2002/47 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. van Haaften

tegen

J. van Casteren en de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer

Bij brief van 18 juni 2002 met vijf bijlagen heeft J. van Haaften te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen J. van Casteren en de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer (verweerders). Hierop heeft J. Boom, hoofdredacteur a.i., geantwoord in een brief van 21 juli 2002. Klager heeft zijn klacht nog nader toegelicht in een schrijven van 29 juli 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 augustus 2002. Klager is daar niet verschenen. Aan de zijde van verweerders zijn voornoemde Van Casteren en Boom verschenen.

DE FEITEN

Op 14 mei 2002 is op de voorpagina van De Groene Amsterdammer een artikel van de hand van Van Casteren verschenen onder de kop “Monica Melkert beïnvloedt kunstaankoop Sociale Zaken”. Het artikel gaat over een opdracht van A. Melkert – echtgenoot van voornoemde Monica Melkert en destijds minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - aan klager en twee assistenten tot het vervaardigen van een kunstwerk, dat nabij de werkkamer van Melkert op het ministerie is opgehangen. Volgens het artikel zou Melkert bij het verstrekken van die opdracht “gangbare regels (hebben) genegeerd die gelden voor de aanschaf van kunstwerken voor zijn ministerie”.
Het artikel bevat de passage:
Melkert was persoonlijk betrokken bij de toewijzing van een opdracht aan een voormalige docent (klager) van zijn vrouw. (…) Volgens een van de betrokken kunstenaars was de opdracht een ‘goedmakertje’ nadat een privé-aankoop van het echtpaar Melkert in een laat stadium niet was doorgegaan.

Het artikel wordt vervolgd op pagina 2 onder de kop “Den Haag – Ministerie Sociale Zaken kocht kunst op advies Monica Melkert”. Daarin wordt vermeld dat klager Monica Melkert in contact heeft gebracht met zijn assistenten Rem en De Haan, in verband met een opdracht voor de inrichting van het huis van het echtpaar Melkert.
Dit artikel bevat de passage:
Toen de twee hun begroting presenteerden, besloot het echtpaar Melkert dat het toch te begrotelijk was. (…) Toen de twee om opheldering bleven verzoeken en gewag maakten van gederfde schade, volgde een telefoongesprek waarin mevrouw Melkert toezegde dat er bij wijze van goedmakertje ‘een grote opdracht’ aan zat te komen.

Bij brief van 15 mei 2002 heeft klager zijn bezwaren tegen de publicatie aan verweerders kenbaar gemaakt en om rectificatie verzocht. Verweerders hebben dit verzoek afgewezen in een brief van 3 juni 2002.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel de volgorde van de feiten door elkaar wordt gehaald, waardoor zijn opdracht in een verkeerd daglicht wordt gesteld. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat de aan hem verstrekte opdracht voor het maken van een kunstwerk voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een ‘goedmakertje’ zou zijn voor een afgeblazen privé-verbouwing in het huis van de familie Melkert. De volgorde was echter geheel anders. Klager kreeg de opdracht in het kader van de herinrichting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Aan die opdracht heeft de Secretaris-generaal zijn goedkeuring gegeven. Klager is vervolgens met zijn assistenten Rem en De Haan aan de slag gegaan. Het echtpaar Melkert was helemaal niet betrokken bij of op de hoogte van de manier waarop en met wie klager zijn kunstproject realiseerde. In het laatste stadium van het kunstproject heeft mevrouw Melkert aan klager gevraagd of hij mensen kende die timmerwerkzaamheden bij haar thuis zouden kunnen uitvoeren. Hij heeft mevrouw Melkert vervolgens in contact gebracht met zijn assistenten. De kunstopdracht is dus verstrekt, ruim vóórdat sprake was van plannen van het echtpaar Melkert om hun huis te verbouwen. Klager zelf was in het geheel niet betrokken bij de verbouwingsplannen. De gestelde uitlating van mevrouw Melkert ‘dat er bij wijze van goedmakertje een grote opdracht aan zat te komen’ kan dus niet slaan op de opdracht aan klager, maar heeft betrekking op een mogelijke timmerklus van zijn assistenten.
Klager heeft van zijn assistent Rem begrepen dat Van Casteren drie maanden aan het artikel heeft gewerkt. Hij heeft echter pas in de laatste twee weken voor de publicatie berichten van Van Casteren op zijn antwoordapparaat ontvangen. Volgens klager is ook op dit gebied het onderzoek van Van Casteren beneden peil.
Klager betoogt dat zijn reputatie als kunstenaar in het geding is.

Verweerders stellen dat het artikel hoofdzakelijk gaat over de handelwijze van Melkert. Het was niet hun bedoeling om aan de reputatie van klager als kunstenaar iets af te doen. Daarvan is in het artikel ook geen sprake. Klager wordt niet persoonlijk in verband gebracht met de verbouwing. De informatie die over klager is verstrekt, is correct en is met respect gebracht. Volgens verweerders blijkt uit een opname van een telefoongesprek met mevrouw Melkert, dat zij de volgorde van de gebeurtenissen juist hebben weergegeven.
Verder stellen zij dat hun niet kan worden verweten dat voor de publicatie geen contact met klager is geweest. Van Casteren heeft meermalen geprobeerd contact met klager op te nemen, om te voorkomen dat deze door het artikel zou worden overvallen. Van Casteren heeft herhaaldelijk het antwoordapparaat van klager ingesproken. Toen klager niet terugbelde, heeft Van Casteren geprobeerd hem op andere wijze – onder meer via de Rietveld Academie - te benaderen. Dat is helaas niet gelukt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is gebaseerd op de stelling dat in het artikel de volgorde van het verstrekken van de kunstopdracht aan klager en het afblazen van de privé-verbouwing van Melkert onjuist is weergegeven, als gevolg waarvan de reputatie van klager is geschaad. De standpunten van partijen ter zake staan lijnrecht tegenover elkaar en er is geen materiaal voorhanden, op grond waarvan de Raad kan vaststellen dat de weergegeven gang van zaken onjuist is. Aldus kan niet worden geoordeeld dat verweerders op dit punt grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Groene Amsterdammer te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 oktober 2002 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, mw. drs. J.W.M. Kok, drs. P. Sijpersma en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-47