht aan de hand van pleitnotities met vier bijlagen. Daarop heeft de Raad verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze stukken te reageren. Mr. Nasrullah heeft bij brief van 29 oktober 2002 met één bijlage namens klaagster een tweede klacht tegen verweerder ingediend met betrekking tot de uitzending van NOVA van 25 oktober 2002. Verweerder heeft bij brief van 25 november 2002 met zeven bijlagen, waaronder een videoband met de gewraakte uitzendingen, op beide klachten gereageerd.

De zaak is daarop opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 24 januari 2003. Namens klaagster was aanwezig mr. D.P. Lobato. Verweerder was niet aanwezig. Mr. Lobato heeft de klachten nader toegelicht aan de hand van pleitnotities met één bijlage.

DE FEITEN

Op 18 februari 2002 heeft verweerder in het programma NOVA aandacht besteed aan het islamitisch basisonderwijs. De teneur van de uitzending is dat 10 van de in totaal 32 islamitische basisscholen directe banden hebben met fundamentalistische groeperingen. De banden lopen via bestuursleden van de scholen, die in stichtingen participeren die vijandig staan ten opzichte van niet-moslims en die worden gefinancierd vanuit Saoedi-Arabië. In dit verband wordt ook klaagster genoemd. In de uitzending wordt vermeld dat klaagster zich verzet tegen de westerse cultuur en dat verweerder beschikt over een intern, in het Arabisch gesteld stuk van klaagster (dat in de uitzending wordt getoond), waarin staat dat door klaagster in totaal 295.000 dollar is uitgegeven aan 5 islamitische basisscholen.

In de uitzending is melding gemaakt van het feit dat de BVD nog diezelfde week met een rapport over het islamitisch onderwijs zou komen. Op de bevindingen van verweerder wordt commentaar gegeven door deskundigen. Aan het slot is een reactie van de BVD opgenomen, gevolgd door een studiogesprek tussen verslaggever R. Trip en staatssecretaris van Onderwijs K. Adelmund.

In zijn uitzending van 25 oktober 2002 heeft verweerder aandacht besteed aan een rapport van de Onderwijsinspectie, welk rapport die dag openbaar was gemaakt. Het rapport, dat alle islamitische basisscholen betrof, is door de Onderwijsinspectie opgesteld naar aanleiding van Kamervragen. Die Kamervragen waren gesteld naar aanleiding van de uitzending van 18 februari 2002 en het in diezelfde maand verschenen BVD-rapport. In de uitzending van 25 oktober 2002 is kort verwezen naar de inhoud van de uitzending van 18 februari.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat zij door de uitzending van 18 februari 2002 in haar belangen is geschaad. Haar klacht bestaat uit vijf onderdelen. Ten eerste is het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen, nu zij niet in de gelegenheid is gesteld in de uitzending haar kant van het verhaal te belichten. Voorts stelt zij dat het programma eenzijdig van karakter was. Alleen belastend materiaal is aangedragen; ontlastende feiten zijn volgens klaagster weggelaten. Ten derde stelt klaagster dat het programma grove onjuistheden bevat. Zij wordt ten onrechte afgeschilderd als een fundamentalistische organisatie, die gelden uit Saoedi-Arabië ontvangt. In dat verband wijst zij erop dat het BVD-rapport vermeldt dat klaagster een klein budget heeft. Het in de uitzending bedoelde lesmateriaal wordt al jaren niet meer gebruikt. Ten vierde heeft verweerder de kijker misleid, door te verwijzen naar het nog te verschijnen BVD-rapport. De feiten die in de uitzending naar voren komen, zijn niet terug te vinden in het BVD-rapport, aldus klaagster. Het laatste onderdeel van de klacht bevat het verwijt dat het programma heeft geleid tot maatschappelijke commotie, waarbij de goede naam van klaagster in diskrediet is gebracht. Klaagster meent dat verweerder op sensatie uit was en onnodig een sfeer van angst heeft gecreëerd, terwijl terughoudendheid op zijn plaats was geweest nu moslims door dit soort berichtgeving worden gestigmatiseerd.
Klaagster stelt voorts dat verweerder met opzet op 25 oktober 2002, de dag van de behandeling van de klacht door de Raad, een nieuw item over de kwestie heeft uitgezonden. Klaagster meent dat verweerder, die toen niet bij de Raad was verschenen, een democratisch debat mijdt en kiest voor uitoefening van haar journalistieke macht. Zij voegt dit verwijt toe aan haar eerdere klacht.

Verweerder stelt de uiterste zorgvuldigheid te hebben betracht. Hij stelt al jaren onderzoek te doen naar het islamitisch onderwijs in Nederland. Daarbij heeft hij stukken van het Ministerie van Onderwijs opgevraagd en heeft hij gesproken met tal van oud-leerkrachten en -directeuren. Nu zij veelal niet voor de camera wilden spreken, zijn hun getuigenissen niet in de uitzending gebruikt, aldus verweerder. Verweerder stelt dat alle door hem in de uitzending gedane beweringen door de feiten worden gestaafd. Zij zijn gebaseerd op gegevens van de Kamer van Koophandel, statuten, reglementen of documenten van scholen en van klaagster zelf, welke stukken door verweerder zijn overgelegd. Over het lesmateriaal is in de uitzending gezegd dat het jarenlang is gebruikt, niet dat het op dat moment nog werd gebruikt. Het lesmateriaal geeft een indruk van het gedachtegoed dat aan de kinderen is overgebracht. Verweerder wijst erop dat de BVD in de uitzending op hoofdlijnen de bevindingen van verweerder bevestigt en dat deze zijn terug te vinden in het BVD-rapport dat daags na de uitzending is verschenen. Tot slot stelt verweerder dat hij getracht heeft wederhoor te krijgen. Na twee eerdere uitzendingen van NOVA, van december 2001, is er meermalen telefonisch overleg geweest tussen verweerder en de heer Dol van klaagster. Deze contacten hebben geresulteerd in een ontmoeting in de moskee Al Uraan in Eindhoven, welke prettig en open verliep en enkele uren heeft geduurd. Tijdens die ontmoeting is aan de orde gekomen dat verweerder een uitzending voorbereidde over het islamitisch basisonderwijs en de rol van klaagster daarin. De stichting is – ook nadien telefonisch - gevraagd om een reactie op de bevindingen van verweerder, waarbij is aangeboden een uitgebreide reportage te maken waarin klaagster de gelegenheid zou krijgen haar visie te geven. Klaagster is daarop niet ingegaan.
Met betrekking tot de uitzending van 25 oktober 2002 stelt verweerder dat op genoemde datum de uitkomst van het rapport van de Onderwijsinspectie voortijdig in het dagblad Trouw was verschenen. De Onderwijsinspectie besloot naar aanleiding daarvan het rapport nog diezelfde dag openbaar te maken, waarop verweerder gekozen heeft voor uitzending van een reportage die al in de maak was. Verweerder volgde hiermee de actualiteit. Gelet op de aanleiding tot het rapport lag het voor de hand te verwijzen naar de uitzending van18 februari 2002.

BEOORDELING VAN DE KLACHTEN

De eerste, op de uitzending van 18 februari 2002 betrekking hebbende, klacht is in al haar onderdelen ongegrond. De Raad overweegt daartoe als volgt.

Vaststaat dat op 24 januari 2002 een uitgebreide bespreking tussen partijen heeft plaatsgevonden in de Al Uraan moskee in Eindhoven, gevolgd door diverse telefonische contacten. Klaagster heeft niet weersproken dat door verweerder is aangeboden een uitgebreide reportage te maken waarin klaagster de gelegenheid zou krijgen haar visie te geven. Het kan verweerder niet worden aangerekend dat klaagster daar geen gebruik van heeft gemaakt.

De uitzending van 18 februari 2002 is niet eenzijdig geweest. Door verweerder is daarin duidelijk naar voren gebracht dat zijn bevindingen niet op alle 32 islamitische basisscholen betrekking hadden, maar op tien daarvan. Welke concrete, naar het oordeel van klaagster ‘ontlastende’, feiten verweerder verzuimd heeft in de uitzending te vermelden, heeft klaagster niet duidelijk gemaakt.

Van grove onjuistheden is de Raad evenmin gebleken. Klaagster heeft haar desbetreffende stelling slechts met enkele voorbeelden toegelicht, maar daartegenover heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit door hem overgelegde documenten blijkt dat klaagster wel degelijk over financiering uit Saoedi-Arabië beschikt. Het rapport van de BVD spreekt van een inmiddels verkleind budget, niet van een klein budget. Over het lesmateriaal is in de uitzending gezegd dat het jarenlang is gebruikt, niet dat het op dat moment nog werd gebruikt.

Ook de stelling dat sprake is geweest van misleiding van de kijker, kan niet worden gevolgd. Klaagster stelt dat de feiten die in de uitzending naar voren komen, niet zijn terug te vinden in het BVD-rapport. Verweerder heeft weliswaar in de uitzending meegedeeld dat de BVD diezelfde week met een rapport zou komen, maar heeft zijn uitzending gebaseerd op eigen onderzoek. Indien bepaalde feiten die in de uitzending naar voren komen, in het BVD-rapport niet exact zijn terug te vinden, doet dat aan de bevindingen van verweerder niet af. Overigens stemmen de bevindingen van de BVD en die van verweerder in grote lijnen redelijk overeen.

Het laatste klachtonderdeel kan evenmin slagen. De uitzending van NOVA heeft geenszins het karakter van sensatiejournalistiek. Dat die uitzending tot commotie leidt en mogelijk nadelig is voor de goede naam van klaagster, kan op zichzelf geen grond opleveren voor het oordeel dat verweerder in enig opzicht de grenzen van behoorlijke journalistiek heeft overschreden.

De tweede klacht, met betrekking tot de uitzending van 25 oktober 2002, is eveneens ongegrond. Het lag voor de hand dat verweerder aandacht zou besteden aan het op diezelfde dag uitgekomen rapport van de Onderwijsinspectie. Evenzeer lag het voor de hand daarbij te verwijzen naar de uitzending van 18 februari 2002, die immers mede aanleiding was geweest voor het stellen van de Kamervragen die tot het rapport van de Onderwijsinspectie hadden geleid.
Hoewel de Raad met klaagster betreurt dat verweerder niet op zijn zittingen aanwezig is geweest, staat dat verweerder volkomen vrij. De door klaagster aan het handelen van verweerder op 25 oktober 2002 verbonden conclusie voert te ver.

BESLISSING

Beide klachten zijn ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van NOVA.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 maart 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, A. Herstel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2003-15