2003/13 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

S. Kranenburg, H. Sweep-Bordewijk en A.M. van Klooster

tegen

I. Karaçay en de uitgever van het weekblad Dünya

Bij brief van 20 juni 2002 met twee bijlagen heeft Y.P.J. Drost, rechtskundig adviseur te Hengelo, namens S. Kranenburg, H. Sweep-Bordewijk en A.M. van Klooster (klaagsters) een klacht ingediend tegen I. Karaçay en de uitgever van het weekblad Dünya (verweerders). Hierop heeft mr. H.J. Sepers, advocaat te Brielle, namens verweerders gereageerd in een brief van 11 juli 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 december 2002. Aan de zijde van klaagsters zijn daar verschenen voornoemde Kranenburg vergezeld van haar echtgenoot, J. Sweep (namens H. Sweep-Bordewijk), M. van Dijk-de Beere vergezeld van haar echtgenoot (namens A.M. van Klooster) en voornoemde Drost. Aan de zijde van verweerders waren daar voornoemde Karaçay en mr. Sepers aanwezig. Drost en Sepers hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van de voorzitter van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door een der leden als waarnemend voorzitter tezamen met de resterende leden.

DE FEITEN

In de week van 15 tot 21 juni 2002 is in Dünya een artikel van de hand van Karaçay verschenen onder de kop “Nederland moet hand in eigen boezem steken – Met opportunisme kom je geen stap verder”. In het artikel worden onder meer gebeurtenissen aangehaald die zich in 1995 in de Turkse plaats Alanya hebben voorgedaan. Daarbij zijn klaagsters Kranenburg en Sweep, en wijlen mevrouw Van Dijk het slachtoffer geworden van ernstige misdrijven. Klaagster Van Klooster is de moeder van wijlen mevrouw Van Dijk.

Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
Laten we eens kijken naar de ontwikkelingen in Nederland, na de vrijlating van het monster van Alanya, Karayavuz, naar aanleiding van de fout die er gemaakt is: Nadat in de Nederlandse media bekend was geworden dat het monster van Alanya vrij was gelaten, heeft de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken van Aartsen een zeer bittere verklaring afgelegd. (...) Daarna heeft de Turkse justitie haar fout aangepakt en is het monster van Alanya weer achter tralies gezet. Toch heeft Nederland de reis van de prins en de prinses naar Istanbul uitgesteld.
en
Er zijn ook verhalen die de ronde doen over de gebeurtenissen in Alanya. Maar wij kunnen niet beslissen of deze verhalen op waarheid berusten of niet. Wij kunnen alleen aannemen dat deze verhalen waar zijn (...).
en
Het is toch nodig om de dingen die er beweerd worden te herhalen: Volgens de beweringen liepen de drie Nederlandse meisjes half naakt en met wijnflessen in hun handen rond toen zij Hakan en zijn vrienden tegenkwamen. Zij besloten om samen te gaan wandelen en gingen de bergen in. Op een verlaten plek stopten zij. Toen deze jongens, die niet gewend waren om met jonge, aantrekkelijke vrouwen om te gaan, probeerden om hun sexuele behoeften te bevredigen, werden zij geweigerd. Toen is de ramp gebeurd. De jongeren, die allemaal dronken waren, begonnen te vechten. Hakan, die zijn perverse doel niet had kunnen bereiken, werd helemaal krankzinnig, was zich niet meer bewust van wat hij deed en heeft meedogenloos gehandeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagsters zijn door de publicatie erg gegriefd. De gevolgen van de gebeurtenissen in Alanya zijn voor hen zeer ernstig. In het dagelijks leven ondervinden ze nog steeds de gevolgen van de gebeurtenissen in Alanya. Het was voor hen bijzonder traumatisch te moeten vernemen dat de hoofdverdachte, Hakan Karayavuz, in mei 2002 door een justitiële blunder was vrijgelaten.
Het artikel bracht bij klaagsters een enorme schok teweeg, omdat het bol staat van onjuistheden. De vrouwen waren destijds niet dronken, hadden geen wijnflessen in hun handen en waren normaal netjes zomers gekleed. Zij waren zeker niet halfnaakt en ook niet aanstootgevend. Ook de daders hadden niets gedronken. Door de Turkse strafrechter is bovendien bewezen verklaard dat de vrouwen op een zogeheten Dolmüsbus zijn gestapt, vervolgens zijn ontvoerd, meervoudig verkracht en ernstig zijn mishandeld met de bedoeling hen te vermoorden. Daarnaast is de moord op mevrouw Van Dijk bewezen verklaard.
Verder stellen klaagsters dat Karaçay ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast. In het artikel worden ernstige beschuldigingen geuit, die de persoonlijke integriteit van de slachtoffers zouden kunnen aantasten. Er wordt immers gesuggereerd dat de vrouwen de misdrijven aan zichzelf te wijten hadden. Het had op de weg van Karaçay moeten liggen om de aard en het waarheidsgehalte van de beschuldigingen nader te onderzoeken. Mede gelet op zijn Turkse achtergrond had hij dat eenvoudig kunnen doen, maar heeft hij dat nagelaten. Volgens klaagsters had Karaçay zich bovendien moeten afvragen of hun belangen niet dienden te prevaleren boven het belang van de publicatie. Karaçay had zich voorts moeten realiseren dat klaagsters direct in het artikel herkend zouden worden.
Klaagsters betogen dat verweerders onzorgvuldig te werk zijn gegaan, ten gevolge waarvan zij in hun eer en goede naam zijn aangetast. Door het artikel zijn zij opnieuw slachtoffer geworden en is hen onnodig veel leed toegevoegd, aldus klaagsters.

Verweerders stellen dat Karaçay in het artikel commentaar geeft op de gebeurtenissen die plaats hebben gehad rond het tijdstip waarop het kroonprinselijk paar Istanbul zou bezoeken voor de opening van het gerestaureerde gebouw van het Nederlandse Consulaat aldaar. In die periode deden zich omstandigheden voor waardoor het prinselijk paar uiteindelijk niet naar Istanbul is afgereisd. Het artikel is geen weergave van nieuws, maar behelst de visie van Karaçay op maatschappelijke aspecten die de relatie tussen Turkije en Nederland direct dan wel indirect beïnvloeden
Het was de bedoeling van Karaçay een waarschuwing te geven aan mensen die een vakantie doorbrengen in een land waar bepaalde normen afwijken van die in Nederland. De gebeurtenissen in Alanya dienden hiertoe slechts als voorbeeld. De opmerkingen omtrent het gedrag en de kleding van de vrouwen moeten dus in de bredere context van het artikel te worden geplaatst. Karaçay benadrukt dat het geenszins zijn bedoeling was om klaagsters in deze aan te spreken dan wel hen in een bepaald daglicht te zetten. Dit blijkt ook uit de bewoordingen die hij ten aanzien van de hoofdverdachte heeft gebruikt.
Bovendien heeft Karaçay met het gebruik van termen als ‘er wordt verteld’, ‘beweringen’ en ‘er zijn ook verhalen’ benadrukt dat het gestelde berust op ongeverifieerde geruchten en niet op vaststaande feiten. Verweerders twijfelen geen moment aan de juistheid van de weergave van de feiten als vervat in het klaagschrift.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klaagsters hebben gesteld dat sprake is van grievende, onjuiste berichtgeving zonder toepassing van wederhoor, waardoor zij ernstig in hun belangen zijn geschaad. Verweerders hebben daar tegenover gesteld dat zij de gebeurtenissen in Alanya in het kader van een commentaar als voorbeeld hebben aangehaald. Zij hebben verder gesteld dat door het gebruik van termen als ‘er wordt beweerd’, ‘beweringen’ en ‘er zijn ook verhalen’ aan de lezer voldoende duidelijk is dat het gaat om ongeverifieerde geruchten.

De Raad begrijpt de stellingen van verweerders aldus, dat zij zich daarmee (impliciet) op het standpunt stellen dat het journalistiek niet onzorgvuldig zou zijn als in een commentaar onjuistheden c.q. onjuiste beweringen van derden voorkomen. Dit standpunt is echter niet juist. Indien sprake is van een opiniërend stuk, moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds in het artikel vermelde feitelijke gegevens die op juistheid getoetst kunnen worden, en anderzijds de mening van de journalist (vgl. onder meer: Rabbijn Lewis c.s./Cassuto, RvdJ 2002/63). De Raad meent voorts dat door de zinsneden “Wij kunnen alleen aannemen dat deze verhalen waar zijn” en “Het is toch nodig om de dingen die er beweerd worden te herhalen” de beweringen als feiten zijn gepresenteerd. Verweerders hebben erkend dat de bedoelde beweringen feitelijk onjuist zijn en hebben niet weersproken dat zij klaagsters geen gelegenheid voor wederhoor hebben geboden.

De Raad overweegt verder dat een journalist steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen, die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht (vgl. Ruyssenaars en Honkoop/Biessemaat c.s., RvdJ 2002/44). Het aanhalen van de gebeurtenissen in Alanya als ‘voorbeeld’ voor een waarschuwing aan toeristen is niet dermate relevant, dat afbreuk zou zijn gedaan aan de boodschap van verweerders – te weten dat toeristen voorzichtig moeten zijn in een land waar andere normen gelden – indien dat ‘voorbeeld’ zou zijn weggelaten.

Ten slotte had het op de weg van verweerders gelegen om achteraf, toen hen bekend was geworden dat klaagsters door het artikel ernstig waren gekwetst, te trachten de negatieve gevolgen voor klaagsters weg te nemen of althans enigszins te verminderen. Verweerders hadden bijvoorbeeld in een vervolgpublicatie de onjuistheden kunnen rechtzetten en hun verontschuldigingen aan klaagsters kunnen aanbieden, doch hebben dat nagelaten.

Gezien het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen - gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid - maatschappelijk aanvaardbaar is, door te handelen en na te laten zoals zij hebben gedaan.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Dünya te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 februari 2003 door mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, waarnemend voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. C.J.E.M. Joosten en mw. drs. J.W.M. Kok, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-13