2002/36 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het NOS-Journaal

Bij brief van 15 maart 2002 heeft mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NOS-Journaal (verweerder). H. Laroes, operationeel hoofdredacteur NOS-Journaal, heeft op de klacht geantwoord bij brief van 10 april 2002 met vier bijlagen. Vervolgens heeft Mr. Hillen de klacht nader toegelicht bij schrijven van 3 mei 2002. Daarop heeft Laroes ten slotte gereageerd in een brief van 8 mei 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juli 2002. Namens klager is mr. Hillen daar verschenen. Laroes is eveneens verschenen. Ter zitting is ruw beeldmateriaal van de gewraakte uitzendingen bekeken.

DE FEITEN

Op 18 en 19 oktober 2001 is in het NOS-Journaal aandacht besteed aan de Nederlandse tak van de (Saoedische) liefdadigheidsorganisatie Stichting Muwaffaq (verder te noemen: de Stichting). De tekst van de uitzendingen luidt:
Er lijkt een Nederlandse connectie te zijn met het terroristennetwerk van Osama bin Laden. Op de lijst van president Bush staat de Saoedische liefdadigheidsorganisatie Muwa-faq. Die club heeft volgens de Amerikanen miljoenen dollars gegeven aan Bin Laden’s netwerk.
In Breda, in de wijk Heuvel, zou de Nederlandse tak van Muwa-faq zijn gevestigd. In het bestuur daarvan zit de Saoedische zakenmal Al-Qadi en die staat op de internationale terroristenlijst van Bush. De advocaat van Al-Qadi in Londen ontkent dat zijn cliënt ooit geld heeft gegeven aan Bin Laden of zijn netwerk.
De banktegoeden van Muwa-faq zijn in Amerika en Groot-Brittannië inmiddels bevroren. Of de Nederlandse Bank dat ook gaat doen met mogelijke tegoeden in ons land is niet bekend. De Binnenlandse Veiligheidsdienst houdt Muwa-faq in de gaten.

In de uitzendingen zijn beelden getoond van de woning van klager.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt voorop dat hij ten onrechte als bestuurslid van de Stichting stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Bovendien stond zijn adres ten onrechte als (post)adres van de Stichting vermeld in het verenigingenregister van de Kamer van Koophandel.
Volgens klager werd in de uitzendingen als feit gepresenteerd dat een bestuurslid van de Stichting in Breda woonachtig was en wel in de in beeld gebrachte woning van klager. Hij meent dat het uitzenden van de beelden van zijn woonhuis geen toegevoegde nieuwswaarde hadden. Bovendien dient bij nieuwsuitzendingen terughoudendheid te worden betracht met het uitzenden van beelden van woonhuizen, zeker indien er geen enkel verband bestaat tussen de gerezen verdenking en het woonhuis. Daarbij komt, aldus klager, dat berichtgeving als de onderhavige uiterst zorgvuldig moet geschieden omdat na de terreuraanslagen van 11 september 2001 het risico bestond van een hetze tegen leden van de moslimgemeenschap in Nederland.
Klager betoogt dat verweerder niet terughoudend en zorgvuldig is geweest, en dat door de berichtgeving zijn privacy is geschaad. Hij is zeker binnen de Islamitische gemeenschap van Breda een bekend figuur. Met het duidelijk uitzenden van beelden van zijn woonhuis is ook zijn identiteit bekend geworden.

Verweerder wijst erop dat de inschrijving van klager als bestuurslid van de Stichting in het register van de Kamer van Koophandel een feit is. Eveneens is een feit dat de Stichting en de Saoedische zakenman die de organisatie wereldwijd leidt, door de Amerikaanse regering zijn geplaatst op de lijst van mensen en organisaties die banden hebben met het netwerk van Bin Laden. Die feiten zijn journalistiek relevant en vermeldenswaard. Verweerder heeft in de berichtgeving gebruik gemaakt van woorden als ‘zou’ en ‘lijkt’, omdat hij niet zelfstandig in staat is de beweringen van de Amerikaanse regering te verifiëren
Voor de televisiejournalistiek is het niet ongebruikelijk dergelijke meldingen van relevant beeld te voorzien, aldus verweerder. In dit geval is de vermoedelijke huisvesting van de Nederlandse tak van de genoemde organisatie in beeld gebracht. Daartoe is algemeen beeld gebruikt van de omgeving van de woning van klager en van de woning zelf. Volgens verweerder horen daar eisen van zorgvuldigheid bij: ‘algemeen beeld’ is bruikbaar (inclusief beeld van de naam van de straat en inclusief het noemen van de wijk dan wel gemeente), niet uitzendbaar is beeld van bijvoorbeeld huisnummer, naambordje, beelden van binnen ‘door de ramen heen’, bewoners filmen die dat duidelijk niet willen en aanbellen met draaiende camera. Het noemen van de naam van betrokkenen dient naar de mening van verweerder over het algemeen ook achterwege te blijven.
Verweerder acht essentieel dat de journalistiek niet veroordeelt, maar feiten meldt. Daarbij moet rekening worden gehouden met de impact die van zo een melding uitgaat. Dat doet verweerder ook, door alleen datgene te melden wat journalistiek relevant is, op een wijze die bij televisiejournalistiek hoort. Hij is ervan overtuigd dat de gewraakte berichtgeving niet heeft geleid tot vaststelling van de identiteit van klager in de ogen van de diegenen die hem niet kenden als actief bestuurslid van de stichting. Gelet op de tekst is de berichtgeving terughoudend en zeker niet beschuldigend geweest, wat overigens ook niet bij het NOS-Journaal zou passen.
Verweerder concludeert dat hij niet onzorgvuldig tegenover klager heeft gehandeld, maar nieuwsfeiten heeft gebracht en geïllustreerd op een wijze die past bij wat van het NOS-Journaal kan worden verwacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht richt zich alleen de uitgezonden beelden van de straat en woning waar klager woont, en niet tegen de tekst van de uitzendingen. Voorts heeft mr. Hillen ter zitting verklaard dat de kern van de klacht schending van klagers privacy betreft.

De Raad stelt voorop dat de journalistieke verantwoordelijkheid meebrengt dat de persoonlijke levenssfeer van personen waarover wordt gepubliceerd niet verder wordt aangetast, dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is (vgl. Van Veenendaal en Van Doorn tegen Van Zanten e.a., RvdJ 2001/25; De Kroon tegen Korver en Kouwenhoven, RvdJ 1997/15).
In de televisiejournalistiek is het niet ongebruikelijk berichtgeving als de onderhavige, die een relevant en (mogelijk) ernstig nieuwsfeit betreft, te illustreren met beelden van de woonomgeving van bij die berichtgeving betrokken personen, zoals verweerder ook heeft betoogd. Blijkens het ruwe beeldmateriaal van de gewraakte uitzendingen is niet ingezoomd op de woning van klager, zodat de uitgezonden beelden naar het oordeel van de Raad niet leiden tot algemene herkenbaarheid van klager of zijn adres. De klacht is om die reden ongegrond.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het NOS-Journaal.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 september 2002 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2002-36