2002/38 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Ecobel

tegen

J. Boonstra en de hoofdredacteur van de Zwolse Courant

Bij brief van 29 april 2002 met een bijlage heeft J.B.M. Meijer namens Stichting Ecobel te Zwolle (klaagster) een klacht ingediend tegen J. Boonstra en de hoofdredacteur van de Zwolse Courant (verweerders). Hierop heeft H. Beltman, adjunct hoofdredacteur van de Zwolse Courant namens verweerders gereageerd in een brief van 23 mei 2002. Klaagster heeft daar op gereageerd in een brief van 10 juli 2002 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 augustus 2002. Namens klaagster waren daar aanwezig J.B.M. Meijer en E.T.C.L. van der Stap, namens verweerders J. Boonstra en H. Beltman.

DE FEITEN

Klaagster heeft in de jaren 1996-1998 een beleggingsfonds beheerd, gericht op ‘groene’ beleggingen in verantwoorde houtplantages in Suriname. Het project is stilgelegd na bemoeienis van de economische controledienst (ECD) en het openbaar ministerie. Meijer en Van der Stap zijn door de rechtbank Zwolle en in hoger beroep door het gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, oplichting en deelname aan een criminele organisatie. Tevens heeft het gerechtshof beslist dat aan gedupeerde investeerders de inleg moet worden terugbetaald. Het gaat hierbij om miljoenen guldens.

In de Zwolse Courant van 29 maart 2002 is onder de kop “Ecobel roert zich met miljoenenclaim” een artikel van de hand van J. Boonstra verschenen. Het handelt vooral over de website van Meijer. Op deze website betoogt Meijer dat rechtbank en gerechtshof onjuiste en aanvechtbare uitspraken hebben gedaan. Tevens wordt toegelicht, waarom beroep in cassatie is ingesteld. Op de website kondigt Meijer voorts aan dat hij na de door hem verwachte vrijspraak in cassatie een schadeclaim bij de Staat der Nederlanden zal indienen. Hij nodigt gedupeerde beleggers uit zich bij hem te melden, teneinde te zijner tijd in die claim mee te delen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat Boonstra de website onjuist heeft geciteerd en dat in het artikel ook andere onjuistheden staan. In het bijzonder maakt zij bezwaar tegen de passage: “Maar van de in het vooruitzicht gestelde rendement van 11,6 % kwam niets terecht. Sterker nog: 100 beleggers trokken bij de politie aan de bel, omdat zij niets meer van Ecobel vernamen”. Volgens klaagster is dit onjuist, omdat Justitie aan het onderzoek naar Ecobel is begonnen, zonder dat sprake was van klagende investeerders. Zij stelt dat de investeerders zich, ruim voordat de eerste opbrengst zou ontvangen, op verzoek van het OM hebben aangemeld en betoogt dat dat een heel andere situatie is dan beschreven. Van opbrengsten kon volgens haar daarna, toen het project door toedoen van de ECB en het OM was stilgelegd, geen sprake meer zijn. Essentieel is volgens klaagster dat in het artikel ten onrechte niet is vermeld dat het gerechtshof de gegeven garantie van 11,6 % rendement heeft geaccepteerd. Door dit op de website vermelde feit weg te laten, hebben verweerders journalistiek onjuist gehandeld. Daarnaast betoogt zij dat verweerders ten onrechte geen wederhoor hebben toegepast.

Volgens verweerders heeft Boonstra in het artikel slechts bepaalde beweringen die op de website van Meijer staan, vergeleken met de feiten, zoals deze uit de strafzaken zijn gebleken. Het gerechtshof heeft volgens verweerders geen garantie van 11,6 % rendement geaccepteerd. Het heeft zich daarover niet uitgelaten. Het merendeel van de inleg van de gedupeerden was volgens verweerders ten tijde van zijn uitspraak verdwenen, laat staan dat sprake kon zijn van nakoming van de garantie.
Verweerders stellen dat voldoende wederhoor is toegepast. Zij betogen allereerst dat het gebruik van en de tekstuele verwijzing naar de website van Meijer als een vorm van gehoor geven kan worden gezien. Daarnaast is op 28 maart 2002 met Meijer contact gezocht ter verduidelijking van bepaalde passages op de website. Meijer verbleef toen volgens zijn levenspartner Van der Stap, die ook bij de kwestie betrokken is, in het buitenland. Van der Stap heeft op genoemde dag circa een uur lang vragen van Boonstra beantwoord. Verder zijn verweerders van mening dat, op grond van de uitspraken van rechtbank en hof, de feiten waar het hier om gaat ondubbelzinnig vast staan en dat zij daar zonder meer van mochten uitgaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad kan niet vaststellen dat de website van Meijer in het gewraakte artikel op wezenlijke punten onjuist is geciteerd, danwel op andere wijze onjuistheden zijn vermeld. Met name de volgens klaagster essentiele vermelding op de website dat het hof de garantie van 11,6 % rendement heeft geaccepteerd, is in het artikel weliswaar niet overgenomen, maar de Raad ziet geen grond om te oordelen dat verweerders dat ten onrechte hebben nagelaten. Uit de door klaagster overgelegde pagina uit het desbetreffende arrest blijkt van de gestelde acceptatie niet. Het is evenmin op andere wijze gebleken.

Naar het vaste oordeel van de Raad (onder meer RvdJ 1999/71, 2000/23 en 2001/10) is in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde. Dat hier geen sprake is van rechtstreekse rechtbankverslaggeving laat onverlet dat geen grond bestaat om te oordelen dat verweerders niet op de inhoud van het vonnis en het arrest mochten afgaan. Los daarvan kan de Raad klaagster niet volgen, waar deze betoogt dat ten onrechte geen wederhoor is toegepast. In het artikel is het standpunt van Meijer uitgebreid naar voren gebracht door het weergeven van onderdelen uit de tekst van de website. Ook hebben verweerders contact gezocht met Meijer en is, bij diens afwezigheid, Van der Stap in een telefoongesprek met Boonstra in de gelegenheid gesteld te reageren.

Verweerders hebben geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Zwolse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 september 2002, door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. W.D.H. Asser, mr. A. Herstel, mr. A.H. Schmeink, mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 2002-38