2002/37 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van RTL Nieuws

Bij brief van 15 maart 2002 heeft mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van RTL Nieuws (wederpartij). De heer E. van Zwam, adjunct-hoofdredacteur RTL Nieuws, heeft bij brief van 20 juni 2002 meegedeeld dat hij zich niet gebonden voelt aan de Raad voor de Journalistiek en daarom niet participeert in deze zaak of enige andere zaak in de toekomst.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juli 2002. Namens klager is mr. Hillen daar verschenen. De wederpartij is niet verschenen.

DE FEITEN

Op 18 en 19 oktober 2001 is in nieuwsuitzendingen van RTL Nieuws aandacht besteed aan de Stichting Muwaffaq (verder te noemen: de Stichting), inhoudend dat de Stichting door de Amerikaanse regering ervan wordt verdacht het terroristennetwerk van Osama Bin Laden financieel te steunen. Volgens de berichtgeving zou de Stichting ook in Nederland actief zijn en zou een bestuurslid van de Stichting in Breda woonachtig zijn. In dat verband zijn beelden vertoond van het woonhuis van klager.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt voorop dat hij ten onrechte als bestuurslid van de Stichting stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Bovendien stond zijn adres ten onrechte als (post)adres van de Stichting vermeld in het verenigingenregister van de Kamer van Koophandel.
Volgens klager werd in de uitzendingen als feit gepresenteerd dat een bestuurslid van de Stichting in Breda woonachtig was en wel in de in beeld gebrachte woning van klager. Hij meent dat het uitzenden van de beelden van zijn woonhuis geen toegevoegde nieuwswaarde hadden. Bovendien dient bij nieuwsuitzendingen terughoudendheid te worden betracht met het uitzenden van beelden van woonhuizen, zeker indien er geen enkel verband bestaat tussen de gerezen verdenking en het woonhuis. Daarbij komt, aldus klager, dat berichtgeving als de onderhavige uiterst zorgvuldig moet geschieden omdat na de terreuraanslagen van 11 september 2001 het risico bestond van een hetze tegen leden van de moslimgemeenschap in Nederland.
Klager betoogt dat verweerder niet terughoudend en zorgvuldig is geweest, en dat door de berichtgeving zijn privacy is geschaad. Hij is zeker binnen de Islamitische gemeenschap van Breda een bekend figuur. Met het duidelijk uitzenden van beelden van zijn woonhuis is ook zijn identiteit bekend geworden.

De wederpartij heeft niet inhoudelijk op de klacht gereageerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht richt zich alleen de uitgezonden beelden van de straat en woning waar klager woont, en niet tegen de tekst van de uitzendingen. Voorts heeft mr. Hillen ter zitting verklaard dat de kern van de klacht schending van klagers privacy betreft.

De Raad stelt voorop dat de journalistieke verantwoordelijkheid meebrengt dat de persoonlijke levenssfeer van personen waarover wordt gepubliceerd niet verder wordt aangetast, dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is (vgl. Van Veenendaal en Van Doorn tegen Van Zanten e.a., RvdJ 2001/25; De Kroon tegen Korver en Kouwenhoven, RvdJ 1997/15).
In de televisiejournalistiek is het niet ongebruikelijk berichtgeving als de onderhavige, die een relevant en (mogelijk) ernstig nieuwsfeit betreft, te illustreren met beelden van de woonomgeving van bij die berichtgeving betrokken personen. De Raad heeft geen kennis kunnen nemen van de gewraakte uitzendingen en heeft dan ook niet kunnen vaststellen dat is ingezoomd op de woning van klager. Aldus is niet aannemelijk geworden dat de uitgezonden beelden hebben geleid tot algemene herkenbaarheid van klager of zijn adres, zodat reeds hierom de klacht moet worden afgewezen.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het RTL-Nieuws.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 september 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-37