2002/42 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. E.M. Vos de Wael-Smulders

tegen

de hoofdredacteur van Trouw

Bij brief van 31 januari 2002 met zes bijlagen heeft mr. E.M. Vos de Wael-Smulders te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Trouw (verweerder). Hierop heeft F. van Exter, hoofdredacteur, geantwoord bij brief van 12 februari 2002. Klaagster heeft op het verweer gereageerd in een brief van 23 februari 2002. Vervolgens is op verzoek van klaagster vanuit de Raad een bemiddelaar aangesteld en heeft op 25 april 2002 een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Dit heeft echter niet geleid tot een oplossing van de kwestie. Bij brief van 15 mei 2002 met negen bijlagen heeft klaagster haar klacht uitgebreid. Daarop heeft verweerder gereageerd in een brief van 3 juni 2002. Ten slotte heeft klaagster haar standpunten nog nader toegelicht in een brief van 15 juni 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juli 2002 in aanwezigheid van klaagster. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 8 december 2001 is in Trouw een artikel van de hand van H. Goslinga verschenen onder de kop “Een standbeeld voor Verstand tegen de benepenheid.” Dit artikel bevat de passage:
Enige bescheidenheid zou in dit opzicht niet misstaan, want zo lang is het nou ook weer niet geleden dat de Kamer zoiets als de handelingsbekwaamheid van de vrouw erkende. Dat gebeurde in 1956, waarbij het parlement nog een slagje om de arm hield door te bepalen dat de man ‘het hoofd der echtvereniging’ blijft. Die bepaling verdween pas vijftien jaar terug uit het Burgerlijk Wetboek. Bij de SGP gebeuren die dingen misschien wat later, maar niet zovéél later. Die notie zou kunnen nopen tot enige relativering van de gebelgde houding tegenover deze partij.

Op of omstreeks 13 december 2001 heeft klaagster in een ingezonden brief op het artikel gereageerd en verzocht om “publicatie zonder veranderingen”. Vervolgens heeft klaagster op 23 december 2001 een verkorte versie van haar ingezonden brief gestuurd. Daarin vraagt zij aan de redactie: “Mag dit nu alstublieft zo en niet anders in de krant?

Op 27 december 2001 is in Trouw in de rubriek Podium de eerste versie van klaagsters ingezonden brief enigszins aangepast gepubliceerd. De brief is voorzien van de kop “Zelfs rechteloze vrouw had veel te zeggen”. Verder is een inleiding toegevoegd die luidt:
Aan de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen, die tot 1956 in ons land wettelijk was vastgelegd lag niet zozeer minachting voor vrouwen ten grondslag, als wel het idee dat in de vereniging, dus ook de echtvereniging, slechts één de baas kon zijn.
en is in de tekst de tussenkop “Vooral huwelijk maakte vrouw onbekwaam” ingelast.

De gepubliceerde brief bevat verder de passage:
Maar met dit al hebben wij het alleen gehad over de gehuwde vrouw en haar rechtspositie. (...) Goslinga en andere jongeren (...) moeten toch weten dat in mijn grijze verleden en lang daarvoor buiten kijf stond de volkomen handelingsbekwaamheid van alle ongehuwde meerderjarige vrouwen, en die waren er vele: leraressen, verpleegsters, ook artsen, advocaten, professoren en talrijke dienstbodes. Volkomen handelingsbekwaam waren ook vrouwen die ongehuwd samen woonden. Dat heette ‘hokken’. Volkomen handelingsbekwaam was al vanaf haar dertigste mijn moeder toen zij na vaders erg vroege dood was achtergebleven met vijf heel jonge kinderen.

Een dag later, op 28 december 2001, reageerde een lezeres in een ingezonden brief op het stuk van klaagster. De lezeres uitte daarin ongezouten kritiek en noemde klaagster onder andere hypocriet.

Verweerder heeft op 3 mei 2002 in Trouw in zijn ‘Brief van de hoofdredactie’ onder de kop “Een bemiddelingspoging” aandacht aan de kwestie besteed. In reactie daarop heeft klaagster op 7 mei 2002 nog een ingezonden brief aan verweerder gestuurd. Deze brief is niet geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Samengevat stelt klaagster dat zij meermaals uitdrukkelijk aan de Podium-redactie te kennen heeft gegeven dat zij niet wilde dat de redactie haar ingezonden brief zou wijzigen. Niettemin is haar brief in verminkte vorm gepubliceerd. De tekst is veranderd zonder het nodige begrip, zonder genoeg vertrouwen in haar deskundigheid en zonder respect voor haar weloverwogen taalgebruik. In de gewijzigde tekst zijn fouten gemaakt die klaagster nooit zou maken en de stijl van de ingelaste passage is gruwelijk. Zo is onder meer de tekst van de kop volledig uit de context gehaald, zodat de kop misleidend en grof is. Verder is de inleiding onzinnig en onvolledig, nu daarin niet wordt vermeld wat klaagsters allereerste boodschap - en ook het enige motief voor haar bijdrage – was, te weten dat hetgeen Goslinga in zijn artikel schreef over de handelingsonbekwaamheid van ‘de’ Nederlandse vrouw gedurende de eerste helft van de vorige eeuw niet waar is. Verder raakt het opvallend gedrukte redactionele tussenvoegsel “Vooral huwelijk maakte vrouw onbekwaam” kant noch wal. Daardoor zijn de lezers bij voorbaat misleid over wat klaagster te zeggen had. De kern van haar verhaal was, dat niet vooral maar alléén het huwelijk destijds een volwassen vrouw onbekwaam maakte tot het geldig stellen van rechtshandelingen zonder de machtiging van haar man, behoudens wettelijke uitzonderingen op deze handelingsonbekwaamheid.
Voorts stelt klaagster dat de Podium-redactie op 28 december 2002 kritiekloos een lezersbrief heeft geplaatst waarin haar wetenschappelijke en morele integriteit zonder enige grond zijn aangetast. Klaagster kan de persoonlijke aantijgingen in die brief makkelijk weerleggen, maar verwacht niet dat de redactie haar verweer integraal wil publiceren. De bewuste lezeres heeft in een hartelijke brief aan klaagster haar verontschuldigingen gemaakt en klaagster heeft vervolgens een lang, plezierig gesprek met haar gehad. Daarmee is echter niet klaagsters naam gezuiverd.
Ten slotte meent klaagster dat in de ‘Brief van de hoofdredactie’ van 3 mei 2002 op onjuiste wijze aandacht aan de kwestie is besteed. De voorgeschiedenis van de kwestie is anders dan in die brief wordt vermeld, aldus klaagster.

Verweerder stelt voorop dat in het colofon op de Podium-pagina is vermeld “Podium is een vrijplaats voor artikelen en ingezonden brieven die de redactie belangwekkend vindt. De redactie behoudt zich het recht voor bijdragen te weigeren, te redigeren of in te korten. Artikelen mogen maximaal 800 woorden bedragen.” Dit is een gebruikelijk voorbehoud. Aan klaagster is geen toezegging gedaan dat haar stuk zonder wijzigingen zou worden geplaatst.
De kop boven het artikel, die wellicht niet de kern van klaagsters betoog raakt, is ontleend aan klaagsters stuk. Misschien had het stuk van een treffender kop kunnen worden voorzien, maar voor de kwalificaties ‘misleidend en grof’ ontbreekt elke grond. Verder is het gebruikelijk dat de redactie boven langere stukken een korte inleiding plaatst. De gewraakte inleiding geeft adequaat de strekking van de kern van het artikel weer. Verweerder is het met klaagster eens dat de tussenkop “Vooral huwelijk maakte vrouw onbekwaam” de lezer op het verkeerde been kan zetten. Zonder ‘vooral’ was de tussenkop beter geweest, maar misleidend is deze niet. De wijzigingen zijn summier en de tekst is beperkt bekort waarbij geen afbreuk is gedaan aan inhoud van klaagsters bijdrage. De aanpassingen vallen ruimschoots binnen de marges van het voorbehoud dat de redactie maakt. Van onzorgvuldige bewerking van klaagsters brief is geen sprake.
Verweerder meent dat de lezersbrief, die op 28 december 2001 is geplaatst, valt binnen de grenzen van de fatsoensnormen. De schrijfster heeft feitelijke kritiek op het betoog van klaagster. Een vrijplaats voor artikelen en brieven betekent ook dat auteurs die daarvan gebruikmaken kritiek kunnen ontmoeten. Verweerder vond de reactie de moeite van het publiceren waard. Dit betekent niet dat de redactie de in de lezersbrief geuite kritiek deelt.
Resumerend stelt verweerder dat hij zorgvuldig heeft gehandeld binnen de bekende spelregels van zijn rubriek voor ingezonden stukken en brieven. Verder meent hij in zijn ‘Brief van de hoofdredactie’ voldoende recht te hebben gedaan aan de opvattingen van beide partijen. De brief is geschreven in de geest van het bemiddelingsgesprek met klaagster.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Op de Podium-pagina is een voorbehoud opgenomen betreffende het plaatsen van ingezonden stukken. Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een redactie bij het gebruikmaken van haar recht tot het inkorten of redigeren van ingezonden brieven te voorkomen, dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief (vgl. onder meer: Verkijk/Nieuwe Ooststellingwerver, RvdJ 2002/05 en Pels/de Volkskrant, RvdJ 2001/40).
De Raad heeft begrip voor klaagsters standpunt, dat zij zich door de wijze waarop haar brief is gewijzigd in haar integriteit voelt aangetast, maar deelt dit standpunt niet.
De kern van klaagsters brief was, dat Goslinga ten onrechte had geschreven dat de Nederlandse vrouw eerst in 1956 handelingsbekwaam werd: handelingsonbekwaam waren tot het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw immers alleen gehuwde vrouwen, behoudens wettelijke uitzonderingen op die onbekwaamheid. Naar het oordeel van de Raad is die kern ondanks de aangebrachte wijzigingen en de gewraakte tussenkop onaangetast gebleven: Goslinga ziet het tot 1957 tussen gehuwde en ongehuwde vrouwen bestaande onderscheid op het gebied van de handelingsbekwaamheid over het hoofd, en daarmee komt een van de argumenten over zijn vermaning aan de politieke partijen om wat bescheidener te zijn in hun kritiek op de SGP te vervallen. De in klaagsters zorgvuldig geformuleerde brief aangebrachte wijzigingen, hoezeer door haar ook uit een oogpunt van stijl en duidelijkheid ongewenst of ongepast geacht, betreffen details die voor de lijn van het betoog niet van wezenlijke betekenis zijn; de tussenkop is weliswaar – dat moet klaagster worden toegegeven – door het gebruik van het woord ‘vooral’ verwarrend, maar kan evenmin als het gebruik van de weinig treffende kop “Zelfs rechteloze vrouw had veel te zeggen” afdoen aan het feit dat lezing van het artikel zonder meer duidelijk maakt wat Goslinga over het hoofd had gezien en wat dat voor diens betoog betekende. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is.

De hiervoor bedoelde grenzen zijn evenmin overschreden door plaatsing van de lezersbrief op 28 december 2001. De redactie heeft in beginsel de vrijheid een reactie van een lezer op een artikel of ingezonden brief al dan niet te plaatsen (vgl. onder meer Van der Velden/Cursor, RvdJ 2002/17). Er zijn geen bijzondere omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het de redactie in dit geval niet vrijstond de lezersbrief te plaatsen.

Klaagster heeft ten slotte bezwaar gemaakt tegen de publicatie van de ‘Brief van de hoofdredactie’ van 3 mei 2002. Anders dan klaagster meent de Raad dat die brief geen relevante onjuistheden bevat. Door in zijn brief aandacht te besteden aan de kwestie op de wijze zoals hij heeft gedaan, heeft verweerder niet onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Trouw te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 oktober 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-42