2002/48 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

T. Oedayrajsingh Varma

tegen

de producent van ‘Opgelicht!’ (René Stokvis Producties B.V.) en zendgemachtigde TROS

Bij brief van 7 september 2001 heeft mr. drs. R. Dhalganjansing, advocaat te Den Haag, namens T. Oedayrajsingh Varma (klaagster) een klacht ingediend tegen producent van ‘Opgelicht!’ René Stokvis Producties B.V. en zendgemachtigde TROS (verweerders). Hierop heeft mr. I.C. Roelands, advocaat te Amsterdam, namens verweerders gereageerd bij brief van 9 november 2001 met 22 bijlagen. Mr. Dhalganjansing heeft bij faxbericht van 5 september 2002 nog vijf bijlagen overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 september 2002. Namens klaagster is daar mr. Dhalganjansing verschenen. Aan de zijde van verweerders zijn verschenen mr. C.A. IJff (bedrijfsjuriste van René Stokvis Producties B.V.), mr. B.A.M. van Bennekom (bedrijfsjuriste van de TROS), K. Scharrenberg (chef redactie ‘Opgelicht!’), P. Smolders (eindredacteur ‘Opgelicht!’) en mr. Roelands, die het standpunt van verweerders heeft toegelicht aan de hand van een pleitnota. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 20 juli 2001 heeft de TROS een aflevering van het televisieprogramma ‘Opgelicht!’ uitgezonden, die geheel aan klaagster is gewijd (hierna: de uitzending). Daarin wordt aan de orde gesteld dat klaagster betrokken zou zijn in financiële schandalen en dat zij zou hebben voorgewend terminaal ziek te zijn. In de uitzending worden verschillende personen aan het woord gelaten die met klaagster te maken hebben gehad.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de uitzending zeer grievende, beledigende en onjuiste uitlatingen over haar bevat. Zo wordt zij ten onrechte ervan beschuldigd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan financiële malversaties. De gepretendeerde schulden zijn echter nooit door een rechter vastgesteld. Voorts wordt gesuggereerd dat zij beweert ernstig ziek te zijn, maar dat feitelijk niet is, om de gevolgen van die financiële malversaties te ontlopen. Deze suggestie is evenzeer onjuist. Vaststaat dat klaagster ernstig ziek is. Een conclusie over haar ziekte is bovendien voorbehouden aan ter zake deskundigen. Ten onrechte is zij gekwalificeerd als ‘pathologische leugenaar’, een bij uitstek medische kwalificatie.
Volgens klaagster zijn de uitlatingen onderbouwd noch geverifieerd. Verweerders hebben gebruik gemaakt van eenzijdige, onbetrouwbare en derhalve ondeugdelijke bronnen. Bovendien hebben zij de uitzending op suggestieve wijze gemonteerd en daaraan onnodig sensatie-elementen toegevoegd, door bijvoorbeeld een telefoongesprek met klaagsters 12-jarige nichtje uit te zenden.
Verder meent klaagster dat de titel van de uitzending verwijst naar het strafbaar gestelde delict oplichting en dus naar (kleine) criminaliteit. Deze verwijzing is onjuist en suggestief, omdat daarvan in dit geval geen sprake is.
Zij stelt ten slotte dat zij verweerders vóór de uitzending uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat de beschuldigingen onjuist zijn. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij, met name vanwege haar ernstige ziekte en haar privacy, in de uitzending geen mededelingen wilde doen. Klaagster wijst erop dat zij geen toestemming heeft verleend voor de uitzending.
Door ondanks haar sommatie het programma onverkort uit te zenden, hebben verweerders doelbewust haar privacy geschonden, aldus klaagster. Zij meent dat zij tot zondebok is gemaakt en dat de uitzending uitsluitend tot doel heeft gehad haar publiekelijk zwart te maken.

Verweerders stellen voorop dat het programma ‘Opgelicht!’ tot doel heeft consumenten alert te maken op bepaalde misstanden en gedragingen van anderen waardoor consumenten gedupeerd worden. Daarbij gaat het altijd, ook in de gewraakte uitzending, om beschaamd vertrouwen. Zij hebben verder met de uitzending beoogd bestaande geruchten over klaagster, ten aanzien van financiële malversaties en haar terminale ziekte, op te helderen. Dit doel en het belang van de uitzending, om het publiek over de gedragingen en handelwijze van klaagster te informeren, worden versterkt door de positie die klaagster als (ex)politica had.
In de uitzending, waaraan een buitengewoon zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt, wordt een correct overzicht gegeven van feiten, geruchten en beweringen over klaagster. Andere media – waaronder Algemeen Dagblad, de Volkskrant, de Gooi- en Eemlander en Opzij – hadden al eerder bericht over de geruchten over klaagster. Omdat klaagster onvoldoende publiekelijk duidelijk had gemaakt waarom de inhoud van die eerdere berichtgeving niet op waarheid berustte, mochten verweerders in beginsel afgaan op de juistheid van die informatie. Het onderzoek heeft geduurd van januari 2001, toen verweerders een tip kregen dat klaagster zou liegen over haar ziekte, tot de dag van de uitzending.
Wat betreft de berichtgeving over de financiële malversaties, stellen verweerders dat informatie hierover uit verschillende openbare bronnen beschikbaar was. Zij wijzen op berichten in andere media, waarvan enkele in de uitzending zijn verwerkt, en op het rapport van de onafhankelijke commissie-De Graaff-Nauta. Daarnaast hebben verweerders veel andere bronnen geraadpleegd. Zij hebben onder meer gesproken met bestuursleden van een stichting waaraan klaagster financiële toezeggingen zou hebben gedaan, zonder die toezeggingen na te komen. Verder komt een computerdeskundige aan het woord, die verklaart dat zij pas na het aanspannen van een gerechtelijke procedure haar rekeningen door klaagster voldaan zag. De berichtgeving over beslagleggingen is gebaseerd op gegevens uit het kadaster. Aldus is een groot aantal bronnen geraadpleegd om het verhaal over financiële malversaties door klaagster te verifiëren Klaagster heeft bovendien in verschillende interviews (een deel van) haar financiële malversaties erkend. Daarmee waren ze niet langer een gerucht, maar een feit. Voorzover bepaalde mededelingen geruchten zouden zijn, is voldoende aannemelijk gemaakt dat deze ook daadwerkelijk circuleerden, aldus verweerders. Van hen kan niet worden verlangd dat zij de feitelijke juistheid van die geruchten aantonen. Verweerders betwisten dat een vordering van een derde pas zou bestaan op het moment dat de vordering in rechte is ingediend. Dat de vorderingen bestaan, is evenzeer voldoende aannemelijk gemaakt.
Voorts stellen verweerders dat niet door hén is beweerd dat klaagster geen terminale ziekte zou hebben. Zij hebben slechts aannemelijk gemaakt dat de geruchten daadwerkelijk de ronde deden, dat klaagster niet terminaal ziek zou zijn en de geveinsde ziekte zou aanwenden om de aandacht af te leiden van haar financiële malversaties. Deze geruchten bestonden al ten tijde van de uitzending. Zowel voorafgaand aan de uitzending als in de uitzending zelf, trekt een aantal geïnterviewden de terminale ziekte van klaagster in twijfel. Een van de ondervraagden heeft haar verklaringen later tegenover diverse journalisten herhaald. Er zijn verder nog meer bronnen, die vroeger tot de intieme kring van klaagster behoorden, die vergelijkbare verklaringen anoniem hebben afgelegd. Ter onderbouwing van hun stellingen voerden de bronnen verschillende gebeurtenissen aan waaruit zij de overtuiging hadden gekregen dat klaagster niet terminaal ziek was. Met name een ex-vriendin van klaagster kon zich specifieke voorvallen herinneren, waarin klaagster de waarheid rondom haar vermeende terminale ziekte verdraaide. Deze voorvallen komen ook in de uitzending aan de orde. Klaagster heeft zelf in eerdere artikelen de publiciteit gezocht en verschillende malen in de pers beweerd dat ze kanker had, althans een terminale ziekte. Bovendien heeft zij dit openlijk verklaard, in haar afscheidsbrief aan de Tweede Kamer. De uitingen zoals door verweerders in de uitzending gedaan, vonden dus voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Verweerders voelen zich gesterkt in dit standpunt door informatie die na de uitzending bekend is geworden, meer in het bijzonder door de publiekelijke erkenning van klaagster zelf dat zij inderdaad niet terminaal ziek is. Overigens stond (onder andere) in de uitzending centraal de bewering dat klaagster geen terminale ziekte heeft, hetgeen iets anders is dan de bewering dat klaagster niet ernstig ziek zou zijn, aldus verweerders.
Zij zijn verder van mening dat zij klaagster ruim voldoende gelegenheid tot wederhoor hebben geboden. Vanaf 11 juli 2001 tot en met de dag van de uitzending is iedere dag contact gezocht met klaagster om haar in de gelegenheid te stellen de beweringen te ontzenuwen en daarmee eventuele schade voor haarzelf te voorkomen of te beperken. De ondernomen pogingen zijn verwerkt in beelden en telefoongesprekken aan het eind van de uitzending. Verder blijkt uit faxberichten dat verweerders hebben geprobeerd klaagster direct en indirect, via GroenLinks, te benaderen. Klaagster heeft echter nooit inhoudelijk gereageerd en daarmee het risico aanvaard dat zij mogelijk schade zou ondervinden van de uitzending.
Ook ten aanzien van de vorm van de uitzending zijn verweerders zorgvuldig te werk gegaan. Zij hebben de beweringen van de bronnen niet tot de hunne gemaakt, maar daar vraagtekens bij geplaatst en zodoende voldoende afstand genomen van die beweringen. Verder is gebruik gemaakt van een afgewogen toonzetting en uiterst voorzichtige, genuanceerde bewoordingen. De term ‘pathologische leugenaar’ komt niet in de uitzending voor.
Volgens verweerders kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de grenzen van de journalistieke zorgvuldigheid niet zijn overschreden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In de uitzending wordt aan de orde gesteld dat klaagster een terminale ziekte zou hebben geveinsd en betrokken zou zijn bij financiële wanpraktijken. Dat hierover geruchten de ronde deden, blijkt genoegzaam uit hetgeen de geïnterviewden in de uitzending hebben verteld en wordt voorts voldoende onderbouwd door de andere door verweerders genoemde bronnen. Door hetgeen verweerders hebben aangevoerd over het aantal en de hoedanigheid van hun bronnen, heeft de Raad de overtuiging gekregen dat het door hen verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Verweerders hadden voldoende aanleiding om over de geruchten omtrent klaagster te berichten. (vgl. onder meer: A.M. Kröner/ANP e.a., RvdJ 2000/55).

Door de berichtgeving te brengen in het programma met de titel ‘Opgelicht!’ hebben verweerders de suggestie levend gehouden dat klaagster niet te goeder trouw handelde. Dit kan achteraf, nu haar gedrag een ziekelijke oorzaak blijkt te hebben, worden betreurd. Maar ten tijde van de uitzending was er wel degelijk sprake van onware mededelingen van klaagster en voelden degenen die aan het woord zijn gelaten zich wel degelijk opgelicht, terwijl klaagster zich niet bereikbaar toonde voor het geven van haar lezing. In dit licht bezien valt niet vol te houden dat verweerders grenzen hebben overschreden door hun bevindingen te presenteren in het programma ‘Opgelicht!’. Overigens valt niet in te zien waarom verweerders in een programma met die titel uitsluitend gedragingen zou mogen behandelen waarin sprake is van oplichting in de strafrechtelijke zin des woords.

Bij berichtgeving als de onderhavige - die ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster bevat - dient een journalist met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zijn geuit door een geïnterviewde, maakt zulks niet anders. (vgl. onder meer Bungalowpark Het Grootslag/Blank, Vermeulen en Noordhollands Dagblad, RvdJ 2002/34). Uit hetgeen partijen ter zake hebben gesteld, concludeert de Raad dat aan klaagster voldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden. Dat klaagster niet van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, kan verweerders niet worden verweten.

De Raad heeft er begrip voor dat de uitzending klaagster niet welgevallig is. Naar de mening van de Raad hadden verweerders voor een soberder berichtgeving kunnen kiezen, door bijvoorbeeld elementen als de weergave van het telefoongesprek met het jeugdige nichtje van klaagster te schrappen, zonder aan de nieuwswaarde van de uitzending afbreuk te doen. Dat zij dat hebben nagelaten is echter geen zodanige omissie dat verweerders daarmee onzorgvuldig hebben gehandeld.

Aldus is de Raad van oordeel dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is, door over klaagster te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma ‘Opgelicht!’.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 november 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mr. A. Herstel en mw. J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-48