2002/35 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van


G. van Dam


tegen


I. Werkhoven (Nieuwsblad van het Noorden)


Bij brief van 23 januari 2002 met twee bijlagen heeft G. van Dam te Loppersum (klager) een klacht ingediend tegen I. Werkhoven, medewerkster van het Nieuwsblad van het Noorden (verweerster). Onder begeleidend schrijven van 4 februari 2002 heeft G.J. Laan, algemeen hoofdredacteur, verweersters reactie aan de Raad doen toekomen.


De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 juni 2002 in aanwezigheid van klager. Verweerster is daar niet verschenen.


Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.


DE FEITEN


Op 9 januari 2002 is in het Nieuwsblad van het Noorden een artikel van de hand van Werkhoven verschenen onder de kop “Een kruimelverzamelaar uit Loppersum”. De intro van het artikel luidt:
Kunstverzamelaars heb je in alle soorten en maten. Vaak zijn het steenrijke kunstkenners, met een collectie waarover de musea graag zouden beschikken. Maar soms is het een liefhebbende leek, die zijn spaargeld niet uitgeeft aan een nieuwe auto of een verre reis, maar aan kunst. Ger van Dam (1950) uit Loppersum is zo’n verzamelaar. Zijn collectie is nu te zien in Sneek.
Het artikel bevat verder onder meer de passages:
Ger van Dam zou je kunnen typeren als een ‘kruimelverzamelaar’. Het begeleidend schrijven van de tentoonstelling in kunstplatform/galerie BAS vertelt dat ‘zijn financiële middelen uit een uitvoerende baan in loondienst beperkt zijn en de grote namen in de kunst dus onbereikbaar’. Hij is daarom aangewezen op de ‘betaalbare kunst’ van jonge starters.
en
De oplettende bezoeker die bekend is met het werk van de Groninger kunstenaars heeft meteen ontdekt dat de inrichting niet klopt. Niet elk werk wordt op de plattegrond aan de juiste kunstenaar toegeschreven. Het tekent het amateurisme van Van Dam, die verantwoordelijk blijkt voor zowel inrichting als plattegrond. Vervelend voor de kunstenaar in kwestie, maar ook voor de tentoonstelling, die mede daardoor rommelig oogt. Ook inhoudelijk wekt die een onsamenhangende indruk. Van Dam lijkt inmiddels meer te selecteren op naam dan naar eigen smaak.


 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN


Klager stelt dat hij in het artikel ten onrechte als ‘kruimelverzamelaar’ wordt aangeduid. Hij verzamelt al jarenlang hedendaagse kunst van overwegend startende kunstenaars, die hij ook probeert mentaal te ondersteunen. De collectie, die hij als hobby is begonnen en die inmiddels uit ongeveer tachtig kunstwerken bestaat, heeft in de afgelopen jaren aan kwaliteit gewonnen en dat is niet onopgemerkt gebleven. Hij heeft bijvoorbeeld een kunstwerk uitgeleend aan het museum Booijmans van Beuningen, en een ander kunstwerk is op de omslag van een roman verschenen.
Wat betreft de gerecenseerde expositie wijst klager erop dat hij door drs. B. Laverman, docent van de Kunstacademie Minerva in Groningen en tevens expositiecoördinator van kunstplatform/galerie BAS in Sneek, is uitgenodigd om een deel van zijn collectie te exposeren. De expositie in Sneek is de eerste openbare presentatie van een deel, ongeveer de helft, van klagers verzameling. Deze feiten zijn in het artikel in het geheel niet genoemd, aldus klager. Omdat hij geïnteresseerd is in de volle breedte van de hedendaagse kunst en omdat het zijn eerste expositie is, heeft hij een zo breed mogelijke keuze gemaakt uit zijn collectie. Er is geen samenhang tussen de werken, maar daarnaar heeft hij ook niet gestreefd.
Verder stelt klager dat het artikel diverse onjuistheden bevat, onder meer dat ‘de plattegrond niet klopt’ en dat hij ‘meer lijkt te selecteren op naam dan naar eigen smaak’. Hij wijst erop dat hij meestal kunstwerken aanschaft voordat de betreffende kunstenaar naamsbekendheid heeft verworven, zodat hij juist op zijn eigen smaak moet vertrouwen.
Hij is derhalve geen ‘kruimelverzamelaar’ die zich tevreden moet stellen met afvalrestjes, maar een succesvol talentenjager die zich met serieuze kunst bezighoudt, aldus klager. Hij heeft de indruk dat verweerster zich niet professioneel heeft verdiept in de collectie en ten onrechte negatieve kwalificaties heeft gehanteerd die niet zijn gebaseerd op feiten. Bovendien heeft verweerster hem ten onrechte niet om commentaar gevraagd.
Klager voelt zich door de publicatie gekwetst en in zijn belangen geschaad. Die belangen zijn onder meer gelegen in de mogelijkheid om in het vervolg elders te kunnen exposeren, de kans op een verzoek voor het uitlenen van kunstwerken aan musea of het welslagen van een eventuele sollicitatie naar een functie die direct met beeldende kunst te maken heeft.


Verweerster betreurt het dat klager zich persoonlijk gekwetst voelt door het artikel. Zij benadrukt dat het hier een recensie betreft, waarbij het gaat om de mening van de recensent. Een recensent baseert zich op de informatie die op de tentoonstelling aanwezig is en oordeelt alleen over de tentoonstelling in kwestie, aldus verweerster. Zij meent dat de tentoonstelling en de aanwezige informatie voor zich moeten spreken, en dat zij niet gehouden was contact met klager op te nemen en hem om commentaar te vragen.
Verweerster stelt dat uit de beschikbare informatie niet bleek dat het de eerste presentatie was van een deel van klagers collectie. Verder klopte de plattegrond bij nader inzien wel, maar omdat deze rommelig en onduidelijk was, leek het alsof namen van kunstenaars verwisseld waren. Verder is duidelijk vermeld dat het ‘lijkt’ alsof klager meer selecteert op naam dan op eigen smaakt. Deze bewering is derhalve niet gepresenteerd als een absolute waarheid, maar als een vermoeden. Van een aperte onjuistheid, zoals klager stelt, is dan ook geen sprake. Ten slotte stelt verweerster dat met de typering ‘kruimelverzamelaar’ geen afvalverzamelaar is bedoeld, maar dat daarmee wordt aangegeven dat het om een bescheiden verzameling gaat.


 

BEOORDELING VAN DE KLACHT


Volgens het vaste oordeel van de Raad komt aan een recensent een grote mate van vrijheid toe, niet alleen wat betreft de vorm van de recensie, maar ook en vooral ten aanzien van de inhoud. Bij het geven van zijn oordeel over het werk waarop de recensie betrekking heeft, behoeft de recensent zich in het algemeen niet te laten weerhouden door de mogelijkheid dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de maker van het besproken werk. Voor het oordeel dat dat in dit geval anders is, bestaat geen grond. Bovendien is het beginsel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, bij recensies niet aan de orde (vgl. onder meer: X tegen Janssen, RvdJ 2002/10 en Bosman tegen Dros en Trouw, RvdJ 2002/01).


Het (overwegend) negatieve commentaar van verweerster is voor klager mogelijk pijnlijk geweest. Dit levert echter op zichzelf geen grond op voor het oordeel dat verweerster in strijd met enige journalistieke norm heeft gehandeld. Verweerster heeft erkend dat de bewering ‘dat de inrichting niet klopt. Niet elk werk wordt op de plattegrond aan de juiste kunstenaar toegeschreven’ feitelijk niet juist is. Deze omissie is echter niet van zodanige aard dat verweerster daarmee grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Deze grenzen zijn evenmin overschreden door het gebruik van de aanduiding ‘kruimelverzamelaar’. De Raad heeft begrip voor klagers subjectieve standpunt, dat deze aanduiding nodeloos denigrerend is, doch deelt dit standpunt niet. Klager heeft bovendien ter zitting erkend dat het begrip ‘kruimelverzamelaar’ ook neutraal kan worden uitgelegd.


De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de recensie niet meer bevatte dan een persoonlijk oordeel van verweerster, hetgeen ook duidelijk aan de lezer kenbaar is gemaakt, en dat het haar vrijstond haar mening te uiten, zoals zij dat heeft gedaan.


BESLISSING


De klacht is ongegrond.


De Raad verzoekt verweerster deze beslissing integraal of in samenvatting in (thans) het Dagblad van het Noorden te (laten) publiceren.


Aldus vastgesteld door de Raad op 5 september 2002 door mr. D. Allewijn, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. C.J.E.M. Joosten en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.


Uitspraak 2002-35