2002/9 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. A.F.M. de Kok

tegen

J. Reijnders (BN/De Stem)

Bij brief van 18 oktober 2001 met een bijlage heeft mr. A.F.M. de Kok te Breda (klage-r) een klacht inge-diend tegen J. Reijnders (verweerder). Hierop heeft J. van Uffelen, hoofdredacteur van BN/De Stem, namens Reijnders gereageerd bij brief van 14 november 2001.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 december 2001. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn raadsman mr. F.I. Piternella. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

Op 21 juni 2001 is in BN/De Stem een artikel van de hand van Reijnders een artikel verschenen onder de kop “Ondanks verzet collega’s – Mr. Piternella is weer advocaat”. In het artikel wordt over klager onder meer geschreven:
“Piternella’s steun en toeverlaat mr. A. de Kok vocht al in de jaren ’90 voor de rehabilitatie van Piternella, die na een strafrechtelijke veroordeling in 1987 uit de balie werd verbannen. (...) In 1999 kreeg mr. De Kok het zelf aan de stok met de Orde van Advocaten omdat hij niet verzekerd was en de verplichte lessen niet volgde. Begin 2000 werd hij door het Hof van Discipline een half jaar geschorst. De 74-jarige De Kok heeft de toga inmiddels definitief aan de wilgen gehangen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder klakkeloos onjuiste informatie van onbetrouwbare derden heeft overgenomen en heeft nagelaten de informatie te verifiëren. Zo is bijvoorbeeld onjuist de vermelding dat Piternella uit de balie ‘werd verbannen’, aangezien Piternella destijds zelf zijn registratie op het tableau heeft beëindigd. Verweerder is ervan op de hoogte dat Piternella en klager de geldigheid en juistheid hebben bestreden van de vonnissen en arresten die in de zaak van Piternella zijn gewezen. In dit verband benadrukt klager ter zitting dat hij altijd bij de zaak van Piternella betrokken is geweest, toentertijd niet alleen persoonlijk, maar ook zakelijk, als advocaat van Piternella.
Voorts stelt klager dat sprake is van subjectieve berichtgeving. Hij wijst erop dat hij niet verzekerd was als gevolg van het feit dat de Nationale Nederlanden jarenlang de enige maatschappij was die dit soort advocatenverzekeringen afsloot en dat deze maatschappij klager niet wenste te verzekeren. Dat klager in de onmogelijkheid verkeerde om verzekerd te zijn, was aan verweerder bekend. Niettemin heeft verweerder de indruk gewekt alsof klager zich zou hebben misdragen. Hetzelfde geldt voor de berichtgeving over het niet volgen van lessen, aangezien verweerder weet dat het onzin is, om van niet feitelijk praktiserende advocaten in de leeftijd van 70 jaar of ouder te vergen dat deze lessen en cursussen volgen.
Door de berichtgeving acht klager zich in zijn eer en reputatie aangetast. Een en ander had voorkomen kunnen worden indien verweerder in zijn artikel aandacht had besteed aan klagers visie op de kwestie.

Verweerder stelt voorop dat mr. Piternella in 1987 van het tableau in Breda is verdwenen na een strafrechtelijke veroordeling en dat pas in 2001 de rechtbank besloot hem weer toe te laten als advocaat. Enkele jaren geleden voerde Piternella daarover vruchteloos een procedure, waarover verweerder op 18 maart 1999 in BN/De Stem publiceerde. De daarover door Piternella en klager ingediende klacht is door de Raad op alle punten ongegrond verklaard. De gewraakte zinsnede dat Piternella destijds ‘uit de balie werd verbannen’ maakte ook onderdeel uit van het in 1999 door de Raad gewogen en volledig overeind gebleven artikel.
Verder stelt verweerder dat de passages over klager terugslaan op de tuchtrechtelijke verwikkelingen die onder meer tot zijn schorsing hebben geleid. Het gewraakte artikel en de daartegen ingebrachte bezwaren gaan hoofdzakelijk over Piternella, die niet heeft geklaagd.
Overigens vraagt verweerder zich af of klager in zijn klacht ontvankelijk is, nu hij sinds de publicatie vier maanden heeft laten verstrijken alvorens – zonder zich eerst tot verweerder te hebben gewend - zijn klacht in te dienen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Wat betreft de door verweerder opgeworpen vraag omtrent de ontvankelijkheid van klager overweegt de Raad dat zijn Reglement geen termijn kent waarbinnen een klacht moet zijn ingediend. Het is ook niet aan de Raad bij wijze van algemene regel zo'n termijn te stellen. De Raad sluit niet uit dat in sommige gevallen op grond van het tijdsverloop moet worden geoordeeld, dat het krachtens artikel 2 lid 2 onder d van het Reglement vereiste rechtstreeks belang van een klager bij een oordeel van de Raad ontbreekt of dat de behandeling van het klaagschrift niet met de vereiste grondigheid kan geschieden. In beide gevallen blijft dan een oordeel over de klacht achterwege. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval echter niet voor. Nu enerzijds niet is gebleken dat verweerder in enig opzicht door het tijdsverloop is bemoeilijkt in zijn verweer en anderzijds geen reden bestaat om aan te nemen dat klager geen belang meer heeft bij een oordeel van de Raad, is er geen reden om klager niet in zijn klacht te ontvangen (vgl. Buck tegen Het Parool, RvdJ 2001/12 en Gaalmann tegen AD, RvdJ 2000/69).

Klager heeft ter zitting erkend dat feitelijk juist is dat hij niet verzekerd was en de door de Orde verplicht gestelde lessen niet volgde, en dat hij het daardoor met de Orde ‘aan de stok kreeg’. Verder heeft Piternella desgevraagd ter zitting verklaard dat verweerder hem voorafgaand aan de publicatie heeft gebeld voor een reactie, maar dat hij geen commentaar wilde geven. Verweerder heeft daarmee voldoende gedaan om het gevaar van eenzijdigheid van zijn berichtgeving te ondervangen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat verweerder met de gewraakte publicatie geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in BN/De Stem te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 februari 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-09