2002/8 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken

tegen

de hoofdredacteur van NOVA (NPS/VARA)

Bij brief van 6 september 2001 met vier bijlagen heeft M. Martens, secretaris, namens de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken te Roosendaal (klaagste-r) een klacht inge-diend tegen de hoofdredacteur van NOVA (verweerder). Hierop heeft P. Kloosterhuis, plaatsvervangend hoofdredacteur, gereageerd bij brief van 4 oktober 2001. P. Guinée, woordvoerder van klaagster, heeft de klacht nog toegelicht in een schrijven van 25 oktober 2001 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 december 2001. Namens klaagster zijn daar verschenen haar woordvoerders P. Guinée, S. Ankum en I. Janssen. Verweerder is niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 25 augustus 2001 is in uitzending van NOVA in het item “Vaccineren of niet” aandacht besteed aan zes gevallen van besmetting met de meningokokkenbacterie in West Brabant, de daarop volgende inenting tegen deze bacterie van kinderen in Zevenbergen en Klundert en de discussie tussen voor- en tegenstanders van vaccinatie (hierna: de uitzending). In de uitzending worden voornoemde Janssen, A. Osterhaus, viroloog aan de Erasmus Universiteit, en A. van Osch, verontruste moeder, aan het woord gelaten. Van Osch zegt over klaagster onder meer:
“Het gevaar (van deze vereniging) is dat mensen besluiten tot niet vaccineren, terwijl ze die mening gebaseerd hebben op niet-ware informatie.” en
“Ze (personen van deze vereniging) geven informatie, alleen ze geven onvolledige en in een aantal gevallen absoluut niet-ware informatie.” en
“In een aantal gevallen verkondigen ze (personen van deze vereniging) gewoon absoluut onwaarheden.”
Naar aanleiding van de uitzending heeft klaagster haar bezwaren aan verweerder kenbaar gemaakt in een brief van 28 augustus 2001. Kloosterhuis heeft hierop gereageerd bij brief van 4 september 2001. Een en ander heeft niet tot een oplossing van het gerezen geschil geleid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de uitzending eenzijdig gekleurd was en afweek van gemaakte afspraken. Door onjuiste of althans onvolledige informatie te geven over de opzet van de reportage heeft NOVA klaagster tot deelname aan de uitzending weten te bewegen.
Voorafgaand aan de uitzending heeft de contactpersoon van NOVA aan klaagster meegedeeld dat de uitzending zou gaan over de verschillende aspecten van vaccinaties en zou bestaan uit twee vooraf opgenomen interviews, te weten enerzijds met Janssen als woordvoerster van klaagster en anderzijds met Osterhaus. Daarnaast zouden ouders van door vaccinatie geschade kinderen worden geïnterviewd waarvoor klaagster aan NOVA adressen heeft verstrekt. Deze ouders zijn in de uitzending niet aan het woord gelaten.
Tot verbazing van klaagster verscheen wel Van Osch, aan wie de gelegenheid werd geboden klaagster te beschuldigen van onder andere het geven van onware informatie. Over het interview met Van Osch noch over de door haar geuite beschuldigingen is klaagster van tevoren in kennis gesteld. Daardoor heeft klaagster geen kans gehad rechtstreeks op die beschuldigingen te reageren. Aldus is het journalistieke principe van wederhoor geschonden. Klaagster acht het des te kwalijker dat ten onrechte de suggestie is gewekt dat wederhoor heeft plaatsgevonden, doordat de uitlatingen van Van Osch en de reacties van Janssen op door NOVA gestelde vragen op zodanige wijze achter elkaar zijn gemonteerd dat lijkt alsof Janssen reageert op uitlatingen van Van Osch of althans daarvan kennis heeft genomen op het moment van haar commentaar. Klaagster benadrukt dat haar vooraf duidelijk was dat aan Janssen kritische vragen zouden worden gesteld, maar dat zulks van een andere orde is dan de in de uitzending geuite beschuldigingen. Aan Janssen is slechts in algemene zin kritiek van ouders voorgelegd, en niet de persoonlijk uitgesproken beschuldigingen van Van Osch.
Verder stelt klaagster dat de interviewer suggestieve vragen heeft gesteld aan Van Osch, zoals ‘Ze zijn dus tegen vaccinatie?’ en ‘Zijn het getuigen van Jehova?’ en dat hij klaagster neerbuigend als ‘club’ heeft aangeduid. Volgens klaagster is de uitzending voorts onevenwichtig omdat geen gebruik is gemaakt van door klaagster aangedragen voorbeelden van vaccinatieslachtoffers, noch van ervaringsdeskundigen die vaccinatieschade van nabij hebben meegemaakt. Bovendien wordt klaagster voorgesteld als een gevaarlijk sektarisch clubje in dezelfde lijn als mensen die op basis van een streng gereformeerde geloofsovertuiging handelen, hetgeen in strijd is met de werkelijkheid en niet is gebaseerd op deugdelijk journalistiek onderzoek. Klaagster is een vereniging die niet is gebonden aan enige geloofsovertuiging en die haar informatie baseert op wetenschappelijke literatuur, waarbij de bronnen nadrukkelijk worden aangegeven. Iedereen is vrij om die informatie te gebruiken en te interpreteren zoals hij wil. Dat betekent echter niet dat iemand vrij is om klaagster van bewuste manipulatie van informatie te beschuldigen.
Door de ernstige beschuldigingen die aan haar adres zijn geuit - zoals het geven van onware informatie, het verkondigen van absolute onwaarheden, en de suggestie dat door klaagster verstrekte informatie zou leiden tot dodelijke slachtoffers – voelt klaagster zich in haar goede naam aangetast en onzorgvuldig bejegend. Daarnaast is de goede naam van Janssen, werkzaam als wijkverpleegkundige in een grote instelling, aangetast. Verweerder had een en ander kunnen voorkomen door haar afspraken na te komen, door op correcte wijze het recht van wederhoor toe te passen en door de gedane beschuldigingen aan het adres van klaagster deugdelijk te verifiëren.

Verweerder stelt dat de reactie van NOVA op basis van klachten van bezorgde ouders vanaf het begin in het contact met klaagster geen misverstand heeft laten bestaan over de kritische toon die het onderwerp zou krijgen. Ter toelichting stelt verweerder dat de redactie enkele weken voor de uitzending werd gebeld door een ouder met een klacht over klaagster. De ouder stelde dat klaagster geen objectieve informatie geeft over de voor- en nadelen van vaccineren, maar alleen de negatieve kanten belicht. Samen met een aantal andere verontruste ouders stelde zij vast dat klaagster naar onderzoeken verwijst die niet bestaan of waarvan de conclusies niet strookten met de werkelijkheid. Voordat de redactie aan de slag is gegaan met het onderwerp zijn de klachten van de ouders getoetst bij drie verschillende deskundigen/artsen die de conclusies van de ouders deelden. De redactie heeft direct contact opgenomen met klaagster om haar te confronteren met de kritiek. Voor het interview met Janssen heeft een uitgebreid voorgesprek plaatsgevonden, zodat van verrassingen geen sprake kan zijn. Dat daarnaast een van de verontruste ouders is geïnterviewd is logisch en zelfs noodzakelijk voor het evenwicht van het onderwerp, aldus verweerder. Hij is ervan overtuigd dat op een keurige manier de bevindingen van de redactie en die van de verontruste ouders zijn voorgelegd aan de woordvoerster van klaagster. Tijdens het interview met Janssen is de kritiek van de vertegenwoordiger van de kritische ouders meer dan voldoende expliciet gemaakt. Ten slotte wijst verweerder erop dat voor de totale balans van het onderwerp ook nog een interview is uitgezonden met professor Osterhaus, bekend viroloog, die de kwestie als buitenstaander beoordeelde.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
a. gemaakte afspraken over de opzet van de reportage zijn niet nagekomen;
b. er is sprake van onevenwichtige en suggestieve berichtgeving;
c. het beginsel van hoor en wederhoor is onvoldoende toegepast.

Wat betreft onderdeel a. verschillen partijen met name van mening over de vraag of vooraf aan klaagster is duidelijk gemaakt dat ook een ‘verontruste ouder’ in de uitzending zou worden geïnterviewd. De Raad beschikt niet over middelen om vast te stellen of - en zo ja welke - afspraken ter zake zijn gemaakt, zodat de klacht op dit punt niet kan slagen.

Het standpunt van klaagster, dat sprake is van onevenwichtige en suggestieve berichtgeving, deelt de Raad niet. In de uitzending wordt door NOVA-journalisten de achtergrond van het onderwerp geschetst. Verder wordt naar het oordeel van de Raad ruim aandacht besteed aan de standpunten van alle geïnterviewde personen, niet alleen aan die van Van Osch en Osterhaus, maar ook aan die van Janssen als woordvoerster van klaagster. Dat aldus een kritische reportage is ontstaan die klaagster mogelijk onwelgevallig is, leidt nog niet tot de conclusie dat journalistiek ontoelaatbaar is gehandeld.

De Raad heeft verder kunnen vaststellen dat in de uitzending aan Janssen twee stellingen zijn voorgelegd, die betrekken hebben op kritiek van verontruste ouders, te weten:
- “Er zijn ouders die uw vereniging tegenstreven, omdat ze vinden dat u daar (op mogelijke schadelijke effecten van vaccineren) te veel nadruk op legt, dat het gevaarlijk is wat u zegt. Wat vindt u daarvan?”, en
- “Zij (verontruste ouders) zeggen: ze brengen een anti-vaccinatiestemming teweeg. Dat kan betekenen dat de vaccinatiegraad daalt en dat daarmee, en dat zeggen ze te kunnen aantonen ook, het aantal ziektes bij kinderen weer gaat stijgen.”
Uit de uitzending blijkt niet dat ook de door Van Osch geuite beschuldigingen, inhoudende dat klaagster onvolledige en onware informatie verstrekt en absolute onwaarheden verkondigt, voor commentaar aan Janssen zijn voorgelegd. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat zulks niettemin is gebeurd. Volgens het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van dergelijke, ernstige, beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt in het toepassen van wederhoor. Verweerder had klaagster dus expliciet met de beschuldigingen moeten confronteren alvorens die beschuldigingen in zijn uitzending te verwerken. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt zulks niet anders (vgl. onder meer Van Katwijk (Assuraad)/Hovius en AD, RvdJ 2001/43). Verweerder heeft op dit punt derhalve grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Onderdeel c. van de klacht is gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van NOVA.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 februari 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-08