2002/39 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

VRON B.V., h.o.d.n. Radio 538

tegen

de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 6 mei 2002 met drie bijlagen heeft M. Palmen namens VRON B.V. te Hilversum, handelend onder de naam Radio 538 (klaagster), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (verweerder). Hierop heeft O. Garschagen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 25 mei 2002. Klaagster heeft daar op gereageerd in een brief van 19 juni 2002 met acht bijlagen. Verweerder heeft tot slot nog gereageerd in een brief van 20 juni 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 augustus 2002. Namens klaagster zijn daar verschenen de heer P. Lubberts en mevrouw G. Roding. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Radio 538 heeft op Koninginnedag 2002, tezamen met anderen, een muziekevenement georganiseerd op het Museumplein in Amsterdam. Onderdeel van dit evenement, waar verschillende popgroepen optraden, was een verrassingsconcert van de groep Queen.

De gemeente en politie van Amsterdam hebben de organisatoren verzocht het optreden van Queen niet vooraf bekend te maken en het aantal personen dat hiervan op de hoogte was tot een minimum te beperken. De politie heeft daarbij meegedeeld dat bij een te grote toeloop het risico bestond dat het evenement, in verband met risico’s voor de openbare orde, zou moeten worden afgelast.

Klaagster heeft verweerder, evenals een aantal andere media, benaderd met de mededeling dat op Koninginnedag een band van groot formaat zou optreden, waarvan in verband met het risico voor de openbare orde de naam niet bekend kon worden gemaakt. Alleen De Telegraaf was - zonder dat de anderen dat wisten - op de hoogte van het feit dat het om een optreden van de groep Queen ging, omdat met die krant was overeengekomen dat deze een exclusief interview met leden van de groep Queen zou verzorgen.
Alle media zijn uitgenodigd een persaccreditatie aan te vragen, teneinde daarmee toegang te krijgen tot de perstribune en het zogenoemde backstage-terrein. Toen verweerder kort voor het concert geen persaccreditatie bleek te hebben aangevraagd, heeft klaagster hem hierover telefonisch benaderd. Verweerder heeft klaagster daarop te kennen gegeven dat hij niet wilde meewerken in verband met de gekozen gang van zaken.

Verweerder is vervolgens op basis van eigen nieuwsgaring via een bron in Engeland te weten gekomen dat het om een optreden van de groep Queen ging. De organisatoren van het evenement hebben op 29 april 2002 ’s avonds nog met verweerder gesproken over de mogelijke negatieve gevolgen van voortijdige onthulling van de identiteit van de groep die zou optreden. Verweerder heeft daarop contact gezocht met de Amsterdamse politie, die de komst van de groep Queen niet wilde bevestigen, maar wel aan verweerder meedeelde dat de politie voldoende mensen op de been zou hebben om de gebeurtenis in goede banen te kunnen leiden.

Verweerder heeft op 30 april 2002 op de voorpagina van het Algemeen Dagblad gepubliceerd dat de groep Queen die middag op het Museumplein in Amsterdam een “uniek concert” zou geven. Het aantal bezoekers van het concert is relatief beperkt gebleven. Er hebben zich geen problemen voorgedaan.

Tijdens het evenement hebben een redacteur en een fotojournalist van het Algemeen Dagblad zich bij de backstage-ingang van het evenement gemeld, teneinde toegang te verkrijgen tot het zogenoemde backstage-gebied. De toegang werd hun geweigerd, omdat zij geen perskaarten hadden. De fotojournalist heeft daarbij beledigende opmerkingen gemaakt tegen medewerkers van klaagster, toen hij en zijn collega ter plaatse geen perskaarten konden verkrijgen.

Op 1 mei 2002 heeft verweerder over het concert een negatieve recensie gepubliceerd van de hand van diezelfde redacteur. Andere media hebben het optreden positief gerecenseerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De klacht bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste betoogt klaagster dat verweerder onjuist heeft gehandeld door op 30 april 2002 het optreden van de groep Queen voortijdig te publiceren. Volgens klaagster heeft verweerder hiermee een embargo geschonden en heeft hij de openbare orde in gevaar gebracht. Dat geen ordeproblemen zijn ontstaan, is volgens klaagster slechts te danken aan het slechte weer, waardoor minder bezoekers zijn gekomen, dan bij goed weer het geval zou zijn geweest. Ten tweede betoogt klaagster dat de redacteur en fotojournalist van het Algemeen Dagblad zich, toen hun bij de backstage-ingang de toegang tot het terrein werd ontzegd, op beledigende en handtastelijke wijze hebben misdragen. Op hun gedrag behoren zij volgens klaagster te worden aangesproken.
Ten derde betoogt klaagster dat de negatieve recensie in het Algemeen Dagblad van 1 mei 2002 niet los kan worden gezien van hetgeen de dag daarvoor gebeurd is. Zij realiseert zich dat recensies subjectief zijn en dat zij recensenten niet kan aanspreken op de door hen gevormde en opgeschreven mening, doch zij heeft grote argwaan over de volgens haar zeer negatieve insteek van het Algemeen Dagblad, nu deze sterk contrasteert met alle andere recensies.

Verweerder wijst erop dat hij op basis van eigen nieuwsgaring te weten is gekomen dat het om een optreden van de groep Queen zou gaan. Het ‘verklappen’ van de verrassing acht hij gerechtvaardigd, omdat er een Brits persbericht bleek te bestaan met een embargo tot 30 april 2002, 12.00 uur. Tussen 12.00 uur en het optreden zou het nieuws toch al bekend zijn geworden. Na het gesprek van 29 april 2002 met de Amsterdamse politie was voor verweerder ook het argument van de openbare orde geen reden om van publicatie af te zien. Hier kwam nog bij dat verweerder te weten kwam dat de organisatoren van het evenement wel een exclusief interview met leden van de groep Queen aan De Telegraaf hadden toegezegd. De Telegraaf wist derhalve wel van de hoed en de rand.
Ten aanzien van de klacht over het optreden van de redacteur en fotojournalist stelt verweerder dat zij meenden dat de accreditatie geregeld was, dan wel zonodig ter plaatse nog geregeld kon worden. Toen dat niet het geval bleek, waren de consequenties voor de redacteur nog wel te overzien, maar niet voor de (freelance) fotojournalist. Hij kon daardoor zijn werk niet doen, niet alleen voor het Algemeen Dagblad, maar ook niet voor andere, internationale, opdrachtgevers. Hij erkent opmerkingen te hebben gemaakt die de schoonheidsprijs niet verdienen en heeft daar spijt van. Van handtastelijkheden, als klaagster stelt, is volgens verweerder geen sprake geweest.
Met betrekking tot het derde klachtonderdeel benadrukt hij dat de redacteur het optreden van de groep Queen slecht vond en dat hij als recensent de vrijheid heeft dat op te schrijven. De negatieve recensie had niets te maken met het ongenoegen over de organisatie, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Van een embargo was geen sprake. Klaagster heeft verweerder geen nieuwsfeit meegedeeld onder de verplichting van geheimhouding tot een bepaalde tijd, maar heeft bekend gemaakt dat er een nieuwsfeit was dat niet bekend mocht worden. Het staat bij een dergelijke handelwijze andere media vrij te trachten het nieuwsfeit zelf te achterhalen. Verweerder is op basis van eigen nieuwsgaring te weten gekomen dat een optreden van de groep Queen zou plaatsvinden. Onder deze omstandigheden levert de publicatie van dit nieuwsfeit geen schending van enig embargo op.
Verweerder heeft, voorafgaand aan de publicatie, contact opgenomen met de Amsterdamse politie, teneinde de risico’s voor de openbare orde en veiligheid in te schatten. Hij kreeg een geruststellend antwoord op zijn vraag. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verweerder de openbare orde en veiligheid in gevaar heeft gebracht. Van enig ordeprobleem is niet gebleken, noch dat dat uitsluitend te danken was aan het slechte weer. Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.

Met betrekking tot het gedrag van de redacteur en fotojournalist van het Algemeen Dagblad bij de backstage-ingang van het terrein wordt overwogen dat de lezingen van partijen hierover uiteen lopen. De Raad kan niet vaststellen, wat bij de ingang gebeurd is, voor zover partijen daar niet eenduidig over zijn. Voor zover het aan de redacteur en fotojournalist verweten gedrag wordt ontkend, kan de Raad de juistheid van de aan de klacht ten grondslag gelegde feiten niet vaststellen en moet hij het klachtonderdeel in zoverre ongegrond verklaren. Nu de fotojournalist wel heeft erkend dat hij onheuse opmerkingen heeft gemaakt, komen de lezingen van partijen op dit punt overeen. De Raad is van oordeel dat dit gedrag, dat is vertoond tijdens de uitoefening van het beroep, onder ‘journalistieke gedraging’ valt, als bedoeld in de statuten van de Raad. Dit gedrag gaat de grenzen van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is te buiten, zodat het klachtonderdeel op dit punt gegrond is.

Het derde klachtonderdeel is ongegrond. Volgens het vaste oordeel van de Raad (onder meer in RvdJ 2002/20) komt aan een recensent een grote mate van vrijheid toe, niet alleen wat betreft de vorm van de recensie, maar ook en vooral ten aanzien van de inhoud.

BESLISSING

De klacht is gegrond waar het betreft de onheuse opstelling van de door het Algemeen Dagblad ingeschakelde fotojournalist en is voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het Algemeen Dagblad.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 september 2002, door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. W.D.H. Asser, mr. A. Herstel, mr. A.H. Schmeink, mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2002-39