2002/59 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de gemeente Delft

tegen

de hoofdredacteur van de Delftsche Courant

Bij brief van 2 april 2002 met elf bijlagen heeft de gemeente Delft (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Delftsche Courant (verweerder). Hierop heeft W. van der Kooij, chef redactie, geantwoord bij brief van 16 april 2002 met twee bijlagen. Klaagster heeft daarop nog gereageerd in een brief van 18 mei 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 september 2002. Namens klaagster zijn daar mr. H.C.W.M. Moesker, hoofd Juridische Zaken, en drs. C. de Vree-van Wagtendonk, hoofd Communicatie, verschenen. Aan de zijde van verweerder zijn voornoemde Van der Kooij en L. de Jonge, redacteur, verschenen. Moesker heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

DE FEITEN

Op vrijdag 8 februari 2002 is in de Delftsche Courant een artikel verschenen onder de kop “Ambtenaren van antisemitisme beschuldigd”. In het artikel wordt vermeld dat ambtenaren van de gemeente Delft zich antisemitisch hebben uitgelaten over restauranteigenaar Cohen van zwembad Kerkpolder. Volgens het bericht was dit al eerder gebeurd, waarna de gemeente Cohen een excuusbrief had gestuurd en 500 gulden had overgemaakt naar een door hem uitgekozen goed doel. In het artikel wordt gemeentewoordvoerder Patijn aan het woord gelaten als volgt:
Patijn laat weten dat de zwembaddirecteur inmiddels een brief met excuses naar Cohen heeft verstuurd. Verdere maatregelen treft de gemeente (vooralsnog) niet. “We hebben nog geen klacht van de heer Cohen binnen”, aldus de gemeentewoordvoerder. Over een eventuele schadevergoeding wil de woordvoerder zich evenmin uitlaten. “Maar ik kan me voorstellen dat de gemeente daarmee niet bezig blijft.”

Een dag later, op zaterdag 9 februari 2002, zijn enkele reacties van politici in de Delftsche Courant opgenomen onder de kop “’Dit is absoluut onaanvaardbaar’”.

Op maandag 11 februari 2002 is in een redactioneel commentaar aandacht aan de kwestie besteed onder de kop “Schokkend”. Hierin komt de volgende passage voor:
Alleen daarom kan de reactie van de gemeente Delft laakbaar worden genoemd. Aangezien er vooralsnog geen formele klacht is ingediend, onderneemt de gemeente geen stappen, meldde een woordvoerder. Een excuusbrief van de betreffende ambtenaar aan de restauranteigenaar wordt klaarblijkelijk als voldoende beschouwd. Deze lakse en onbegrijpelijke houding gaat volstrekt voorbij aan de ernst van de situatie. (…) Kennelijk vindt de gemeente het niet nodig om haar burgers in bescherming te nemen tegen ambtenaren die de grenzen verre overschrijden. Verantwoordelijk wethouder Torenstra staat maar één ding te doen: onmiddellijk ingrijpen.

Vervolgens is op dinsdag 12 februari 2002 in de Delftsche Courant over de zaak bericht onder de kop “Na discriminerende uitlating – Zwembaddirecteur uit functie gezet”. Dit artikel bevat de volgende passage:
De gemeente heeft de directeur van zwembad Kerkpolder uit zijn functie gezet. (…) Wethouder Torenstra (PvdA, personeel en organisatie) en gemeentesecretaris Roos hebben het weekeinde gebruikt om 'de feiten op een rijtje te krijgen’. Daarop is meteen gisterochtend de directeur ‘van het zwembad afgehaald’, aldus woordvoerder De Vree.

Naar aanleiding van de berichtgeving heeft klaagster contact opgenomen met verweerder en haar bezwaren tegen de berichtgeving uiteen gezet. Partijen hebben vervolgens uitvoerig gecorrespondeerd en overleg gehad, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij voor de toekomst afspraken hebben gemaakt over de onderlinge communicatie. Daarbij heeft klaagster aangegeven dat zij de gang van zaken rondom de publicaties over zwembad Kerkpolder alsnog wenste voor te leggen aan de Raad.

Overigens heeft de Delftsche Courant nog over het verdere verloop van het zwembadincident geschreven:
- op 28 februari 2002 onder de kop “’Dit is een treitercampagne’ – Personeel zwembad onthutst over incidenten”;
- op 6 maart 2002 onder de kop “Restauranthouder eist rectificatie: ‘Dit is een smaadschrift’”;
- op 22 maart 2002 onder de kop “Zwembaddirecteur weer in functie”;
- op 29 maart 2002 onder de kop “’Dit billijken we niet. En dit zullen we ook nooit billijken’”.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt voorop dat zij, als verantwoordelijke werkgever van de bedrijfsleider van het zwembad, de kwestie zorgvuldig wenste aan te pakken. Zij heeft daarom in het weekend van 9 en 10 februari 2002 de zaken op een rijtje gezet en de betrokken personen gehoord, teneinde op maandag tot een afgewogen besluit te kunnen komen. Op 11 februari is om 9.00 uur een bijeenkomst belegd, waarin is besloten de bedrijfsleider te schorsen. Bij het bepalen van het tijdstip van de bijeenkomst is rekening gehouden met de deadline van de Delftsche Courant. Aan de afdeling Communicatie van klaagster was bekend dat informatie die om 10.00 uur bij de redactie wordt aangeleverd, nog in de krant van die dag kan worden opgenomen. Hoofd Communicatie De Vree belde daarom op de bewuste maandagochtend om 10.00 uur met verslaggever De Jonge met het bericht dat de bedrijfsleider voorlopig de toegang tot het zwembad werd ontzegd. De Jonge heeft toen niet meegedeeld dat die reactie van klaagster niet meer die dag kon worden gepubliceerd.
Met verbazing nam klaagster vervolgens kennis van het redactioneel commentaar van 11 februari, waarin zij zwaar wordt bekritiseerd en waarin haar reactie niet is terug te vinden. Over de door haar genomen maatregelen wordt pas op 12 februari bericht. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat klaagster eerst een maatregel heeft genomen, nadat verweerder in zijn commentaar een en ander als ‘schokkend’ heeft betiteld. Klaagster acht het onjuist dat verweerder, hoewel hij vóór de deadline van 11 februari op de hoogte was van de genomen maatregelen, een redactioneel commentaar heeft gepubliceerd waarvan hij op dat moment wist dat dit inhoudelijk niet meer klopte. Klaagster betwijfelt of haar reactie niet meer in het redactioneel commentaar van 11 februari kon worden verwerkt. Als dat al juist is, dan had De Jonge dat in het telefoongesprek van maandagochtend aan De Vree moeten meedelen. Bovendien had verweerder in dat geval een alternatief kunnen bedenken, bijvoorbeeld door de reactie van klaagster te publiceren in een klein omkaderd bericht op de voorpagina. Klaagsters reactie was een feit waaraan anderen niets konden toe- of afdoen. Het bericht behoefde dus niet nader onderzocht of geverifieerd te worden. Een eventuele reactie van Cohen had de volgende dag geplaatst kunnen worden.
Volgens klaagster heeft verweerder er derhalve bewust voor gekozen beschikbare, uiterst relevante informatie, die voor een goede publieke nieuwsvoorziening relevant is, op het ‘moment suprème’ niet weer te geven, terwijl dat wel mogelijk was.
Ten slotte stelt zij dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te erkennen dat hij bewust achterhaalde informatie heeft gepubliceerd. Er is na 12 februari nog wel over de kwestie geschreven, maar in die artikelen is onvermeld gebleven dat verweerder op 11 februari ‘voor de troepen heeft uitgelopen’ en onvolledig over de zaak heeft bericht. Klaagster betoogt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, door geen passende rectificatie te plaatsen.

Verweerder stelt dat in het artikel van 8 februari 2002, waarin uitvoerig over het antisemitisme bij het zwembad Kerkpolder is bericht, zoals gebruikelijk een formele reactie van klaagster is opgenomen. Hij wijst erop dat hij al eerder over spanningen binnen het zwembad heeft geschreven, zonder dat daarop van gemeentezijde is ingegrepen. Die stellingname is mede aanleiding geweest voor het commentaar van 11 februari. Op het moment van vervaardigen van het commentaar was verweerder volledig onbekend met de ontwikkelingen binnen de gemeente.
Op 11 februari omstreeks 10.00 uur ontving De Jonge het bericht van De Vree over de schorsing van de bedrijfsleider van het zwembad. De Jonge moest op dat moment de krant voor die dag afronden, het betreffende bericht op zijn merites beoordelen en voorts commentaar vragen aan de heer Cohen. Pagina 3, waarop het commentaar werd gepubliceerd, kon vanwege de zogeheten bindende sluittijd - 8.45 uur, en niet 10.00 uur zoals klaagster beweert - niet meer worden gewijzigd c.q. verwijderd. De voorpagina kon weliswaar tot 10.15 uur worden gewijzigd, maar het was ongepast om in een miniem bericht op de voorpagina uit te leggen dat een weloverwogen hoofdartikel elders in de krant achterhaald zou zijn. Bovendien kon in die korte tijd geen wederhoor meer worden toegepast. Gelet op de aard van de eerdere berichtgeving zou een klein bericht op de voorpagina geen recht hebben gedaan aan de ernst van de kwestie. Een dergelijk berichtje zou, aldus verweerder, journalistiek onzorgvuldig zijn geweest.
Direct de volgende dag is zorgvuldig over het nieuws van de schorsing bericht. Met de zinsnede “Daarop is meteen gisterochtend de directeur ‘van het zwembad afgehaald” is uitdrukkelijk aangegeven dat klaagster de maatregel heeft getroffen ruim voor het verschijnen van het commentaar van 11 februari. Verweerder meent dat hij met het uitvoerige artikel van 12 februari, dat op precies dezelfde prominente plaats als het artikel van 8 februari is geplaatst, naar behoren over de kwestie heeft bericht. Met de publicatie van 12 februari is klaagster meer recht gedaan, dan zou zijn gebeurd met een berichtje op 11 februari.
Wat betreft de inhoud van zijn commentaar stelt verweerder dat daarvoor klaagsters reactie van 8 februari cruciaal is geweest. Die reactie was een concrete indicatie dat er geen nadere stappen op handen waren. Verweerder benadrukt dat hem tot maandagochtend 10.00 uur geen enkel bericht heeft bereikt over enige actie zijdens klaagster. Zij had haar irritatie over de berichtgeving eenvoudig kunnen vermijden door de redactie eerder te attenderen op de naderende nieuwsontwikkeling. Dit is echter niet gebeurd. Het commentaar is derhalve gebaseerd op de laakbare reactie van klaagster als vervat in het artikel van 8 februari. Daarbij komt dat het commentaar breder van opzet is, aangezien dit niet alleen betrekking heeft op het recente voorval maar ook op eerdere gebeurtenissen.
Verweerder concludeert dat van het opzettelijk onjuist, onvolledig of niet weergeven van beschikbare informatie geen sprake is. Rectificatie was dan ook niet aan de orde.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat verweerder opzettelijk het bericht van klaagster over de schorsing van de bedrijfsleider niet op 11 februari 2002 heeft weergegeven, terwijl dat wel mogelijk was, en die dag een commentaar heeft gepubliceerd waarvan hij wist dat het inmiddels inhoudelijk niet meer juist was.

De Raad acht het journalistiek onzorgvuldig als een journalist beschikbare, relevante informatie niet publiceert louter met het oogmerk om een eigen redactioneel commentaar overeind te houden. Hiervan is in het onderhavige geval echter niet gebleken. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat op het moment van het telefoongesprek tussen De Vree en De Jonge, de pagina met het redactioneel commentaar niet meer kon worden gewijzigd. Wel had De Jonge nog ongeveer 15 minuten de tijd om eventueel de voorpagina aan te passen. Hij diende derhalve in een korte tijd te overwegen of klaagsters bericht op de voorpagina moest worden gepubliceerd, en zo ja op welke wijze. De Raad acht de door De Jonge c.q. verweerder ter zake gemaakte afwegingen begrijpelijk en niet journalistiek onbehoorlijk. Dat de keuze om het bericht niet die dag te publiceren klaagster niet welgevallig is, maakt zulks niet anders. De Raad meent voorts dat verweerder op 12 februari 2002 op gepaste wijze aandacht heeft besteed aan de door klaagster genomen maatregelen.

De Raad is derhalve van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Delftsche Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 november 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mr. A. Herstel en mw. J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-59