2003/11 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R. R. Fernandes

tegen

E. Nordholt (De Telegraaf)

Bij brief van 13 oktober 2002 met vier bijlagen heeft R. R. Fernandes te Oudenbosch (klager) een klacht ingediend tegen E. Nordholt (verweerder). Hierop heeft Nordholt gereageerd bij brief van 22 november 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 december 2002 buiten aanwezigheid van partijen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij op 23 juni 2002 een brief heeft gestuurd aan verweerder met het verzoek aandacht te besteden aan een door hem c.q. zijn dochter gevoerde juridische procedure. In een brief van 11 augustus 2002 heeft hij verweerder een herinnering gestuurd en verzocht de stukken te retourneren, in het geval dat verweerder niet geïnteresseerd was in klagers zaak. Klager heeft dit verzoek herhaald in brieven van 21 juli 2002 en 29 september 2002. Volgens klager heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door niet op zijn brieven te reageren en na te laten de stukken te retourneren.

Verweerder stelt dat hij de stukken waar klager op doelt nooit heeft ontvangen. Hij heeft die stukken dan ook niet in zijn bezit, zodat er niets valt te retourneren, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De stelling van klager, dat verweerder stukken van hem heeft ontvangen, wordt door verweerder betwist. De standpunten van partijen ter zake staan derhalve lijnrecht tegenover elkaar en er is geen materiaal voorhanden, op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is. Dit moet leiden tot ongegrondverklaring van de klacht.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 februari 2003 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mw. mr. V. Keur, mw. J.A. Koerts en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2003-11