2002/43 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

E.J.M. van de Mortel-Herings

tegen

de hoofdredacteur van Netwerk (AVRO)

Bij brief van 15 april 2002 met vier bijlagen heeft E.J.M. van de Mortel-Herings te Selfkant-Wehr in Duitsland (klaagster) een klacht inge-diend tegen de hoofdredacteur van AVRO’s Netwerk (verweerder). Hierop hebben M. Henneman, M. Kousemaker en J. Nievaart, - respectievelijk hoofdredacteur, verslaggever en redacteur - gezamenlijk geantwoord in een brief met twee bijlagen, die op 28 mei 2002 door de Raad is ontvangen. Klaagster heeft daarop nog gereageerd in een brief van 8 juni 2002 met vier bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juli 2002 in aanwezigheid van voornoemde Henneman en Kousemaker. Klaagster is daar niet verschenen. Ter zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 2 april 2002 heeft de AVRO in het programma Netwerk een reportage over de Raad voor de Kinderbescherming uitgezonden (hierna: de uitzending). Presentator P.J. Hagens leidt de uitzending in als volgt:
Als één van de ouders een kind ontvoert staat de andere ouder dikwijls met lege handen bij de Raad voor de Kinderbescherming. De achterblijvende ouders klagen over die Raad; die zou partijdig zijn, het kind niet centraal stellen en zelfs fouten maken. Rechters verlaten zich bij scheidingszaken op adviezen van de Raad voor Kinderbescherming. In negen van de tien gevallen volgt de rechter dat advies voor bijvoorbeeld een omgangsregeling ook op. Maar de praktijk verloopt niet zo gladjes, met name als er dus sprake is van kinderontvoering. Er liggen tientallen klachten over de Raad bij de Nationale Ombudsman. Margriet Kousemaker en Jacqueline Nievaart berichten.
In de uitzending worden twee klachten over de Raad voor de Kinderbescherming specifiek behandeld. Een daarvan is de klacht van klaagsters ex-man, die vertelt dat hij hun kind al een aantal jaren niet heeft gezien. Hij zegt in de uitzending onder meer:
(…) vanuit de hulpverlening is er een scheiding gekomen. Waarna ik bij de Raad voor de Kinderbescherming terecht ben gekomen. En toen is alles hartstikke mis gelopen. Ik voel me zeer slecht behandeld door de Raad.
en
Wat ik vind is dat ik er stellig van overtuigd ben dat zowel moeder als ik dit nooit hebben gewild. (…) En wat je nu ziet in deze situatie dat door hulpverlening, maar ook vooral door de Raad van de Kinderbescherming deze situatie zo enorm is geëscaleerd wat moeder als ik nooit hebben gewild. En dat vind ik natuurlijk vreselijk.

In de uitzending zijn beelden getoond waarop klaagster en haar kind zijn te zien. Verder komen in de uitzending een moeder, die eveneens problemen heeft met de Raad voor de Kinderbescherming, en een aantal deskundigen – onder wie een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming - aan het woord.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de in de uitzending verstrekte informatie onjuist en eenzijdig is, zowel wat betreft de achtergrond van de scheiding tussen klaagster en haar ex-man als betreffende de Raad voor de Kinderbescherming. Het is absoluut niet duidelijk dat de uitzending hoofdzakelijk gaat om het functioneren van de Raad voor de Kinderbescherming. Klaagster heeft de indruk dat haar ex-man Netwerk heeft gebruikt om landelijk aandacht voor zijn situatie de vragen. Verweerder heeft haar ex-man de gelegenheid gegeven onjuiste uitlatingen over haar te doen, aldus klaagster. Zij meent dat haar ex-man niet betrouwbaar is en wijst erop dat hij voor mishandeling is veroordeeld. Bovendien is door het uitzenden van de zelfgemaakte videobeelden haar privacy aangetast. Klaagster heeft naar aanleiding van de uitzending veel negatieve reacties uit haar omgeving ontvangen.
Verder stelt zij dat verweerder aan de kwestie aandacht heeft besteed zonder enige zorgvuldigheid in acht te nemen. Er is niet de moeite genomen om, rechtstreeks dan wel indirect, met klaagster in contact te komen om haar verhaal te horen. Klaagster woont vlak bij de Nederlandse grens, haar adres is bij haar ex-man bekend, en hun zoontje gaat naar school in de woonplaats van haar ex-man. Van ontvoering van hun kind is volstrekt geen sprake.
Klaagster betoogt dat haar verdriet niet het gevolg is van het handelen van de Raad voor de Kinderbescherming, maar voortkomt uit het verleden, en mede door de onderhavige uitzending nog steeds voortduurt.

Verweerder stelt voorop dat bij het voorbereiden en maken van de uitzending de grootste zorgvuldigheid is betracht, omdat de redactie zich ervan bewust was dat de zaken die bij de Raad voor de Kinderbescherming komen over mensen gaan. Aanleiding van de uitzending was een telefoontje van iemand die meldde dat er veel klachten over de Raad voor de Kinderbescherming bij de Nationale Ombudsman waren ingediend. Dit bericht is geverifieerd en bleek te kloppen. Daarna heeft de redactie contact gezocht met ouders die betrokken waren bij de klachten. Na consultering van onafhankelijke deskundigen concludeerde de redactie dat het onderwerp, het tekortschieten van de Raad voor de Kinderbescherming, voldoende gefundeerd was om er een reportage aan te wijden. Dat is gebeurd aan de hand van twee voorbeelden, die volgens betrokkenen en deskundigen representatief waren voor de fouten die de Raad voor de Kinderbescherming maakt in dit soort gevallen. Een van die voorbeelden, waaruit bleek dat de Raad voor de Kinderbescherming zowel fouten had gemaakt in rapportage als in de uitvoering van het toewijzingsproces, was de zaak van klaagsters ex-man. De voorbeelden zijn alleen gebruikt om het verkeerd handelen van de Raad voor de Kinderbescherming te illustreren. Dat stond dan ook centraal in de uitzending. Verweerder begrijpt dat beide ex-partners een eigen visie op de feiten hebben. In de uitzending ging het echter niet om het gelijk van een van beide partners, maar om de onzorgvuldige werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming. Van die werkwijze was klaagsters ex-man het slachtoffer, aangezien de omgangsregeling functioneerde maar door de Raad voor de Kinderbescherming werd gestopt, terwijl in hoger beroep is beslist dat het contact tussen vader en kind zo snel mogelijk hersteld moest worden.
De redactie heeft, om de reportage compleet te krijgen, haar uiterste best gedaan om ook de andere partijen te benaderen. In het geval van klaagster is dit geprobeerd via de advocaat van klaagsters ex-man, de Nationale Ombudsman en justitie. De redactie stuitte daarbij op een muur: de desbetreffende personen/instanties deelden mee dat zij de gegevens van klaagster niet konden verstrekken dan wel dat zij niet wilden meewerken. Het is de redactie dan ook niet gelukt om met klaagster in contact te komen. Na uitgebreid overleg is geconcludeerd dat het niet kunnen spreken van de andere partij de uiteindelijke reportage niet zou beïnvloeden Immers, aan de orde was niet wie van de partijen gelijk heeft, maar welke rol de Raad voor de Kinderbescherming in beide zaken heeft gehad. Overigens vond een aantal mededelingen van klaagsters ex-man, over de achtergrond van hun scheiding, steun in het onderliggende dossier.
In beide gevallen is het verhaal van de ouder in de huiselijke omgeving gefilmd. De ex-man van klaagster liet foto’s en een homevideo van zijn kind zien. Hij vond het vanzelfsprekend dat die werden opgenomen. In de uitzending zijn beelden getoond van klaagsters ex-man, die kijkt naar zelfgemaakte videobeelden waarop klaagster even is te zien. Tijdens het kijken naar die beelden uit hij zijn kritiek op de Raad voor de Kinderbescherming. De uitspraken van klaagsters ex-man sloten precies aan bij datgene waar het in de uitzending over ging: het falen van de Raad voor de Kinderbescherming. Verweerder stelt dat zorgvuldig is afgewogen of het verantwoord was om de privé-beelden te tonen. De redactie heeft stilgestaan bij mogelijk bezwaar van klaagster, mede omdat zij op de homevideo enkele seconden was te zien. Omdat de redactie er niet in was geslaagd contact met klaagster te krijgen, kon met haar niet worden overlegd. Uiteindelijk is besloten de beelden de gebruiken, omdat zij een belangrijke en noodzakelijke bijdrage aan het verhaal leverden. Uit de beelden blijkt duidelijk het verdriet dat zowel klaagster als haar ex-man wordt aangedaan door het niet deskundig handelen van de Raad voor de Kinderbescherming. Ook als klaagster problemen had gehad met het gebruik van het video- of fotomateriaal, had verweerder deze keuze gemaakt. Het handelen van de Raad voor de Kinderbescherming heeft een diep effect op het persoonlijk leven van (gescheiden) ouders en/of partners, en Netwerk moet dat ook kunnen laten zien. De feiten en beelden zijn op een zakelijke wijze weergeven.
Wat betreft het gebruik van de term ‘ontvoering’ deelt Henneman desgevraagd nog ter zitting mee, dat alle onderzochte klachten bij de Nationale Ombudsman betrekking hadden op kwesties waarbij een van de ouders met het kind naar het buitenland is vertrokken. Ook in het geval van klaagster en haar ex-man is daarvan sprake, aangezien klaagster met haar kind in Duitsland woont. Overigens ontkende de ex-man van klaagster dat hij wist waar zijn kind was.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met verweerder is de Raad van oordeel dat uit de uitzending duidelijk blijkt dat het onderwerp het falen van de Raad voor de Kinderbescherming is en dat daarop ook het accent ligt. De vraag zou kunnen worden gesteld of de zaak van klaagster en haar ex-man de optimale illustratie voor dit onderwerp vormt, maar het behoort tot de vrijheid van de redactie om ter zake keuzes te maken.

Aan de orde is de vraag of de uitzending zodanige ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster bevat, dat verweerder deze niet zonder haar weerwoord had mogen publiceren. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
In de uitzending, waarin de ex-man van klaagster in feite uitsluitend kritiek uit aan het adres van de Raad voor de Kinderbescherming, wordt herhaaldelijk gesproken van ontvoering. Zo zegt bijvoorbeeld de commentaarstem: “Toch adviseert de Raad géén omgang tussen vader en zoon. Gevolg: Orbons heeft zijn kind 3 jaar niet meer gezien. Zijn ex-vrouw, de moeder, heeft zijn zoontje ontvoerd naar Duitsland.” In de uitzending wordt echter ook gezegd dat de beide ouders het gezag over het kind hadden. Daarvan uitgaande is wel enigszins begrijpelijk dat klaagster zich heeft gestoord aan het gebruik van de term ‘ontvoering’. Bij ontvoering wordt in dit verband immers gewoonlijk gedacht aan het – zich in de andere in de uitzending besproken zaak (Szadkowska) voordoende – geval dat iemand het kind in strijd met een gezagsrecht meeneemt en niet laat terugkeren. Toch is in de uitzending niet ten onrechte met betrekking tot klaagster gewag gemaakt van ontvoering omdat daaronder in het geval van gezamenlijk gezag mede moet worden begrepen het geval dat het kind door de ene ouder zonder toestemming van de andere ouder wordt meegenomen naar een andere permanente verblijfplaats in het buitenland. Dat geval heeft zich hier voorgedaan, met als bijzonderheid dat bovendien eigenmachtig door klaagster een einde was gemaakt aan een omgangsregeling. Het verwijt dat in de uitzending ten onrechte met betrekking tot klaagster de term ‘ontvoering’ is gebruikt, is dan ook ongegrond.
Ook voorzover de klacht gaat over het uitzenden van de videobeelden is zij ongegrond: klaagster is slechts kort en alleen voor een beperkte kring herkenbaar in beeld gebracht en niet valt in te zien in welk redelijk belang zij daardoor zou zijn geschaad.

De Raad komt derhalve tot de conclusie dat verweerder door de wijze waarop hij over klaagster heeft bericht, zonder publicatie van een weerwoord van klaagster, niet zodanig heeft gehandeld dat hij daarmee grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma Netwerk.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 oktober 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-43