2002/62 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van de Amersfoortse Courant

Bij brief van 15 juli 2002 met een bijlage heeft X te Amersfoort (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Amersfoortse Courant (verweerder). Hierop heeft A. Kalmann, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 12 augustus 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 september 2002 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 11 juli 2002 is in de Amersfoortse Courant een artikel verschenen onder de kop “Amersfoorter vrijgesproken van aanranding”, over een strafzaak tegen klager. De slotzin van het artikel luidt: “Bij de laatste zitting was nog een andere jongen aanwezig die door (X) zegt te zijn misbruikt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de slotzin een zware aantijging aan zijn adres bevat. Een journalist dient bij een verwijt van misbruik de beklaagde een kans op een weerwoord te geven dan wel voldoende te onderzoeken of het verwijt gegrond is. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. De bedoelde ‘andere jongen’ heeft vijf jaar geleden aangifte tegen klager gedaan. In die zaak heeft de Officier van Justitie vrijspraak geëist en die eis is door de rechter overgenomen. Beide vrijspraken creëren voor klager de mogelijkheid tot terugkeer in het maatschappelijk leven. Publicaties als de onderhavige bemoeilijken dit.

Verweerder stelt dat in de strafzaak waarover verslag werd gedaan, de oude zaak tegen klager ter sprake kwam. De slotzin verwijst naar die oude zaak, die destijds is geseponeerd. De verslaggever baseerde zich dus niet op een ingefluisterde loze aantijging, maar op een element dat tijdens de rechtszaak aan de orde is geweest. De slotzin is feitelijk juist, maar het was beter geweest als eraan toegevoegd zou zijn dat die zaak indertijd geseponeerd is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De slotzin bevat een ernstige beschuldiging aan het adres van klager, die niet rechtstreeks betrekking heeft op de recente strafzaak waarover in het artikel verslag wordt gedaan. Aldus neemt die zin een bijzondere positie in binnen het rechtbankverslag en is sprake van bijzondere omstandigheden, die een uitzondering rechtvaardigen op het beginsel dat in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor niet van toepassing is (vgl. onder meer: Bloemsma/Twentsche Courant Tubantia, RvdJ 2001/10). Verweerder had in dit geval klager in de gelegenheid moeten stellen commentaar te geven.

Voorts is de ‘andere jongen’, als vermeend slachtoffer, duidelijk niet een zodanige bron dat verweerder zonder meer op zijn woorden mocht afgaan. Indien verweerder voldoende deugdelijk onderzoek zou hebben verricht, zou dit hebben uitgewezen dat klager in de zaak waarop de slotzin betrekking heeft, was vrijgesproken. Door dit gegeven onvermeld te laten heeft verweerder, zoals hij zelf ook heeft erkend, niet adequaat over de voor klager gunstige afloop van deze zaak bericht. In dit verband merkt de Raad ten overvloede op dat vrijspraak en sepot twee geheel verschillende betekenissen hebben. In het eerste geval spreekt de rechter een inhoudelijk oordeel over de zaak uit. In geval van sepot gaat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging over en blijft een inhoudelijk oordeel van de rechter achterwege.

Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Amersfoortse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 november 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-62