2003/14 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.S. Veritas

tegen

J. Steehouder en de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad

Bij brieven van 9 oktober 2002 met vijf bijlagen en 15 oktober 2002 met zeven bijlagen heeft J. van der Star, in de functie van Ab Actis/Externe, namens de studentenvereniging C.S. Veritas te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen J. Steehouder en de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad (verweerders). Hierop heeft A. Kalmann, adjunct hoofdredacteur, geantwoord in een schrijven van 4 november 2002 met vier bijlagen. Klaagster heeft daarop gerepliceerd bij brief van 19 november 2002. Op die repliek heeft Kalmann ten slotte schriftelijk gereageerd op 27 november 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 december 2002. Namens klaagster waren daar voornoemde Van der Star, J. Zandvoort, voormalig Praeses, en mr. M.F.C.L.C.M. Mooren, adviseur, aanwezig. Aan de zijde van verweerders zijn daar Steehouder, Kalmann en B. van Eldert, chef nieuwsdienst, verschenen.

DE FEITEN

Op 7 september 2002 is op de voorpagina van het Utrechts Nieuwsblad een artikel van de hand van Steehouder verschenen onder de kop “Intimidatie studenten – Onderzoek wangedrag ontgroening”. De intro van het artikel luidt:
De universiteit Utrecht gaat de plaatselijke studentenverenigingen Veritas en Unitas keihard aanpakken, als nieuwe klachten over de ontgroeningspraktijken van beide verenigingen waar zijn.
Het bevat dit artikel onder meer de volgende passage:
Uit hun (van eerstejaars studenten) verklaringen blijkt dat ‘novieten’ tijdens de introductieperiode die vorige week werd afgeloten, werden gedwongen tot het eten van onder meer bruistabletten waardoor ze gingen ‘schuimbekken’. Verder werden groepen studenten opgesloten, kregen ze uitwerpselen in de haren gesmeerd en moesten eerstejaars de schoenen van ouderejaars studenten likken.

Op diezelfde dag is op pagina 3 in het Utrechts Nieuwsblad een vervolgartikel van Steehouder gepubliceerd onder de kop “Wreedheid kenmerkt ontgroeningsdagen Utrechtse studentenverenigingen – Afzeiken, kotsen en drollen in je haar”.
In dit artikel worden diverse studenten anoniem aan het woord gelaten. Over de ontgroening van Veritas wordt onder meer gezegd:
Een Veritas-student: ,,(…) De patronen van Veritas hadden een tapinstallatie mee laten rijden naar Limburg. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat stonden ze met bier in hun hand. De meesten waren onder invloed van alcohol.”
en
Een Veritas-student: ,,(…) Met zijn vijftienen zonder water in een donkere kelder. Drollen in je haar. Dat zijn toch geen geintjes?”
Verder is op die pagina een artikel met de kop “’Het is allemaal maar spel geweest’” verschenen. In dit artikel wordt de toenmalige Praeses van klaagster als volgt geciteerd:
Volgens Veritas-preses Johannes Zandvoort zijn de verhalen van de afgehaakte studenten ‘de meningen’ van mensen die slechts een deel van de introductie hebben meegemaakt. ,,Wat zij niet weten, is dat er een heel beleid achter die gebeurtenissen zit. Dat hadden ze ontdekt als ze waren gebleven. In de laatste twee dagen van de introductie is het allemaal één groot feest en krijgen de kandidaatsleden door dat het allemaal maar een spel is geweest en dat ze alleen maar zijn gepest en bij de neus genomen zijn.’’ (…) ,,Ik wil niet ontkennen dat er bruistabletten gegeten zijn, maar alles was medisch verantwoord. We hadden een medisch team van basisartsen bij ons. Een van de studenten had de Ziekte van Pfeiffer en die heeft zijn eigen tandenborstel mogen houden.’’ Dat er mensen flauwvallen als ze vermoeid raken of als het erg warm is, vindt Zandvoort eigenlijk onvermijdelijk. ,,(…) Het is niet één keer onverantwoord geweest, ik ben zelf de hele introductieperiode aanwezig geweest.’’

In het Utrechts Nieuwsblad is verder nog aandacht aan de kwestie besteed:
 op 9 september 2002 onder de kop “Ontgroening schept een band, je krijgt vrienden”, waarin de volgende zin voorkomt: “De ‘feuten’ of ‘groenen’ vielen flauw, moesten levertraan drinken, bruistabletten eten, zich opdrukken in de modder en kregen drollen in het haar gesmeerd.”;
 op 9 september 2002 onder de kop “Sponsor schrikt van gedrag studenten”;
 op 13 september 2002 onder de kop “Voor ‘kutfeut’ en bruistabletten de cel in”, met daarin opgenomen de zin: “Het wetboek lijkt niet te voorzien in een straf voor iemand die een ander uitwerpselen in het haar smeert.
 op 14 september 2002 onder de kop “Ontgroenen niet van deze tijd, stop deze walgelijke toestand”;
 op 25 september 2002 onder de kop “Corpsen buigen zich over straffen”;
 op 12 oktober 2002 onder de kop “Onder pluizen, knorren en nepballen: het spel moet (net) echt zijn – Mores leren”.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het artikel “Afzeiken, kotsen en drollen in je haar” een aantal onjuistheden bevat. Niet juist is dat de leiding van Veritas tijdens de ontgroening dronken was, dat studenten zijn opgesloten in een kelder zonder water en dat zij poep in hun haar kregen. Vooral die laatste bewering, die ook sterk naar voren is gebracht in de kop, heeft een groot effect gesorteerd en voor de meeste repercussies gezorgd, aldus klaagster. Deze bewering is niet onderbouwd en wordt terloops aangehaald door één anonieme bron, zonder nadere toelichting of omschrijving.
Zandvoort is de dag voor publicatie benaderd door Steehouder, die hem een aantal beschuldigingen voor commentaar heeft voorgelegd. Het betrof vooral zaken met betrekking tot de gezondheid van de studenten tijdens de introductie. Op een aantal aan hem voorgelegde beweringen heeft Zandvoort niet inhoudelijk gereageerd. Hij vond het belangrijker in te gaan op het doel en de achterliggende gedachte van een verenigingsintroductie, en op het feit dat de introductie geen risico’s voor de gezondheid met zich meebracht.
De drie hiervoor bedoelde beweringen - betreffende dronkenschap, opsluiting zonder water in een kelder en poep in het haar - die van alle geuite beschuldigingen de zwaarste zijn, zijn niet voorgelegd voor wederhoor. Alle drie beweringen zou Zandvoort destijds hebben kunnen weerspreken of kunnen voorzien van vraagtekens in afwachting van de uitkomst van een intern onderzoek. Dit onderzoek heeft niets boven water gebracht dat de beweringen onderschrijft.
Op aandringen van Zandvoort heeft Steehouder hem een concepttekst gestuurd van één artikel, te weten “’Het is allemaal maar spel geweest’”. Steehouder impliceerde dat dat alles was, en Zandvoort ging ervan uit dat dit het enige artikel was dat gepubliceerd zou worden. De andere op 7 september 2002 verschenen artikelen heeft Zandvoort niet vooraf ontvangen. Juist in een van de artikelen die niet tevoren zijn opgestuurd, komen de drie beweringen voor die Steehouder niet telefonisch aan Zandvoort heeft voorgelegd. Steehouder heeft dus maar gedeeltelijk wederhoor toegepast, aldus klaagster. Omdat wel een reactie van Zandvoort op andere voorvallen is geplaatst, wekt dit de suggestie dat hij de meest ernstige beweringen niet kon of wilde weerspreken. Hernieuwde pogingen van verweerders om na 7 september 2002 in gesprek te raken met ouderejaars studenten en de afwijzing daarvan zijn irrelevant, aangezien het gaat om de onjuiste toepassing van hoor en wederhoor in de artikelen van 7 september 2002.
Verder stelt klaagster dat over de hele linie sprake is van tendentieuze berichtgeving. Zo worden bijvoorbeeld in het voorpagina-artikel van 7 september 2002 en in het artikel “Ontgroening schept een band, je krijgt vrienden” van 9 september 2002 ten onrechte bepaalde beweringen als voldongen feiten gepresenteerd. Verder is de klacht gericht tegen enkele passages uit het artikel van 13 september 2002. Klaagster stelt in dit verband dat een geplaatst artikel op zichzelf beschouwd in balans moet zijn. Een negatief bericht gevolgd door een positief bericht enkele dagen later is geen ‘journalistieke balans’. De publicaties na 13 september 2002 doen dus niet ter zake, aldus klaagster.
De gevolgen van de artikelen in het Utrechts Nieuwsblad zijn groot. Vooral het bericht dat studenten uitwerpselen in het haar gesmeerd kregen, zorgde voor veel onrust in de universiteitswereld en de maatschappij. Hierdoor heeft het imago van klaagster veel schade geleden. Daarnaast heeft klaagster financiële schade geleden, onder meer doordat de Universiteit Utrecht de subsidie voor klaagster heeft stopgezet en alle banden met klaagster voor het komende jaar heeft verbroken.

Verweerders stellen dat Steehouder Zandvoort voor het eerst om een reactie heeft gevraagd aan het eind van de middag van 5 september 2002, en derhalve twee dagen voor de eerste publicatie. Diezelfde middag heeft Steehouder ook gesproken met de studentenvereniging Unitas en met het bestuur van de Universiteit Utrecht. De dagen ervoor heeft hij de klachten onderzocht die bij de krant waren binnengekomen. De gesprekken met de studenten had Steehouder die middag afgerond. De compilatie van de verklaringen, zoals gepubliceerd in het artikel “Afzeiken, kotsen en drollen in je haar”, heeft hij in de avond van 5 september geschreven.
Tijdens het telefoongesprek met Zandvoort heeft Steehouder duidelijk gezegd dat hij een aantal van de ernstigste beschuldigingen in een mondelinge samenvatting voorlegde. Zandvoort is bovendien expliciet verteld dat een aantal studenten anoniem aan het woord zou komen. De beschuldigingen die Steehouder nadrukkelijk heeft voorgelegd - in zijn ogen de ernstigste - betreffen flauwvallen, overgeven en het eten van bruistabletten. De universiteit had op dat moment al aangegeven zwaar te tillen aan incidenten waarbij de gezondheid van studenten in het geding kwam, zoals met name flauwvallen. Een woordvoerder van de universiteit had aangekondigd dat in dat geval de subsidies konden worden ingetrokken.
Steehouder heeft in het telefoongesprek met Zandvoort ook een aantal andere beweringen genoemd, waaronder het buitenissige alcoholgebruik. Daarop deelde Zandvoort steeds mee dat hij niet inhoudelijk tot in detail wilde reageren. Dat was voor Steehouder aanleiding om zich te concentreren op het algemene beleid van klaagster ten aanzien van de introductietijd, en op de klachten die betrekking hadden op de gezondheid van studenten. Steehouder heeft in ieder geval niet bewust bepaalde beweringen achtergehouden.
Volgens verweerders heeft Zandvoort uitvoerig de kans gehad zich te verdedigen tegen de aantijgingen die, op grond van de verklaring van de universiteit, als de meest ernstige konden worden beschouwd. Bovendien heeft Zandvoort de kans gehad zich uitgebreid te verweren tegen het algemene beeld dat anonieme studenten schetsten van de introductieweken. Op een verzoek van Steehouder om te kunnen praten met ouderejaars studenten die bij de omstreden introductieweken waren betrokken, reageerde Zandvoort afhoudend. Volgens hem was het geen gebruik over interne aangelegenheden naar buiten te treden. Als verweerders de indruk zouden hebben gekregen dat klaagster zou meewerken aan een gesprek van Steehouder met ouderejaars, dan zouden de publicaties van 7 september 2002 zeker tot na dat gesprek zijn uitgesteld. In de week daarna heeft Steehouder een nieuw verzoek gedaan om met ouderejaars leden van klaagster te spreken. Dit verzoek werd door de opvolgster van Zandvoort afgewezen.
Voor zover sprake zou zijn van onevenwichtige berichtgeving, is klaagster daar dus zelf mede schuldig aan. Zij heeft immers van meet af aan geen blijk gegeven mee te willen werken aan een serieuze vorm van wederhoor en een afwerende houding aangenomen. Verweerders kan dan ook niet worden verweten dat zij onzorgvuldig zijn geweest in het toepassen van wederhoor.
Verder is het verwijt dat ten onrechte verklaringen als waarheiden zijn gepresenteerd, niet terecht. Aan studenten die hun beschuldigingen hebben aangekaart is anonimiteit geboden, omdat zij zich geïntimideerd voelden en bang waren voor represailles van medestudenten. Dit is in de berichtgeving ook vermeld. Ook in de vervolgartikelen is voortdurend verwezen naar de verklaringen van anonieme studenten.
Pogingen om de gewenste journalistieke balans aan te brengen liepen vertraging op, omdat zowel klaagster als de studentenvereniging Unitas weigerde met Steehouder in gesprek te raken. Uiteindelijk hebben verweerders ervoor gekozen om op 12 oktober 2002 een beschouwend verhaal te publiceren, waarin onder meer oud-leden van klaagster uitgebreid aan het woord komen. Bovendien is op 14 september 2002 een hele pagina met reacties van lezers gepubliceerd. Bij de selectie van de reacties heeft de redactie gestreefd naar een genuanceerde samenstelling van de pagina, en zijn ook uitingen met kritiek op de krant geplaatst.
Verweerders zijn overigens nooit in staat gesteld te berichten over de interne bevindingen van klaagster en de universiteit. Beide zijn totnogtoe niet bereid geweest het eigen onderzoek naar de kwestie openbaar te maken. Klaagster heeft in een persverklaring van 23 september 2002 een mediastilte afgekondigd, met de mededeling dat zij opnieuw een persbericht zou uitgeven zodra er meer informatie beschikbaar zou zijn. Dit is echter niet gebeurd. In een persbericht van de universiteit, waarin sancties werden aangekondigd, is niet ingegaan op concrete aantijgingen tegen klaagster. Het persbericht gaf echter geen aanleiding om te twijfelen aan de anonieme beweringen van de studenten. Integendeel, alles wees op een bevestiging ervan.
Naar aanleiding van de onderhavige klacht hebben verweerders contact gezocht met hun bronnen. Daaruit is gebleken dat deelnemers aan de introductie na toiletgebruik te horen kregen dat ze hun handen niet mochten wassen, en dat ‘ze het maar in hun haar moesten smeren’. De ter zake gepubliceerde bewering is dus inderdaad naar de letter niet juist, en verweerders zullen die in vervolgpublicaties niet meer gebruiken en eventueel vervangen door de zin ‘studenten werden na toiletgebruik geacht hun vieze handen aan hun haren af te vegen’.
Verweerders betogen dat zij niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor de wijze waarop andere media over de kwestie hebben geschreven. De onderwijsinstellingen, die al in 2001 een protocol met klaagster opstelden met daarin de aankondiging van sancties bij nieuwe incidenten, hebben bovendien hun maatregelen gebaseerd op een eigen onderzoek, dat al was gestart vóór de publicaties van 7 september 2002.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens klaagster is de kern van de klacht, dat in de gewraakte berichtgeving ten onrechte is vermeld dat studenten ‘poep in het haar kregen gesmeerd’ en dat op dit punt geen wederhoor is toegepast.

In de gewraakte publicaties worden (vermeende) wantoestanden tijdens de ontgroening van eerstejaars studenten aan de orde gesteld. Bij berichtgeving als de onderhavige - die ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster bevat - dient een journalist met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt zulks niet anders (vgl. onder meer Jacobs tegen Eilanden-Nieuws, RvdJ 2002/32).
Anders dan klaagster lijkt te betogen, brengt de journalistieke verantwoordelijkheid echter niet mee dat aan een betrokkene steeds vooraf inzage in de volledige concepttekst moet worden verleend, indien hem om een reactie wordt gevraagd. Volstaan kan worden met aan betrokkene voldoende duidelijk mee te delen, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht (vgl. onder meer MediRisk tegen Hovius, RvdJ 2001/44).

Ter zitting is gebleken dat Steehouder in de middag van 5 september 2002 telefonisch contact heeft gezocht met Zandvoort en heeft aangekondigd waarover hij Zandvoort wilde spreken. Ongeveer twee uur later heeft een inhoudelijk telefoongesprek van circa twintig minuten plaatsgehad, waarin Steehouder aan Zandvoort een aantal door eerstejaars studenten geuite beschuldigingen heeft voorgelegd. Zandvoort heeft erkend dat hij op een deel van de voorgelegde beweringen niet inhoudelijk heeft geantwoord en een algemene reactie heeft gegeven, die er kort gezegd op neer kwam dat de introductieperiode medisch verantwoord was. In het licht van deze afhoudende opstelling van Zandvoort is begrijpelijk en niet onzorgvuldig dat Steehouder niet alle geuite beschuldigingen, waaronder de bewering dat studenten ‘poep in het haar gesmeerd kregen’, heeft voorgelegd.

Verweerders hebben erkend dat voor de bewering dat studenten ‘poep in het haar gesmeerd kregen’ geen feitelijke grond bestond. Naar het oordeel van de Raad is dit echter, bezien in het licht van de gehele berichtgeving, geen zodanige omissie dat gegrondbevinding van de klacht op dit onderdeel gerechtvaardigd is. De algehele teneur van de berichtgeving, te weten dat er reden is voor ernstige kritiek op de gang van zaken tijdens de recente introductieperioden van de twee genoemde Utrechtse studentenverenigingen, is voldoende onderbouwd en door klaagster niet wezenlijk weersproken.

Aldus is de Raad van oordeel dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is, door over klaagster te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Utrechts Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 maart 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mw. J.A. Koerts, mw. C.D. Smolders en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-14