2002/58 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

dr. F.A. Hoogendijk

tegen

de hoofdredacteur van KRO 1opdeMiddag

Bij brief van 6 augustus 2002 heeft dr. F.A. Hoogendijk te Naarden (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van KRO 1opdeMiddag (verweerder). Verweerder heeft bij brief van 22 augustus 2002 met twee bijlagen op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 oktober 2002, in aanwezigheid van klager. Namens verweerder was aanwezig D. van Egmond, eindredacteur van KRO 1opdeMiddag.

DE FEITEN

Op 1 augustus 2002 heeft een uitzending plaatsgevonden van het KRO radioprogramma 1opdeMiddag. In het programmaonderdeel “de zoektocht” is aandacht besteed aan de vraag of de LPF-fractie al dan niet voorstander was van de door de advocaten Spong en Hammerstein tegen een aantal politici en journalisten ingediende aanklacht.

Een van de redacteuren van het programma, E. Beijst, heeft in de middag van 1 augustus ter voorbereiding op het programma telefonisch contact opgenomen met een aantal leden van de LPF-fractie, waaronder klager.

Het gesprek tussen Beijst en klager is als volgt begonnen:

…… Dag, u spreekt met Eveline Beijst KRO Radio 1 … kan ik u even storen?
Ja, kort graag.
Ik ben bezig met de voorbereiding van de uitzending van vanmiddag … en ben daarvoor enkele opnames aan het maken, en ik heb daarvoor ook vanochtend met de heer Maas gesproken. Er is wat onduidelijkheid… (…)

Uit dit gesprek met klager is diezelfde middag een aantal passages uitgezonden..

Bij de redactie van KRO 1 opdeMiddag geldt de regel dat bij het maken van opnamen van telefoongesprekken, dit altijd kenbaar moeten worden gemaakt aan betrokkenen. Deze regel is verwoord in een memo van 24 april 1998, waarin onder meer is vermeld:

(…) Bij ieder gesprek opgenomen in de WPM zeg je wie je bent, namens welk programma je belt en dat dit gesprek wordt opgenomen: ‘voor uw informatie, dit gesprek wordt opgenomen en wordt uitgezonden op Radio 1’. Een mededeling van ‘ik ben die en die van de KRO-radio’ is niet voldoende, je moet zeggen dat het wordt opgenomen c.q. dat er een band meeloopt. (…)

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij eerst na de uitzending heeft vernomen dat het met verweerder gevoerde gesprek is uitgezonden, terwijl hem voor noch na het gesprek door de redacteur was verteld dat dit zou gebeuren. Klager vindt dit ongepast. Hij meende dat het gesprek ten doel had te peilen of hij over de kwestie rond de aanklacht iets zinnigs zou kunnen bijdragen. Dat was zijns inziens niet het geval. Als hem duidelijk was geweest wat de bedoeling was, zou hij dan ook niet hebben meegewerkt. Klager wijst erop dat LPF-fractiesecretaris J. Eerdmans hetzelfde heeft ervaren, nu deze evenmin heeft begrepen dat het gesprek met hem werd opgenomen. De mededeling van de redacteur aan het begin van het gesprek schept onvoldoende duidelijkheid en is volgens klager afwijkend van hoe een dergelijk gesprek doorgaans begint, te weten: “dit gesprek wordt opgenomen” of “er loopt een band mee”.

Verweerder wijst op de bij KRO-radio gehanteerde regel dat het opnemen van telefoon-gesprekken kenbaar moet worden gemaakt aan de betrokkene. Dat is zelfs op 1 augustus, tijdens de voorbereiding van het programma, nog eens op de redactie besproken. Volgens verweerder heeft de redacteur zich op correcte wijze aan deze regel gehouden, getuige de wijze waarop zij het gesprek met klager is begonnen. Verweerder wijst er verder op dat klager een journalistieke staat van dienst heeft, zodat hij had kunnen beseffen, wat de mededeling van de redacteur inhield.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Van een journalist mag worden verlangd dat deze ervoor zorgt dat bij de betrokkene geen onduidelijkheid bestaat over het feit dat een gesprek wordt opgenomen om te worden uitgezonden. De instructie in het door verweerder gehanteerde memo van 24 april 1998 komt aan deze norm tegemoet. De door de redacteur van verweerder in het gesprek met klager gekozen bewoordingen stemmen hiermee niet overeen en zijn te vaag om als geschikte vervanging te dienen. Als gevolg daarvan heeft de redacteur onvoldoende duidelijk gemaakt dat het gesprek werd opgenomen om te worden uitgezonden.

Dat klager zelf een journalistieke staat van dienst heeft doet aan het voorgaande niet af.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder aandacht aan deze beslissing te besteden in het programma 1opdeMiddag.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 november 2002 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2002-58