2002/40 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P.J.M. van Buuren

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Bij brief van 10 mei 2002 met twee bijlagen heeft P.J.M. van Buuren te Tilburg (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (verweerder). Hierop heeft B. Brummelhuis namens de hoofdredactie gereageerd in een brief van 28 mei 2002 met een bijlage. Klager heeft nog nader gereageerd in e-mailberichten van 31 mei, 18 en 26 juli 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 augustus 2002, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

DE FEITEN

Klager heeft verweerder op 7 mei 2002, naar aanleiding van het overlijden van Pim Fortuyn, per e-mail een ingezonden brief toegezonden. Verweerder heeft deze brief in verkorte vorm in de krant opgenomen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager klaagt over het inkorten van zijn brief door verweerder. Hij stelt dat uitspraken die niet stroken met de opvattingen van de redactie, zonder vorm van overleg worden vernietigd en betoogt dat daarmee ten onrechte censuur wordt uitgeoefend.

Verweerder stelt dat hij richtlijnen heeft opgesteld voor het plaatsen en inkorten van brieven, welke richtlijnen op de brievenpagina worden vermeld. Het inkorten gebeurt met name door plaatsgebrek en daar was door het grote aantal brieven over Fortuyn meer dan ooit sprake van. Hij merkt voorts op dat de ingezonden brief die hij heeft ontvangen niet overeenstemt met het afschrift van de brief dat klager aan de Raad heeft gezonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een redactie bij het gebruikmaken van haar recht tot het inkorten of redigeren van ingezonden brieven te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief (onder meer in RvdJ 2000/71 en 2001/40). De Raad gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de door klager naar verweerder gezonden brief, zoals die door deze laatste is overgelegd. Deze wijkt, als door verweerder gesteld, enigszins af van het bij de klacht gevoegde afschrift.

Uit de brief van klager is een aantal zinnen niet gepubliceerd en de tekst is door de redactie gedeeltelijk geredigeerd. Er is echter geen grond om te oordelen dat de weglating van de betrokken zinnen en/of het redigeren van de brief, zoals dat is gebeurd, afbreuk doen aan de inhoud of strekking daarvan. De strekking van de brief was dat de verkiezingen, ondanks het overlijden van Fortuyn, dienden door te gaan, dat klager wenste dat ‘links’ krachtig zou verliezen en dat de pers moest beginnen na te denken en niet langer moest menen dat ze van alles en nog wat kan blijven roepen. Deze strekking is volledig overeind gebleven, ondanks de weglating van klagers eigen ervaringen in 1994.

Verweerder heeft geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 september 2002, door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. W.D.H. Asser, mr. A. Herstel, mr. A.H. Schmeink, mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2002-40