2002/51 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 15 maart 2002 met een bijlage heeft mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (verweerder). Hierop heeft A.J. Reekers, adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf gereageerd in een brief van 26 juni 2002. Klager heeft daar op gereageerd in een brief van 23 juli 2002 van mr. Hillen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 augustus 2002. Namens klager was daar mr. Hillen aanwezig. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

In oktober 2001 is door Amerikaanse autoriteiten bekend gemaakt dat onder meer de stichting Muwaffaq wordt verdacht van het verlenen van steun aan het internationale terrorisme. Deze stichting is ook in Nederland gevestigd. Klager stond in oktober 2001 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als bestuurslid van de Nederlandse stichting. Ook stond het woonadres van klager in de registers van de Kamer van Koophandel vermeld als vestigingsadres van de stichting.

Verweerder heeft op 20 oktober 2001 aan dit onderwerp een artikel gewijd. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
Het nieuws dat in Breda een stichting is gevestigd die geld naar Bin Laden zou hebben gesluisd, heeft tot grote onrust geleid in die stad. Na meerdere bedreigingen aan het adres in de (Y)straat, heeft de politie de surveillances in de wijk sterk uitgebreid.
en
Het enige in Nederland woonachtige bestuurslid van de stichting Muwaffaq, Bredanaar (X), zou zich momenteel in zijn geboorteland Marokko ophouden en was onbereikbaar voor commentaar. “Wij zijn geen terroristen”, zeiden (X)’s vrouw en vader gisteren. “Wij weten helemaal niets van terreurfondsen.”
In het artikel wordt ook de Binnenlandse Veiligheidsdienst geciteerd in termen als “steunverlening aan de gewapende islamitische strijd” en “doelbewuste infiltratie van radicale moslims”.

In diverse andere media is ook aandacht besteed aan de kwestie. Klager heeft tegen een aantal van deze media eveneens een klacht ingediend.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat met de publicatie ten onrechte zijn privacy is geschonden. Het gebruiken van zijn volledige naam en het weergeven van de straatnaam in het artikel hebben volgens hem geen toegevoegde nieuwswaarde, terwijl het, in combinatie met de inhoud van het artikel, voor hem onnodig stigmatiserend is. Hij was geen verdachte en bevond zich in het klimaat dat na de terreuraanslagen van 11 september 2001 was ontstaan in een kwetsbare positie. Verweerder had onder die omstandigheden de berichtgeving terughoudender moeten laten zijn, aldus klager. Hij merkt hierbij nog op dat hij ten onrechte in de registers van de Kamer van Koophandel als bestuurslid van de stichting stond vermeld. Hij heeft deze vermelding inmiddels ongedaan laten maken.

Verweerder wijst er op dat tussen de publicatie en de klacht vijf maanden zijn verstreken, zonder dat iets van klager is gehoord. Hij merkt voorts op dat De Telegraaf niet het enige medium is dat de stichting en klager in de publiciteit heeft gebracht. Toen zijn correspondent in de straat van klager aanwezig was, waren er verschillende tv-ploegen, journalisten en fotografen aan het werk. Vooral is volgens verweerder van belang dat hij uitsluitend openbare gegevens heeft gepubliceerd. De registers van de Kamer van Koophandel, waarin de naam en het adres van klager zijn vermeld, zijn openbaar en voor iedereen toegankelijk. Verweerder wijst er ook op dat de redactie geprobeerd heeft contact te leggen met klager. Toen dat niet lukte, is met de echtgenote en de vader van klager gesproken. Hun reactie is zonder enige beperking in het artikel opgenomen. Tot slot is een eventuele onjuiste vermelding van klager in de registers van de Kamer van Koophandel verweerder niet toe te rekenen. Deze mocht op de registers afgaan, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het enkele - lange - tijdsverloop tussen de publicatie van het artikel en het indienen van de klacht leidt in dit geval niet tot het oordeel dat klager geen belang meer heeft bij een beoordeling van de klacht. Voorts is daarin evenmin grond te vinden om de klacht zonder meer ongegrond te achten.

De journalistieke verantwoordelijkheid brengt mee dat de persoonlijke levenssfeer van personen, waarover wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast, dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is (vgl. Van Veenendaal en Van Doorn tegen Van Zanten e.a., RvdJ 2001/25; De Kroon tegen Korver en Kouwenhoven, RvdJ 1997/15).

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat andere media ook over de kwestie hebben gepubliceerd. Dit leidt op zichzelf echter niet tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Gelet op de actualiteit van het onderwerp lag het voor de hand dat de media, waaronder verweerder, daar aandacht aan schonken. Daarover wordt niet geklaagd. Het gaat er om, hoe de berichtgeving door verweerder vorm heeft gekregen. De verschillende klachten worden in dit verband ieder op hun eigen merites beoordeeld.

Verweerder heeft voor zijn publicatie gebruik gemaakt van informatie uit de registers van de Kamer van Koophandel. Deze registers zijn openbaar en zijn voor iedereen toegankelijk. Het publiceren van dergelijke, openbare gegevens, vormt in het algemeen geen inbreuk op de privacy.
De Raad ziet in de omstandigheden van dit geval geen reden om hier anders over te oordelen. In de publicatie heeft verweerder zich, waar het de persoonlijke levenssfeer van klager betreft, beperkt tot het vermelden van de naam en straatnaam van klager. Mede gelet op het belang van het aan de orde zijnde nieuwsfeit en op het feit dat wederhoor is toegepast, vormt dit geen zodanige inbreuk op de privacy van verweerder, dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is.

Dat klager, naar hij stelt, ten onrechte in de registers van de Kamer van Koophandel als bestuurslid van de stichting stond vermeld, doet hieraan niet af. Verweerder mocht op de juistheid van deze registers afgaan bij het verzamelen van gegevens.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in De Telegraaf.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 november 2002, door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. W.D.H. Asser, mr. A. Herstel, mr. A.H. Schmeink, mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2002-51