2002/50 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van TV-Gazet

Bij brief van 15 maart 2002 heeft mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het TV-Gazet (verweerder). M. Houdijk, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord bij brief van 10 april 2002. Daarop heeft mr. Hillen nog gereageerd bij schrijven van 3 mei 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juli 2002. Namens klager is mr. Hillen daar verschenen. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

Op 19 en 20 oktober 2001 is op de kabelkrant van TV-Gazet een bericht verschenen over de Stichting Muwaffaq (verder te noemen: de Stichting), inhoudend dat de Stichting door de Amerikaanse regering ervan wordt verdacht het terroristennetwerk van Osama Bin Laden financieel te steunen. Volgens de berichtgeving zou de Stichting ook in Nederland actief zijn en zou een bestuurslid van de Stichting in Breda woonachtig zijn. In dat verband zijn beelden vertoond van het woonhuis van klager met vermelding van zijn naam, de naam van de straat waaraan het huis van klager gelegen is, en het huisnummer.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt voorop dat hij ten onrechte als bestuurslid van de Stichting stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Bovendien stond zijn adres ten onrechte als (post)adres van de Stichting vermeld in het verenigingenregister van de Kamer van Koophandel.
Volgens klager is in de berichtgeving als feit gepresenteerd dat een bestuurslid van de Stichting in Breda woonachtig was en wel in de in beeld gebrachte woning van klager. Hij meent dat het uitzenden van de beelden van zijn woonhuis geen toegevoegde nieuwswaarde had. Bovendien dient bij nieuwsuitzendingen terughoudendheid te worden betracht met het uitzenden van beelden van woonhuizen, zeker indien er geen enkel verband bestaat tussen de gerezen verdenking en het woonhuis. Daarbij komt, aldus klager, dat berichtgeving als de onderhavige uiterst zorgvuldig moet geschieden omdat na de terreuraanslagen van 11 september 2001 het risico bestond van een hetze tegen leden van de moslimgemeenschap in Nederland.
Klager betoogt dat verweerder niet terughoudend en zorgvuldig is geweest, en dat door de berichtgeving zijn privacy is geschaad. Gelet op de grote impact van de berichtgeving en gelet op het feit dat er geen strafrechtelijke verdenking jegens klager gerezen was, had verweerder hooguit de beginletters van klagers naam mogen vermelden.

Verweerder stelt dat op 18 oktober 2001 in een nieuwsuitzending van RTL Nieuws het huis van klager in beeld is gebracht. Op RTL-tekst werd ook het adres vermeld. Vervolgens zijn andere media, waaronder TV-Gazet, op die berichtgeving ingesprongen. Bovendien is de informatie gecheckt bij de Kamer van Koophandel, aldus verweerder. Ten slotte wijst hij op het moment van de publicaties, ongeveer vijf weken na de aanslagen van 11 september 2001 in Amerika. In dat verband ging het algemeen belang in deze kwestie boven dat van het individu.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht richt zich zowel tegen de tekst van de berichtgeving als tegen de afbeelding van klagers huis. Mr. Hillen heeft ter zitting verklaard dat de kern van de klacht schending van de privacy van klager betreft.

De Raad heeft in eerdere zaken overwogen dat de journalistieke verantwoordelijkheid meebrengt dat de persoonlijke levenssfeer van personen over wie gepubliceerd niet verder wordt aangetast, dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is (vgl. Van Veenendaal en Van Doorn tegen Van Zanten e.a., RvdJ 2001/25; De Kroon tegen Korver en Kouwenhoven, RvdJ 1997/15).

Verweerder mocht afgaan op de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Dat het hier openbare gegevens betreft, neemt echter niet weg dat door de vermelding van klagers volledige naam en adres diens privacy verder is aangetast dan in het kader van een openbare berichtgeving redelijkerwijs nodig was. Verweerder had in het vermelden van persoonlijke gegevens van klager meer terughoudend kunnen zijn zonder afbreuk te doen aan de nieuwswaarde van de berichtgeving door vermelding van het huisnummer achterwege te laten.

Het is niet ongebruikelijk berichtgeving als de onderhavige, die een relevant en (mogelijk) ernstig nieuwsfeit betreft, te illustreren met beelden van de woonomgeving van bij die berichtgeving betrokken personen. Bij het bepalen van de wijze waarop die woonomgeving wordt afgebeeld moet echter een afweging plaatsvinden tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van die betrokken personen anderzijds, en dient de journalist in het algemeen te voorkomen dat de afgebeelde woning kan worden getraceerd. Aangezien de berichtgeving nadere details over klager en diens woonadres bevat, is het afgebeelde woonhuis direct tot klager herleidbaar. Dit vormt eveneens een te ver gaande inbreuk op klagers privacy. Bijzondere omstandigheden die een rechtvaardiging voor die inbreuk zouden kunnen bieden, zijn gesteld noch gebleken (vgl. Bakker tegen Van der Leij, RvdJ 2001/38 en X tegen Peter R. de Vries, RvdJ 1998/35).

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting op de kabelkrant van TV-Gazet te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 november 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-50