2002/63 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

 

rabbijn F.J. Lewis, D.I. Serphos en
de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge/Joodse Gemeente Amsterdam

 

 

 

tegen

 

 

 

C. Cassuto, hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad

 

 

 

Bij brief van 28 juni 2002 met vier bijlagen hebben rabbijn F.J. Lewis, D.I. Serphos en de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge/Joodse Gemeente Amsterdam (klagers) een klacht ingediend tegen C. Cassuto, hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (verweerster). Hierop heeft verweerster geantwoord bij brief van 7 augustus 2002 met elf bijlagen. Klagers hebben daarop nog gereageerd in een schrijven van 9 september 2002 met twee bijlagen.

 

 

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 oktober 2002. Aan de zijde van klagers was voornoemde Serphos, directeur van de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge/Joodse Gemeente Amsterdam (NIHS), aanwezig. Verweerster is eveneens verschenen.

 

 

 

DE FEITEN

 

 

 

Op 21 juni 2002 is in het Nieuw Israëlietisch Weekblad een artikel van de hand van Cassuto verschenen onder de kop “Rabbinale ruzie”. Het artikel gaat over een conflict tussen de NIHS en de Portugees-Israelietische Gemeente te Amsterdam (PIG). Aanleiding van het conflict is dat PIG-dajan Toledano een restaurant eenzijdig, zonder medeweten van rabbijn Lewis c.q. de NIHS, een kosjerverklaring heeft gegeven. De intro van het artikel luidt:
De zieltogende Portugees-Israelietische Gemeente in Amsterdam had al een aantal taken aan haar Hoogduitse zustergemeente overgedragen, maar dat rabbijn Frank Lewis nu het rabbinaat van de PIG buitenspel lijkt te zetten, dat gaat te ver.
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
Het conflict kwam naar buiten toen ribi Awraham Rosenberg – de rabbinaal assistent van de PIG – een ingezonden brief naar het NIW zond (…) Uit de brief bleek dat rabbijn Lewis zijn Portugese collega’s in feite buitenspel wilde zetten.(…) Lewis ging zelfs zo ver dat hij Toledano een verklaring voorlegde (…), zo meldt een bron binnen de PIG, die niet bij naam wil worden genoemd. De bijbehorende verantwoordelijkheden (…) zijn hem verboden.
en
En wellicht is er sprake van een cultuurverschil. Dajan Toledano is afkomstig uit Marokko en een kind van de Portugese traditie met haar wetenschappelijke instelling en voorkeur voor elegante oplossingen. (…) Rabbijn Lewis daarentegen gaat wat moeizamer door het sociale leven en laat zich soms kennen als een ontactische scherpslijper.
en
Het is overigens niet voor het eerst dat Lewis voor opschudding en afschuw zorgt met zijn gioer-beleid.
Aan het slot van het artikel wordt vermeld:
David Serphos, de directeur van de NIHS, wilde niet inhoudelijk reageren op de inhoud van dit artikel, net als Rudi Cortissos, bestuursvoorzitter van de PIG.

 

 

 

Partijen hebben nog overleg gevoerd over een mogelijke rectificatie. Dit heeft niet geleid tot een oplossing van de gerezen problemen.

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

 

 

 

Klagers stellen dat verweerster al eerder in diverse artikelen heeft bericht over vermeende problemen tussen leden van het Rabbinaat van de PIG en dat van de NIHS, en daarbij vele malen onbevestigde informatie rond de persoon van rabbijn Lewis heeft gepubliceerd. Met de gewraakte publicatie laat verweerster blijken erop uit te zijn rabbijn Lewis in een kwaad daglicht te stellen en de NIHS als instituut te schaden, aldus klagers. Volgens hen bevat het artikel diverse suggestieve opmerkingen en onjuistheden. Zo is onder meer onjuist dat Lewis een verklaring aan Toledano zou hebben voorgelegd. De bevoegdheden van Toledano in deze zijn nooit veranderd. Verweerster heeft ten onrechte - zonder dat zij daarvoor redenen aangeeft - de inhoud van de ingezonden brief van ribi Rosenberg, als feitelijk correct aanvaard. Aldus heeft verweerster ten onrechte het artikel geschreven alsof het op feitelijkheden berust, terwijl zij geen enkele bron heeft genoemd noch anderszins de berichtgeving heeft onderbouwd. Bovendien heeft verweerster onder meer door haar woordkeuze herhaaldelijk laten blijken een voorkeur te hebben voor de PIG c.q. de persoon van Toledano, zodat sprake is van zeer subjectieve berichtgeving.
Verder stellen klagers dat ten onrechte is vermeld dat Serphos niet inhoudelijk op het artikel heeft willen reageren. Verweerster heeft de concepttekst op 18 juni 2002 naar de NIHS gefaxt en gevraagd om commentaar. De eerste reactie van Serphos was dat het artikel zoveel onwaarheden bevatte, en bij gebrek aan bronvermelding van zodanig minderwaardig journalistiek niveau was, dat hij zich niet kon voorstellen dat verweerster tot publicatie zou overgaan. Serphos verklaarde daarom dat hij eerst de publicatie zou afwachten, waarop verweerster meedeelde dat hij daarmee zijn recht op een ingezonden stuk zou verliezen. Vervolgens deelde Serphos mee dat hij woordelijk in het artikel opgenomen wilde zien ‘dat hij geen commentaar wenste te geven, omdat het artikel een groot aantal onwaarheden bevat, het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) niet aan enige bronvermelding heeft gedaan en het artikel erop uit is iemand stuk te maken’. De verwijzing naar zijn reactie is dan ook bewust onvolledig en misleidend.

 

 

 

Verweerster stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van drie anonieme bronnen, omdat de NIHS noch de PIG informatie wilde verstrekken. De besturen hadden, aldus verweerster, onderling afgesproken niets over de kwestie naar buiten te brengen. Niettemin heeft zij voorafgaand aan de publicatie de tekst aan beide organisaties voorgelegd. Nadat Serphos en de bestuursvoorzitter van de PIG te kennen hadden gegeven dat zij geen commentaar wilden geven, besloot verweerster het artikel ongewijzigd te publiceren.
Vervolgens schetst verweerster een aantal gebeurtenissen die zij van belang acht. Zij wijst op berichtgeving door het NIHS-bestuur over de kwestie in een brief op 20 juni 2002 aan de raadsleden van de NIHS en in een ‘Nieuwsflits’ van 28 juni 2002 aan haar leden. In de ‘Nieuwsflits’ meldt het bestuur dat het bij de Raad voor de Journalistiek een klacht zal indienen. Terzijde merkt verweerster op dat de meeste NIHS-leden het NIW lezen. Verweerster heeft vervolgens in een hoofdredactioneel commentaar van 5 juli 2002 de NIW-lezers van de klacht op de hoogte gesteld. Volgens verweerster is er geen aanleiding voor rectificatie; de tekst is voorafgaand aan de publicatie voorgelegd aan Serphos, die in geen enkel stadium feitelijke onjuistheden weet aan te wijzen. Nog steeds is niet duidelijk wat er zo grievend is aan het artikel. Dat de NIHS en de PIG aanvankelijk hebben afgesproken geen commentaar te leveren, maar dat achteraf op deze ongebruikelijke manier alsnog willen doen, is een aanpak waarvoor verweerster niet verantwoordelijk kan worden gesteld.
Verder stelt verweerster dat de ingezonden brief waarnaar in het artikel wordt verwezen afkomstig is van Rosenberg, die samen met Toledano het rabbinaat van de PIG vormt. Rosenberg mag worden geacht op de hoogte te zijn van de werkverhoudingen. Verweerster betwist dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat. In dat verband wijst zij onder meer op de brief van 20 juni 2002 van het NIHS-bestuur aan de raadsleden en op een ‘tevredenheidsonderzoek’ dat de NIHS onder leden en potentiële leden heeft laten uitvoeren. Ter ondersteuning van haar standpunten wijst verweerster voorts op publicaties in het NIW van 22 maart 1991, 18 maart 1994, 24 december 1999 en 24 mei 2002. In het laatstgenoemde artikel, waarop de NIHS overigens niet heeft gereageerd, zijn woorden opgetekend uit de mond van de bestuursvoorzitter van de PIG.
Wat de vermelding betreft dat Serphos niet inhoudelijk wilde reageren, stelt verweerster ten slotte dat hij de kans heeft gekregen om vóór de publicatie een weerwoord te geven. Aangezien hij daarop niet adequaat heeft gereageerd, is zijn reactie in verkorte vorm weergegeven. Op de mededeling van Serphos dat hij wel met een ingezonden brief wilde reageren, heeft verweerster overigens geantwoord dat zij niet kon garanderen dat die brief onverkort zou worden geplaatst. Het is niet juist dat verweerster zou hebben gezegd dat Serphos zijn recht op plaatsing van een ingezonden brief had verspeeld, zoals klagers beweren.

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

 

 

 

Uit hetgeen zijdens klagers is aangevoerd blijkt dat de klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
a. Het artikel is gepubliceerd in de vorm van een nieuwsartikel, maar doorspekt van opinie en had dan ook als opiniestuk aan de lezers gepresenteerd moeten worden.
b. Aan klagers is onvoldoende gelegenheid tot wederhoor geboden.
c. Verweerster heeft nagelaten verkregen informatie te controleren.

 

 

 

Het gewraakte artikel is, zo heeft verweerster ter zitting verklaard, geschreven als achtergrondartikel over (vermeende) problemen tussen klagers en de Portugees-Israelietische Gemeente in Amsterdam. Behalve nieuwsfeiten en uitlatingen van (anonieme) bronnen bevat het artikel opiniërende elementen. Het staat verweerster vrij over een bepaald feit haar mening te verkondigen, mits duidelijk is dat het om haar persoonlijke opvatting gaat. In het artikel is niet steeds een strikt onderscheid gemaakt tussen feiten en oordelen. Het zou beter zijn geweest als verweerster dat onderscheid consequent had aangebracht en het artikel als opiniestuk had geafficheerd. Dat verweerster dat heeft nagelaten is echter naar het oordeel van de Raad geen zodanige omissie, dat zij daarmee jegens klagers onzorgvuldig heeft gehandeld. Mede gezien de eerdere publicaties over dit onderwerp in het Nieuw Israëlietisch Weekblad, zijn de bedoeling van het artikel en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk. Onderdeel a. van de klacht is derhalve ongegrond.

 

 

 

Ook onderdeel b. van de klacht is niet gegrond. Niet ter discussie staat dat verweerster het artikel voorafgaand aan de publicatie voor commentaar aan klagers heeft voorgelegd. Dat klagers ervoor hebben gekozen op dat moment niet inhoudelijk te reageren en eerst de publicatie af te wachten, kan verweerster niet worden verweten. Aangezien klagers pas in deze procedure naar voren hebben gebracht dat naar hun mening de tijd om te reageren te kort was, kan dit argument – voorzover al valide – hun thans niet baten. Klagers hadden immers, indien zij een inhoudelijke reactie van hun kant in het artikel opgenomen hadden willen zien, dit vóór publicatie aan verweerster kenbaar kunnen maken en uitstel voor die reactie kunnen vragen. Klagers hebben echter volstaan met de mededeling dat zij geen commentaar wensten te geven omdat naar hun mening ‘het artikel een groot aantal onwaarden bevat, het NIW niet aan enige bronvermelding heeft gedaan en het artikel erop uit is iemand stuk te maken’. Een en ander kan niet leiden tot de conclusie dat verweerster niet tot publicatie had mogen overgaan, zonder het weerwoord van klagers af te wachten. De in het artikel opgenomen zinsnede “David Serphos, de directeur van de NIHS, wilde niet inhoudelijk reageren op de inhoud van dit artikel (…)” is ter zake toereikend.

 

 

 

Onderdeel c. van de klacht moet mede worden bezien in het licht van het voorgaande. Allereerst moet een onderscheid worden gemaakt tussen in het artikel vermelde gegevens die eventueel op juistheid getoetst (hadden) kunnen worden, en de mening van verweerster. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat klagers voorafgaand aan de publicatie de gelegenheid hebben gekregen op eventuele onvolkomenheden inhoudelijk te reageren, doch dat hebben nagelaten. Bovendien heeft verweerster zich na publicatie bereid verklaard aantoonbare feitelijke onjuistheden te rectificeren. Uit hetgeen partijen ter zake hebben aangevoerd en overgelegd volgt, dat klagers echter op dat moment geen concrete feitelijke onjuistheden hebben aangewezen die voor rectificatie in aanmerking hadden kunnen komen. Derhalve valt niet in te zien dat verweerster ontoelaatbaar heeft gehandeld door verkregen informatie zonder verificatie te publiceren.

 

 

 

BESLISSING

 

 

 

De klacht is ongegrond.

 

 

 

De Raad verzoekt verweerster deze beslissing integraal of in samenvatting in het Nieuw Israëlietisch Weekblad te publiceren.

 

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, H. van Gessel en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

 

 

 

Uitspraak 2002-63